2. Hoe zet ik mijn onderzoek voort?

Met de informatie die de registers van de burgerlijke stand en de doop-, trouw- en begraafboeken u hebben gegeven, hebt u het raamwerk van het onderzoek neergezet. Er zijn evenwel nog meer bronnen bewaard gebleven die u kunt gebruiken voor het reconstrueren van familierelaties. Te denken valt aan bevolkingsregisters, testamenten, huwelijkscontracten, migratielijsten, e.d. Wel moet u zich voortdurend realiseren dat deze gegevens voor een ander doel zijn aangelegd dan waarvoor u ze nu gebruikt.

BEVOLKINGSREGISTER, PERSOONS- EN GEZINSKAARTEN
De bevolkingsadministratie is voor de negentiende en twintigste eeuw een belangrijke bron, zowel voor de periode waarin de akten van de burgerlijke stand beperkt openbaar zijn (vanaf 1902), als daarvóór, om verhuisde familieleden op het spoor te komen.

Na de algemene volkstelling van 1849 besloot men de toen verkregen gegevens te blijven verzamelen en bij te houden. Elke gemeente legde hiertoe bevolkingsregisters aan, waarin de registratie-eenheid het woonadres of het gezin was. Overigens was een behoorlijk aantal gemeenten voordien al begonnen met het aanleggen en bijhouden van een bevolkingsregister.

In 1920 kregen de gemeenten toestemming om het bevolkingsregister op een kaartsysteem over te brengen, waardoor mutaties beter konden worden verwerkt. Zo ontstonden de gezinskaarten (alfabetisch op naam van het gezinshoofd). In 1938 tenslotte werd dit systeem weer vervangen door de persoonskaarten (alfabetisch op naam).

Anders dan de registers van de burgerlijke stand geven de bevolkingsregisters meer samenhangende informatie: de geboorte-, huwelijks-, overlijdens- en vertrekgegevens van alle gezinsleden staan bij elkaar op één blad of kaart.
Het bevolkingsregister was meestal niet alfabetisch ingericht, maar wijksgewijs en vervol­gens op straatnaam. Van elk adres werden de volgende gegevens geregis­treerd: van alle bewoners (inclu­sief dienstbo­den en knechten) de voor- en ach­ternamen, het geslacht, de geboorte­datum en -plaats, de kerkelijke gezindheid, de burger­lij­ke staat en het beroep, voorts de relatie van elke bewoner tot het gezins­hoofd, de huwelijks­datum van het gezinshoofd (ont­breekt vaak), de datum waarop men op een adres is komen wonen, de ver­huisdatum en het nieuwe adres en soms de overlijdensdata van de bewo­ners. Huisnummers kwamen niet overeen met kadastrale nummers en wisselden regelmatig. Er werd slechts één beroep ingevuld, terwijl velen vroeger meer middelen van bestaan hadden. Als zich veran­deringen voor­de­den (bijvoorbeeld verhui­zingen), werden die ook in het bevolkingsre­gis­ter genoteerd.

Omdat de gegevens bij de invoering van de gezinskaarten per gezin gerangschikt werden, geven de kaarten geen volledig beeld meer van wie er op een bepaald adres woonach­tig waren. Dit hiaat werd opge­van­gen met behulp van woonre­gis­ters, die werden geordend naar de volgorde van de adressen; zij verwijzen naar de gezinskaar­ten. De gemeenten zijn in 1938 begonnen de persoonsge­gevens van elke inwoner van de gemeente op te nemen op een persoons­kaart en vanaf 1 oktober 1994 zijn alle gegevens gedigitaliseerd in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA).

De gegevens zijn niet altijd correct vermeld, zeker als in een plaats veel verhui­zingen plaats­von­den. Ook zijn wijzigingen niet altijd aan de gemeente doorge­geven. Vergelijking met de gegevens van de burgerlijke stand is daarom noodzakelijk.
De gemeente Gieten was een van de Drentse gemeenten, waar al oudere registers bestonden. Deze oudere bevolkingsregisters geven bijna altijd slechts een momentopname van de bevolking. Verhuizingen of andere mutatie werden na het aanleggen niet bijgehouden.
Een bijzonder bevolkingsregister was het dienstbodenregister. Hierin werd al het mannelijk en vrouwelijk personeel genoteerd, met vermelding van geboorteplaats en -datum en burgerlijke staat.

Beschikbaarheid
De registers zijn bij uitstek gemeentelijke bronnen. In de meeste gemeenten zijn het bevolkingsregister en de ge­zinskaarten tot 1939 openbaar en daar te raadplegen. In andere gevallen kunt u op schrifte­lijk verzoek en tegen beta­ling bij de afdeling bevol­king in­lichtin­gen eruit krijgen.

Het bevolkingsregister en de gezinskaarten zijn in enkelvoud opge­maakt en berusten bij de betreffende gemeente. Het Rijksar­chief Drenthe is thans bezig microfiches van de bevol­kings­regis­ters van alle Drentse gemeenten te laten maken.

De persoonskaarten werden na het overlijden van de betrokkene (via het Centraal Bureau voor de Statistiek) opgestuurd naar het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. Deze instelling beheert dus alle persoonskaarten van hen die na 1938 in Nederland zijn overleden. Daarmee bezit het CBG een prachtige bron om op eenvoudige wijze gegevens in handen te krijgen voor het begin van een genealogisch onderzoek. Tegen betaling kunt u - uitsluitend op schriftelijk verzoek - bij het CBG een uittreksel van de persoonskaart (van overledenen vóór 1 oktober 1994) of uit de persoonslijst (uit de GBA voor overlijdens na die datum) krijgen.

