6. Misdaad en straf

Door welke omstandigheden ook, onze voorouders kunnen zich in mindere of meerdere mate misdragen hebben. Niets menselijks was hun vreemd... Voor de genealogisch onderzoeker is het feit dat een voorouder in een strafzaak betrokken was, als het ware een geschenk uit de hemel. Immers, het biedt de mogelijkheid veel meer over het wel en wee van die voorouder te weten te komen.

Onder een strafzaak verstaan we elke procedure voor een gerecht waarbij iemand wordt verdacht van een strafbaar feit, daarvan wordt beschuldigd door of namens de overheid en voor de rechter wordt gebracht. Het gaat om zaken die ook daadwerkelijk tot een strafproces hebben geleid, al was de strafzaak nog zo eenvoudig. Voor de stamboomonderzoeker is het van belang of er schriftelijke neerslag van het strafproces bewaard is gebleven. We betreden dus het terrein van de strafrechtspraak, ook wel de criminele rechtspraak genoemd.
Op verschillende manieren kunt u er achter komen dat een van uw voorouders met justitie in aanraking is geweest. Dat kan door een overlevering in de familie, uit oude familiepapieren of doordat u bijvoorbeeld in een oude krant daarover een berichtje hebt aangetroffen.

De strafzaak tegen Elisabeth Huberts, 1861
Als voorbeeld kiezen we Elisabeth Huberts. Om te achterhalen wat zij misdaan had, gaan we op zoek in het archief van de arrondissementsrechtbank Assen, dat bewaard wordt in het rijksarchief (toegangnummer 0106). De zogenaamde rolboeken bevatten de strafzaken, welke ter zitting behandeld zijn. Voor de zaken van 1861 hebben we inv.nr. 181 nodig. Al zoekend in deze rol van het jaar 1861 vinden we onder rolnummer 8408 de strafzaak tegen Elisabeth Huberts, ook Betje de Haas genoemd. In de rol staan interessante gegevens: dat ze gedetineerd was, dat de zaak op 24 augustus 1861 ter rolle was gebracht, dat de rechtszittingen plaatsvonden op 24 en 27 augustus, en dat het nummer van het vonnis was: 6896. Dit laatste nummer is van belang.

Om te weten te komen wat de rechtbank over haar geoordeeld heeft, moeten we het strafvonnis hebben. We doorzoeken de losse bladen met vonnissen (inv.nr. 22). Het vonnis nummer 6896 betreft Elisabeth Huberts, of Betje de Haas, volgens opgave oud 17 jaren, geboren te Lippenhuizen, wonende op 't Haantje, gemeente Sleen, van beroep koopmeisje, thans gedetineerd. Ter vaststelling van haar identiteit werd op de rechtszitting een uittreksel uit het geboorteregister van de gemeente Opsterland (Friesland) voorgelezen. Daaruit bleek dat de beklaagde was geboren op 26 juli 1844. Ze werd verdacht van diefstal `gepleegd met oordeel des onderscheids'. Elisabeth zou eind december 1859 uit de woning van Lourens Wigchers te Valthe een pond boter hebben gestolen. Dat delict was een wanbedrijf. Het was eenvoudige diefstal, gepleegd door iemand die, hoewel de ouderdom van zestien jaar nog niet bereikt hebbend, echter met oordeel des onderscheids heeft gehandeld. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zes maanden. Betje had geen bijstand van een advocaat, want in het vonnis lezen we: `gehoord de beklaagde in hare verdediging door haarzelve'. De diefstal werd bewezen verklaard en Elisabeth Huberts werd veroordeeld tot een gevangenisstraf in een huis van correctie voor de tijd van veertien maanden, alsmede tot de kosten van het geding.


COMPETENTIE VAN RECHTBANK EN KANTONGERECHT VANAF 1838
Voordat u aan een onderzoek in de rechterlijke archieven begint, is het noodzakelijk te weten welke rechter in welke zaken bevoegd is. Het gaat dan om de competentie van de rechter. Eerst moet u de territoriale bevoegdheid (of relatieve competentie) kennen. Voor de arrondissementsrechtbank te Assen is het grondgebied eenvoudigweg de provincie Drenthe.

Kantongerechten zijn er thans in Assen (vanaf 1838), Meppel (vanaf 1838) en Emmen (vanaf 1877). Van 1838 tot 1933 was er ook een kantongerecht in Hoogeveen. De inventarissen op de respectieve kantongerechtsarchieven geven voorin een lijst van gemeenten die vallen onder het territoriale rechtsgebied, het kanton, van het desbetreffende kantongerecht. De hoofdregel is dat de (kanton)rechter in wiens gebied de wetsovertreding is begaan of de beklaagde woont bevoegd is.

Ten tweede is het van belang de absolute competentie van de rechter te kennen: welke rechtbank is bevoegd de onderhavige zaak in behandeling te nemen? Daarbij is het van belang onderscheid te maken in een aantal perioden: na 1886, van 1838 tot 1886, vóór 1838. Vanaf 1886 geldt het systeem dat we nu nog kennen: misdrijven worden berecht door de arrondissementsrechtbank, overtredingen door het kantongerecht. Wat een misdrijf en wat een overtreding is, staat in het Wetboek van Strafrecht.

Vóór 1886 was de nog uit de Franse tijd stammende Code Pénal in Nederland van kracht. Deze wet kende een onderscheid in misdaden, wanbedrijven en policie-overtredingen. De kantonrechter was alleen bevoegd te oordelen over de laatst genoemde strafbare feiten. De arrondissementsrechtbank oordeelde over de wanbedrijven (delicten waarop een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar stond) en tevens over zaken in hoger beroep van de kantongerechten. De diefstal van het pond boter in het zojuist gegeven voorbeeld was dus volgens de wet een wanbedrijf. Had de diefstal evenwel bij nacht plaats gehad, dan werd deze als `gequalificeerde diefstal' gekenmerkt en was sprake van een misdaad. De misdaden kwamen voor het provinciaal gerechtshof in Assen. Dit hof heeft bestaan van 1838 tot 1875, na welk jaar Drenthe ging ressorteren onder het gerechtshof in Leeuwarden.

Een strafzaak voor het gerechtshof: Harm Berends Snoek, 1840
Harm Berends Snoek heeft in 1840 terecht gestaan voor het Hof van Drenthe. Snoek werd ervan beschuldigd bij avond uit het