Nadere toegang

In veel gemeenten is het bevolkingsregister nader toeganke­lijk ge­maakt door naamindices waarin de gezinshoofden, ongehuwde personen, onder wie dienstboden en knechten, op alfabetische volgorde zijn vermeld met een verwijzing naar het betreffen­de deel en pagina­num­mer.

Literatuur
Meer achtergrondinformatie over het bevolkingsregister vindt u in R.F. Vulsma, Burgerlij­ke stand en bevolkingsregister (Den Haag 1988); R. van Drie (red.) e.a., Voorouders in beeld. Stamboom en familiegeschiedenis (Utrecht/Den Haag 1997) en A. Knotter en A.C. Meijer, De gemeentelijke bevolkingsregisters 1850-1920 (Den Haag 1995).

BEVOLKINGSADMINISTRATIE VOOR 1811
In de Bataafs-Franse tijd heeft de overheid getracht - voor verschillende doeleinden - een beter inzicht in de bevolking te krijgen. Zo werd er in 1795 voor het eerst een volkstelling gehouden met het oog op de volksvertegenwoordiging. Vanaf 1806 gold er in Nederland één belastingstelsel. Voor een goede uitvoering van de belastingwetten waren correcte kohieren nodig, waarin alle belastingplichtigen stonden. In 1811 was bovendien de dienstplicht ingevoerd, hetgeen ook tot een administratie van daarvoor in aanmerking komende mannen leidde. Dit nieuwe `beleid' maakte het noodzakelijk een goede bevolkingsadministratie op te zetten.

Opgaven omtrent de gesteldheid der inwoners

In 1807 wilde koning Lodewijk Napoleon op de hoogte worden gebracht van `de gesteldheid der ingezetenen'. Deze wens was vooral bedoeld om rechtvaardig belastingen te kunnen heffen. De landdrosten (een soort commissaris des konings) van elk departement moesten van alle gemeenten registers laten vervaardigen. Elk register bevatte de hoofden der huisgezinnen, hun beroep, burgerlijke staat, personeel, kinderen, bezit aan vee en grond en tenslotte de belastingverplichtingen. De aldus vervaardigde registers zijn voor een groot deel bewaard gebleven in OSA, inv.nr. 1623, en bevatten een schat aan informatie. Ze staan op microfiche in de studiezaal van het rijksarchief.
In het register van Odoorn vinden we bij voorbeeld dat J. Nijenhuis dat hij in 1807 boer was, gehuwd, met een kind en twee werkboden inwonend. Zijn (belastbaar) bezit bestond uit twee paarden, twaalf koeien (hoornbeesten), veertig schapen en een zekere oppervlakte aan bouw- en weiland.

Registres civiques
In 1811 werd het Franse kiesstelsel inge­voerd. Stem­gerechtigd waren de mannelijke inwoners van 21 jaar en ouder, die hun burger­recht (droit civique) verworven hadden en zich hadden laten in­schrij­ven in de zogehe­ten burgerre­gisters, ook wel registres civiques ge­noemd. De ingeschrevenen kregen een bewijs van hun inschrijving, de zogenoemde 'carte civique', die bij deelname aan de verkiezingen over­legd moest worden. De registers bevat­ten de datum van inschrij­ving, de voor- en achternaam, het beroep, de ge­boorte- of doopda­tum en de geboor­te­plaats van de betrokke­ne.
Het register van Gasselte vermeldt de in het vorige hoofdstuk beschreven Harm Jans Hiddingh. De verdere informatie is zijn beroep (boer), zijn geboortedatum (26 oktober 1749, eigenlijk zijn doopdatum) en zijn woonplaats (Gasselte).
De gegevens in de registres civiques zijn niet altijd correct of volledig. Allereerst werd slechts één beroep ingevuld, terwijl toch velen, zoals in die tijd gebruikelijk was, meer middelen van bestaan hadden. In de tweede plaats was de bevol­king bevreesd dat de lijsten ook gebruikt zouden worden voor de beruchte conscriptie voor de Napoleon­tische legers en zal men daarom soms geprobeerd hebben de inschrijving te ontdui­ken. De originele exem­plaren berusten in OSA, inv.nrs. 1673-1674.

Literatuur
J.L. van Zanden, De Volkstelling van 1807/08. De Registres Civiques 1811 (1812, 1813) (Den Haag 1987) becommenta­rieert beide registers op hun bruik­baarheid.

Weerbare mannen (1665-1689, 1797-1798)
In tijden van politieke spanning ging het gewestelijk bestuur van Drenthe er verschillende keren toe over om voorbereidingen te treffen `dat alle d'ingesetenen deser landtschap op het geweer werden gestelt ende goede wachten gehouden'. Men zette als het ware een burgerwacht op. Dat was het geval ten tijde van de oorlogsdreiging in 1665, 1672 en 1689.

Na de omwenteling van 1795 werd het nodig geacht een gewapende burgermacht in het leven te roepen. Deze burgermacht had tot taak `het doen eerbiedigen der wetten, het beveiligen van personen en eigendommen, het tegengaan van oproer en geweld en het beschermen van de vrijheid en onafhangelijkheid van het vaderland', aldus het reglement. Alle manspersonen tussen 18 en 45 jaar werden verplicht, wanneer nodig, de wapenen op te vatten. Deze - naar het schijnt overgeorganiseerde - burgerbewapening verdween in 1801 al weer van het toneel.

Bronnen en beschikbaarheid
Bij de oorlogsdreiging in de tweede helft van de zeventiende eeuw werd aan alle plaatselijke besturen gevraagd op te geven welke weerbare mannen beschikbaar waren en welke vuurwapens deze in bezit hadden. De lijsten hiervan zijn (grotendeels) bewaard gebleven in OSA, inv.nrs. 1329-1331.

In 1797 werden de plaatselijke besturen verplicht lijsten aan te leggen van degenen die in aanmerking kwamen voor de gewapende burgermacht. Deze lijsten bevinden zich in OSA, inv.nr. 1383. In de studiezaal staan de microfiches van de lijsten. Bovendien bevat een enkel kerspelarchief gegevens over de burgerbewapening uit die tijd.

Burgerboeken (circa 1590-1809)
Burgers waren die inwoners die deelden in de voorrech­ten die hun stad had gekre­gen, bijvoor­beeld vrijstel­ling van tolgel­den, lidmaatschap van een am­bachts­gil­de of berechting door de stads­recht­bank. Men ver­wierf het burgerrecht niet zomaar. Meestal moest er voor betaald worden. Het burgerrecht verkreeg men door geboorte uit burgers, huwelijk met een burger of burgeres of door het burgerrecht te kopen.

Tegenover de sociale en economische voordelen stonden ver­plichtin­gen. Te denken valt aan de betaling van de stadsbe­lastingen, deelname aan de beveiliging van de stad en de verplichting om daadwerkelijk in de stad te wonen. Hiertegenover stonden ook rechten, zoals het gebruik van een stadsweide. Het burger­schap kon worden afgenomen als men teveel schulden maakte, zich aan bepaalde misdrijven schuldig maakte of zich elders als burger liet registreren.
De namen van nieuwe burgers werden genoteerd in de burgerboe­ken. In het alge­meen bevatten de in­schrij­vingen de volgende genealogi­sche gege­vens: familie­naam of patroniem van de nieuwe burger, herkomst (geboorte­plaats en/of vorige woon­plaats) en het beroep.

Beschikbaarheid
Drenthe kent slechts twee plaatsen die in het verleden stads­rechten hebben gekregen en als gevolg daar­van hun burgers registreerden. Deze plaatsen zijn Coevorden, met burgerboeken van circa 1590 tot 1809, en Meppel, met burgerboeken van 1644 tot 1809. Assen werd pas in 1809 tot stad verheven, maar toen werd geen burgerboek meer aangelegd.

De burgerboeken bevinden zich in de stadsarchieven van Coevorden en Meppel, die in het rijksarchief worden bewaard. Kopieën ervan staan in de studiezaal. Ook zijn er naamindexen op deze registers. Het burgerboek van Coevorden is door de Stichting Voorouderonderzoek Drenthe uitgegeven in een handig boekje dat de raadpleging vergemakkelijkt.

MIGRATIE
Een lastig aspect van genealogisch onderzoek is het vinden van voorouders die niet erg honkvast geweest zijn. Een familie die eeuwenlang op dezelfde boerderij gewoond heeft, levert weinig problemen voor uw onderzoek. Maar zij die regelmatig verhuisden, op een schip voeren, uit het buitenland kwamen of daarnaartoe gingen, zijn veel moeilijker te achterhalen.

Voor de negentiende en twintigste eeuw zijn de bevolkingsregisters, zoals gebleken is, een nuttige bron, omdat daarin herkomst c.q. bestemming vermeld staan. Maar er zijn voor speciale groepen migranten nog andere mogelijkheden.

De trek naar Amerika
In de jaren veertig van de negentiende eeuw werd, om zowel godsdienstige als economische redenen, de belangstelling voor emigratie naar de `Nieuwe Wereld' steeds groter. In 1845-1847 waren al meer dan 300 Drenten overgestoken naar Amerika. Vanaf 1 januari 1848 waren de gemeenten verplicht jaar­lijks aan het provin­ciaal bestuur op te geven welke personen uit hun gemeente waren geëmigreerd. Deze gegevens werden verwerkt in provinciale lijsten die werden opgestuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken. De Commissaris des Konings en vanaf 1860 het Bureau van Statistiek van de provincie Drenthe verzamelden de jaarlijkse lijsten met namen van landverhuizers en de gemeenten van waar zij vertrokken.

Plaatselijke informatie over landverhuizers kunt u ook aan­treffen in het bevol­kings­register. Soms zijn aparte regis­ters bijgehou­den van ingeko­men en vertrok­ken personen.
`Zucht naar meerdere vrijheid van godsdienst en naar verbetering van bestaan' waren de motieven voor de meesten die in 1847 naar Michigan (Noord-Amerika) vertrokken. Albert Vredeveld uit Beilen vertrok naar zijn zeggen om onder `de drukkende belastingen' uit te komen. De meeste emigranten waren `christelijk afgescheidenen' en warm gemaakt door de predikant van Sleen, ds. van Raalte. Jan Willems Nijzing uit Smilde gaf als reisbestemming op: `Naar de door Ds. van Raalte in N. America te stichten stad, verder onbekend.' (Archief Gouverneur, inv.nr. 3 doos 1157, d.d. 27 maart 1848, nr. 1829).

Bronnen
In emigratielijsten vindt u gegevens over de achter­grond van de geëmi­greerde families: naam, leeftijd, beroep, gods­dienst en welstand van het gezinshoofd, de gezinssa­menstel­ling (in­clu­sief meereizende dienst­boden), reden van vertrek en beoogde plaats van vestiging. Ze zijn te vinden in de verbalen van de Gouverneur/Commissaris des Konings (toegangnummer 0040) en vanaf 1860 in de ingekomen stukken van het Bureau van Statistiek (toegangnummer 0042). In de indices verwijst de rubriek `landverhuizers' naar de betreffende stukken.

Beschikbaarheid
Naast de genoemde lijsten in het archief van de Commissaris des Konings en het Bureau van Statistiek zijn ook in het Algemeen Rijksar­chief te Den Haag lijs­ten met landverhuizers uit de jaren 1848-1877.

Het onderzoek naar emigranten naar de Verenigde Staten in de negen­tiende eeuw is sterk vereenvoudigd dankzij het werk van R.P. Swieren­ga: Dutch emigration records, 1835-1880. A computer alphabetical listing of heads of households and independent persons (1977). In de studiezaal van het rijksar­chief liggen zijn computeruit­draaien met vele namen van Drentse emigran­ten ter inzage. Zijn werk is ook in druk verschenen. E­migranten­lijsten van na 1877 zijn slechts ten dele be­waard. Het CBG bezit een aantal emi­grantenlijsten op micro­film.

Indien uw voorouders niet in bovengenoemde bronnen voor­komen, kunt u nog gebruik maken van passagierslijsten die kapiteins in de jaren 1820-1880 in verschil­lende Amerikaanse havens aan de douane­beamb­ten moesten overleggen. Het CBG beschikt over microfilms van dit materiaal. Veel emigran­ten vertrok­ken met schepen van de Rotter­dam­se Holland-Amerika-Lijn naar de Ver­enigde Staten. De gemeente­lij­ke archiefdienst te Rotterdam beheert de passa­gierslijsten van deze maat­schap­pij uit de jaren 1900-1961. Zijn uw voorouders via Hamburg vertrokken in de periode 1850-1934, dan kunt u contact opnemen met het Historic Emigration Offi­ce (zie adres­senlijst).

Literatuur
R.P. Swieren­ga, Dutch emigrants to the United States, South Africa, South America and Southe­ast Asia 1835-1880. An Alpha­betical listing by household heads and indepen­dent persons (Wil­mington 1983); Dutch households in U.S. population censuses 1850, 1860, 1870: an alphabetical listing by family heads (Wilmington/Delaware 1987) en: Dutch immi­grants in US ship passenger mani­fests 1820-1880 (Wil­ming­ton/Delaware 1996); L. Beelen-Driehuizen en J.H. Kompagnie, Onderzoeksgids landverhuizers, aanwijzingen voor het doen van onderzoek naar emigranten en transmi­granten (2e kwart 19e eeuw-1940) (Den Haag 1996).

Vroegere migratie
Maar ook al eerder was er sprake van emigratie naar de overzijde van de oceaan. In de zeventiende eeuw, en vooral rond 1660, zijn Drenten weggetrokken om zich in Amerika te vestigen.
De bekendste en meest beschreven emigratie is die uit het plaatsje Voorhees bij Ruinen. De huidige nazaten zijn wijd verspreid in de VS, maar vormen een actieve familievereniging, de `Van Voorhees Association'.
J. Folkerts deed onderzoek naar de migratie in de zeventiende eeuw en publiceerde daarover zijn Emigration from Drenthe to America in the seventeenth century (Zwolle 1988). In Ons Waardeel 1986, 73-92, schreef hij `Drentse emigratie naar Amerika in de zeventiende eeuw'.

Het is over het algemeen niet eenvoudig deze vroegere migranten te vinden of te volgen. Men is vaak afhankelijk van toevallige vermeldingen in trouwboeken, aantekeningen over de herkomst van een persoon in een gerechtelijke akte of over diens vertrek in een lidmatenregister. Niet zelden loopt een genealogisch onderzoek vast, omdat men niet kan vinden waar de gezochte persoon vandaan komt of waar deze zich vestigde.

Vanouds heeft er migratie plaatsgehad van het graafschap Bentheim naar Drenthe. In de zeventiende en achttiende eeuw trouwden minstens duizend Bentheimers in Drenthe. De meeste kwamen uit de kerspelen Emlichheim, Veldhausen, Nordhorn en Ulsen. De Drentse plaatsen, waar men zich vestigde, waren vooral Meppel, Coevorden, Dalen, Emmen en Schoonebeek. Opvallend was de trek van Nordhorn naar Meppel en het grote aantal Bentheimse meisjes dat in Coevorden trouwde.

In 1980 verscheen een speciale aflevering van het genealogisch tijdschrift Spint Arwt'n, dat geheel gewijd was aan `huwelijken van Bentheimers in Drenthe in de 17e en 18e eeuw'. Alle huwelijken tussen Bentheimers en Drenten, voor zover voorkomende in de Drentse trouwregisters, zijn er alfabetisch in opgenomen.

In de studiezaal van het rijksarchief staat verder een klapper op ondertrouw en huwelijken van Drenten in de stad Groningen in de periode 1623-1811 en een klapper op Drentse lidmaten in die stad van 1676 tot 1840.

HUWELIJKSRECHT, ERFRECHT EN VOOGDIJ VOOR 1811

De voor de genealoog belangrijke gebeurtenissen in het leven van zijn voorouder, zoals huwelijk en overlijden, brachten vaak rechtshandelingen met zich mee die op papier werden vastgelegd door officiële instanties. Het betrof het huwelijksrecht, het erfrecht en de voogdij, drie terreinen die nauw aan elkaar verwant zijn. Wij zullen in deze paragraaf laten zien hoe de papieren neerslag hiervan voor genealogisch onderzoek van nut kan zijn.

Na 1811 vinden we in de notariële archieven verschillende soorten akten die voor de genealoog van belang kunnen zijn, zoals testamenten, huwelijkscontracten, contracten van plaatsvervanging (voor militaire dienst), akten van zakelijke aard enz. Voor het opbouwen van de genealogie zijn deze akten meestal van minder belang, omdat de burgerlijke stand al in de gegevens daarvoor voorziet. Wel bieden de notariële archieven een schat aan gegevens met betrekking tot het bezit van onroerend goed. Daarom wordt het werken met deze bron in hoofdstuk 4 nader behandeld.

Schulten
Vóór 1811 kende Drenthe geen notarissen bij wie men zich kon vervoegen voor het laten opmaken van een akte. Daarvoor gingen de inwoners van de provincie naar de schulte. In het vorige hoofdstuk kwam deze functionaris al ter sprake.

Anders dan de notariële archieven zijn de archieven van de schultegerechten (toegangnummer 0102) van groot belang voor het opstellen van de genealogie. De gegevens uit deze archieven zijn vaak onmisbaar om familierelaties vast te stellen als de DTB de onderzoeker in de steek laten. Daarnaast geven de archieven van de schultegerechten, net als de notariële archieven, veel informatie over onroerend goed.

De schulte, in de zeventiende en achttiende eeuw aangesteld door de Staten van Drenthe, speelde een rol in verschillende rechterlijke procedures en voerde opdrachten van het gewestelijk bestuur uit. Minstens zo belangrijk was evenwel zijn taak in wat men - enigszins gekunsteld - de vrijwillige rechtspraak noemt. Hieronder verstaan we de functie van de schulte bij rechtshandelingen, zoals het opmaken van testamenten, akten betreffende voogdijzaken, huwelijkscontracten, akten van eenkindschap, boedelscheidingen e.d.

Wat vindt men in de archieven van de schultegerechten?
De schulten waren verplicht een aantal registers - protocollen - ten aanzien van de vrijwillige rechtspraak bij te houden:

  • sinds 1671 een protocol van `verzegelingen', dus gezegelde akten: van schuldbekentenis, verkoop en overdracht e.d.; het werd vaak ook register van vrijwillige rechtspraak of protocol van vrijwillige zaken genoemd;
  • sinds 1698 een protocol van testamenten;
  • sinds 1751 een protocol van aangifte van collaterale successie (vererving in de zijlinie) en van vrijwillige verkopingen van onroerend goed ten behoeve van de belastingheffing;
  • sinds 1802 een protocol van `ter leen' gegeven goederen en vee (als onderpand voor schulden);

Daarnaast treffen we in de meeste schultambten aan:

  • momberprotocol, register van akten in voogdijzaken;
  • protocol van aangiften van admissie tot de jacht en visserij (jacht- en visvergunningen dus);
  • protocol van `contentieuse' zaken (de uitoefening van rechtspraak in vooral kleine schuldzaken door schulte en keurnoten).

Overigens zijn niet altijd afzonderlijke protocollen aangehouden; meermalen registreerde de schulte de diverse akten in één protocol.

Voogdijzaken
Voogdij kwam in vroeger tijden veelvuldig voor. Voogden werden toen momberen genoemd. De voogd die belast werd met de administratie en het bewind van de goederen van de pupil, werd voormomber genoemd. De rechtshandelingen in voogdijzaken waren:

  • aanwijzing bij testament van mombers. Mocht dat niet gebeurd zijn, dan was de naaste verwant aan vaderszijde verplicht ervoor te zorgen dat binnen zes weken na het overlijden voormombers gesteld werden. Lukte ook dat niet, dan deed de schulte van de plaats waar het sterfhuis stond, zulks.
  • eedsaflegging door de voormomber en drie mombers;
  • opstelling van de inventaris van de goederen, nagelaten door de overledene, opgemaakt door de schulte in drievoud: één voor de schulte zelf, één voor de voormomber, één voor de familie;
  • rekening, door de mombers afgelegd van hun administratie bij de meerderjarigheid van de pupillen en geprotocolleerd door de schulte.

Deze rechtshandelingen zijn in principe te vinden in de momberprotocollen.

Als voorbeeld behandelen we de nalatenschap van Hendrik Barringe en Wemmechien Prakken te Wijster. Op 15 maart 1757 legden de momberen over hun minderjarige kinderen de eed af. Hoofdmomber was Hendericus Hendriks te Beilen, mombers waren Hendrik Willems van Diever, Jan Prakken van Eemster en Jan Hilberts van Leggelo.

Op 1 mei 1757 maakte de schulte van Beilen op verzoek van de momberen inventaris van de boedel op. De goederen bestonden uit een boerderij in Wijster met bijbehorende landerijen, `tilbare goederen' als kleding, kasten, een bed en linnengoed. Vervolgens waren er enkele vorderingen op anderen en enige schuldbekentenissen en nog niet betaalde rekeningen.

De eedsaflegging en de inventaris staan in het eerste `prothocol van momboirsaken' van Beilen. In het tweede deel zien we op blz. 28-36 de rekening die de hoofdmomber op 21 april 1761 aflegt van zijn beheer. De ontvangsten, voortkomend uit de verkoop van vooral rogge en boekweit en uit loon van de pupillen, bedragen 419 gulden. De uitgaven wegens kleding, vervoer van rogge en boekweit, dorsloon en betalingen aan particulieren bedragen 482 gulden. De schulte van Beilen en de medemomberen ondertekenen de rekening (Schultegerechten, inv.nr. 120, blz. 479-481).

Akten van eenkindschap
Eenkindschap was een in Drenthe regelmatig voorkomende rechtsvorm. Wanneer een weduwnaar of een weduwe, achtergebleven met kinderen, opnieuw wilde trouwen met een andere weduwe of weduwnaar die ook kinderen had, dan kregen de man en de vrouw ieder er een of meer stiefkinderen bij (`voorkinderen' in de terminologie van toen). De kinderen van de man en die van de vrouw werden elkaars stiefbroers en -zusters. Bovendien konden uit het nieuwe huwelijk ook kinderen geboren worden, die halfbroers en -zusters van de voorkinderen zouden zijn. Dat kon tot vele moeilijkheden leiden, bijvoorbeeld bij vererving. Om deze te voorkomen bestond in Drenthe de mogelijkheid een contract van eenkindschap te sluiten. De opnieuw huwende man en vrouw sloten een overeenkomst, waardoor kinderen uit een eerder huwelijk gelijk gesteld werden met die uit een latere echtverbintenis. Kinderen uit de verschillende huwelijken werden volle broers en zusters van elkaar.

Een dergelijk contract van eenkind-, eenzuster- en eenbroederschap moest worden verleden voor de schulte en bovendien worden goedgekeurd door de Etstoel, het gerechtshof. Bovendien schreef het Drentse landrecht voor dat er mombers, voogden, gesteld moesten worden over de voorkinderen.

Omdat eenkindschap veel verwantschap met voogdij heeft, bevinden de contracten en de eindafrekening door de voogden zich in de momberprotocollen die de schulten bijhielden (of in de losse stukken dienaangaande).

Op 3 oktober 1760 verschenen voor de schulte van Gasselte de mombers over het dochtertje Trijntien van wijlen Jan Schuiling en Gebbegien Alberts te Gasselte, alsmede de mombers over de twee kinderen van Jan Lamberts en wijlen Henderkien Jacobs uit Eext, geheten Fennegien en Lubert. De weduwe Gebbegien Alberts wilde hertrouwen met de weduwnaar Jan Lamberts. De huwenden en de voogden sloten een contract van eenkindschap, eenzuster- en eenbroederschap.

In het contract lezen we dat de drie voorkinderen gelijkgerechtigd zouden zijn met de eventueel uit dit nieuwe huwelijk voortkomende kinderen ten aanzien van de nagelaten goederen van de overleden ouders. Bovendien zouden al deze kinderen op elkaar vererven `alsof deselvige uit een bedde en van een en deselvige ouders gesproten waren'. Als speciale bepaling werd toegevoegd dat Trijntien Jans de bijbel met zilveren sloten van haar overleden vader zou krijgen. Fennegien en Lubert Jansen kregen het door hun moeder nagelaten zilveren oorijzer. De voogden zouden deze kostbaarheden bewaren totdat de kinderen ze zelf konden bewaren of gebruiken.

Deze akte, ondertekend door de huwenden en alle mombers, laat prachtig zien hoe uit twee onvolledig geworden gezinnen één nieuw gezin gevormd wordt met volledig gelijkberechtigde leden (Schultegerechten, inv.nr. 320d).

Op dezelfde derde oktober 1760 staat in het protocol van de schulte ook de eedsaflegging door de momberen ingeschreven (Schultegerechten, inv.nr. 319, deel 3, blz. 342). Helaas is een inventaris en later een momberrekening niet in het protocol ingeschreven.

Huwelijks- en erfrecht
In een agrarische gemeenschap was het vanouds van belang het familiale erfgoed bijeen te houden en niet op te splitsen door bijvoorbeeld vererving onder meerdere kinderen. Versnippering van goederen verminderde de economische waarde. Dat vereiste een goede regeling op de risicovolle momenten. Deze momenten waren het huwelijk en de dood.
Het huwelijksgoederenrecht en het erfrecht hadden in Drenthe nauwe verwantschap. In de huwelijkscontracten, de regeling tussen de families van de huwenden, werden afspraken gemaakt over de al of niet in de huwelijksgemeenschap in te brengen goederen. Bij testament kon de testateur beschikken over wat er na zijn overlijden met zijn goederen zou gebeuren. Was er geen testament, dan trad de regeling van het in het Drentse landrecht voorgeschreven erfrecht in werking.
Het Drentse recht bepaalde dat vanaf het ogenblik van de huwelijkssluiting er gemeenschap van roerende en van aangewonnen goederen optrad. Dat wil zeggen dat huisraad gemeenschappelijk was, evenals tijdens het huwelijk verworven goederen. Werd een kind geboren, dan trad daardoor algehele gemeenschap van goederen in. Ook de overige goederen van de echtelieden werden dan dus gemeenschappelijk. Overleden de kinderen vóór de ouders, dan hield deze algehele gemeenschap op te bestaan en was weer sprake van gemeenschap van roerende en aangewonnen goederen. De opzet hiervan was te voorkomen dat goederen van de ene familie dan in een andere familie terecht zouden komen.

Huwelijkscontract

In normale gevallen was de gang van zaken dat, wanneer uit een huwelijk kinderen geboren waren, het `erfgoed' - de ouderlijke boerderij - aan de zonen toekwam (`bij de stamme blijft'). De andere kinderen, de dochters, werden door de ouders afgekocht, daarvoor schadeloos gesteld, `afgeboelt'. Waren de ouders overleden, dan deden de broers dat. Vaak werden deze afspraken vastgelegd in een huwelijkscontract. Om een huwelijkscontract te vinden raadpleegt men eerst de inventaris van de archieven van schultegerechten om te zien of er een protocol bestaat waarin dit gevonden kan worden. Vervolgens kan men in dit protocol kijken of omstreeks de huwelijksdatum een huwelijkscontract is geregistreerd. Als van de betreffende familie een familiearchief in het rijksarchief is gedeponeerd, kan hierin de originele akte berusten, maar dit komt in de praktijk weinig voor.

Hoe een huwelijkscontract uw genealogisch onderzoek verder kan helpen, blijkt uit het volgende voorbeeld.

In het doopboek van Schoonebeek is vermeld dat Fennigjen, dochter van Geert Ellen, op 18 augustus 1754 is gedoopt. Om erachter te komen wie haar ouders waren moeten we in het huwelijksregister kijken. Maar dat vertoont hiaten, juist over deze periode. Kan een huwelijkscontract dan uitkomst bieden? In het protocol van akten in voogdij- en huwelijkszaken van het schultambt Coevorden en Schoonebeek treffen we inderdaad een dergelijk contract aan, op 31 maart 1753 gesloten tussen Geert Ellen, van Schoonebeek, en Hilligien Schoenmakers, van Barthoorn. Geert wordt omschreven als oudste en erfgenaam van de boerenplaats Ellen, Hilligien wordt bijgestaan door haar vader Jan Schoenmakers en door Egbert Schoenmakers. Overeengekomen wordt dat de bruid van de ouderlijke boedel wordt afgekocht voor een som van 550 gulden, welk bedrag door haar vader in drie termijnen wordt betaald. Als verdere uitzet krijgt zij mee twee bedden en een koe. De bruid belooft het geld, de genoemde roerende goederen en eventueel uit de zijlinie te erven goederen in te brengen in het huis van de familie Ellen. Mocht de bruid het eerst overlijden zonder kinderen na te laten, dan zal de helft van de ingebrachte goederen ten voordele van de bruidegom komen. Mocht de bruidegom eerst overlijden zonder kinderen, dan mag de bruid op de plaats Ellen blijven en hertrouwen.

Het contract wordt ondertekend door Geert Ellen, Jan Geersen en Fennegien Ellen (waarschijnlijk de ouders van Geert), Harm Ellen, Jan en Egbert Schoenmakers. Hilligien zet een kruisje in plaats van haar handtekening. Bovendien ondertekenen de schulte en twee keurnoten (getuigen) de akte (Schultegerechten, inv.nr. 11).

Testament
Een ander instrument om de bestemming van (huwelijks)goederen te regelen was het testament. Deze uiterste wilsbeschikking legde men meestal op latere leeftijd vast, vooral wanneer men zijn einde voelde naderen. Vaak werd er het vruchtgebruik door de langstlevende in geregeld.

Geregeld werden testamenten geregistreerd door de schulte in zijn protocol. Na 1811 was de notaris de bevoegde instantie, voor wie men een testament kon maken. Maar vanzelfsprekend vinden we testamenten ook in familiearchieven.

De schulte van Norg registreerde in 1780 het testament van Hindrik Egberts en Rensien Roelfs, echtelieden in het dorpje Westervelde. Zich bewust van de zekerheid des doods en de onzekerheid van tijd en uur daarvan legden zij vast dat de langstlevende het vruchtgebruik en de eigendom van de tilbare en aangewonnen goederen kreeg. Wat er na de dood van de langstlevende overbleef, werd half-half verdeeld tussen de wettige erfgenamen. Bovendien legateerden zij een bedrag van 15 gulden aan de diakonie van Norg. (Schultegerechten, inv.nr. 225, blz. 89).

Boedelscheiding
Een veel voorkomende situatie, zeker na 1800, was ook dat na het overlijden van de ouders de kinderen de gemeenschappelijke boedel moesten scheiden. Vaak deden de erfgenamen dat onderling en legden zij de scheiding en deling vast in een onderhandse akte. Dan vindt men deze hooguit terug in een familiearchief. In de protocollen van de schulten zijn weinig boedelscheidingen te vinden.

Meer dan eens werden de erfgenamen het niet eens en kwam de rechter er aan te pas. Kwesties rond huwelijksgoederen en erfenissen kan men dus ook aantreffen in de lottingsprotocollen van de Etstoel (zie over deze rechtbank het hoofdstuk over burgerlijke rechtszaken).

Op 5 december 1747 stonden de erfgenamen van Berent Jans en Annegien Cornelis uit Wapserveen voor de Etstoel. Aan Cornelis Jans en Roelofien Jans uit Wapse, voor twee vijfde gerechtigd tot de boedel, werd door de overige erven gevraagd mee te werken aan de vereffening van de boedel. In 1725 hadden Berent Jans en Annegien Cornelis een testament gemaakt, waarin de langstlevende alle aangewonnen en roerende goederen zou verkrijgen. De gedaagden zeiden dat eerst maar eens een boedelinventaris gemaakt moest worden om enig inzicht te krijgen, omdat er sprake zou zijn van goederen in Overijssel en obligaties. De Etstoel besliste bij tussenvonnis dat een commissie uit haar midden eerst met de strijdende partijen om de tafel zou gaan zitten. Drie dagen later kon al uitsluitsel worden gegeven. De aangewonnen vaste goederen zouden tussen partijen ieder voor de helft verdeeld worden en er zou een inventaris gemaakt worden van de boedel. Daarmee werden de gezamenlijke erfgenamen naar huis gestuurd. (Archief Etstoel, inv.nr. 14, dl. 49, fol. 53 en 60).

Omdat onroerend goed doorgaans over meer generaties in de familie bleef, leveren ook de andere bronnen die daarop betrekking hebben, zoals belastingregisters, indirect waardevolle informatie voor het reconstrueren van familierelaties. In hoofdstuk 4 worden deze bronnen verder besproken.

Literatuur
Over het eenkindschap zie men S. Gratama, `Het Drentsche een-kindschaps-, een-zuster- en een-broederschapscontract', Drenthsche Volksalmanak 14 (1850), 85-134. E. Oosting, Het eenkindschap, proeve van verklaring van het Drentsche landregt, B. III, art. 8 (Leiden 1868), met name de bladzijden 105-143, waar de Drentse praktijk wordt beschreven aan de hand van enkele casus.

De wettelijke regeling van het huwelijksgoederenrecht staat in het derde boek van het Drentse landrecht, vastgesteld in 1614 en herzien in 1712. E. Pelinck heeft hierover gepubliceerd: Geschiedenis van het huwelijksgoederenrecht in Drenthe (Leiden 1879). Een overzicht van de verschillende erfrechtelijke situaties geeft J. Wessels Boer, `Wat leeren de Drenthsche rechtsbronnen omtrent het erfrecht bij versterf?', NDVA (1893) 108-128. Verder E.M. Meyers, Het Friesche en het Drentsche erfrecht en huwelijksgoederenrecht, Akademiedagen 1948, 37-73.

De boedelinventarissen geven een prachtig beeld van het dagelijks leven en het huishouden. Zie hierover: H. van Koolbergen, Materiële cultuur: huisraad, kleding en bedrijfsgereedschap (Zutphen 1988) en Th.F. Wijsenbeek-Olthuis, Boedelinventarissen (Den Haag 1995).

ONDERZOEK NAAR JOODSE FAMILIES

Speciale aandacht is er tenslotte in dit hoofdstuk voor genealogisch onderzoek naar joodse families. In Drenthe kunnen vier plaatsen bogen op een rijk joods verleden: Assen, Coevorden, Hoogeveen en Meppel. De kille (gemeente) van Coevorden werd in 1768 door de Drost van Drenthe erkend, die in Hoogeveen in 1785. Meppel maakte in 1767 zelf een reglement, dat echter geen goedkeuring kreeg. De kille van Assen is van iets jonger datum. In 1811 telde Meppel 225 leden, Hoogeveen 111 en Coevorden 101. Assen (met Rolde en Beilen) had nog slechts 56 leden.

Vóór de stichting van de oudste synagoges waren er ook al joden in Drenthe. Rond 1690 is hun aantal echter zeer gering.

Literatuur
In de geschiedschrijvingen van Hoogeveen, Meppel en andere plaatsen is vaak een hoofdstuk gewijd aan de plaatselijke kille. Voor Assen is er het boek van F.J. Hulst en H.M. Luning, De Joodse gemeente Assen. Geschiedenis van een behoorlijke kille, 1740-1976 (Assen 1991). Verder zijn er de publicaties van M. de Hes en D. de Hes-Marbus in de periodieken Oud Meppel, De Veenmol (Hoogeveen) en Waardeel. Ze zijn te vinden via de bibliografieën en de catalogus van de openbare bibliotheek. Het tijdschrift Misjpoge is geheel gericht op joodse genealogie.

Wie zijn joodse voorouders na 1795 zoekt, kan in principe de gewone bronnen gebruiken: burgerlijke stand, notariële archieven, successiememories, bevolkingsregisters enz. Omdat veel joden in de handel zaten, zijn de archieven van de Kamers van Koophandel in Meppel, Hoogeveen, Assen en Coevorden (1852-1922) van belang. Vanaf 1922 was er één Kamer in Meppel, die het Handelsregister bijhield. Dit is een prachtige bron voor onderzoek naar bedrijven (zie verder het hoofdstuk over beroepen).

De Rolderstraat in Assen was bij uitstek de straat waar joodse winkels gevestigd waren. De familie Behr had er een fietsenhandel en winkels in porselein en glas en in galanterieën. Noach ten Brink handelde in levensmiddelen, L. van Dam, M.Ph. Elshof en Jacob Nijstadt waren slager. Izak Denneboom had er een manufacturenwinkel, evenals S.G. Levie, Aron Mosis, Aron Nijveen en Salomon Wolf. De families Lezer en Magnus waren actief in de veehandel.

Bronnen
Vóór 1795 is de situatie anders. Archieven van de Drentse synagoges zijn niet bewaard. De gemeenten hadden ook geen eigen besnijder (mohel), hoewel daar in Assen in de periode van Andries Lezer aan getwijfeld kan worden. De mohels kwamen uit omliggende provincies. Zo staan in de besnijdenisregisters van de stad Groningen en de plaatsen Oude Pekela en Veendam, evenals in die van de Overijsselse plaatsen Oldemarkt en Zwartsluis vele Drenten. Vast staat dat sinds 1779 besnijdenissen in Coevorden hebben plaats gehad. Dit werd gedaan door Mozes Izak en Salomon Izak van Coevorden, die daarvoor van Groningen naar Coevorden kwamen. Uit hun in Groningen aangelegde besnijdenisboek werden in 1811 twee extracten naar de maire van Coevorden gezonden. Een dergelijk extract is er ook van Hoogeveen. Sinds 1794 zijn de besnijdenissen in Meppel opgetekend door Benjamin Wolf. Overigens verrichtte hij, blijkens zijn bewaard gebleven boek, besnijdenissen tot in de verre omtrek.

Toch vinden we in de klappers op Drentse huwelijken, gesloten in de hervormde kerk, ook joden, omdat men alleen in de hervormde kerk (de bevoorrechte kerk) mocht trouwen. De naam Isaac bijvoorbeeld komt zes keer voor en de naam Cohen acht keer. Uiteraard vinden we hun kinderen dan ook in de geboorteklappers. In de diaconiearchieven treffen we joden aan, die bijstand ontvingen.

De stadsarchieven van Coevorden en Meppel (bewaard in het rijksarchief) zijn rijke bronnen voor genealogisch onderzoek. In het archief van Coevorden vinden we gegevens over de toelating van joden (inv.nrs. 192-193) en over de uitwijzing van Samuel Jacobs in de jaren zeventig van de achttiende eeuw (inv.nr. 190). In de protocollen waarin de rechtszaken zijn ingeschreven (inv.nr. 1030), komen regelmatig joodse namen voor. Hetzelfde geldt voor het archief van Meppel.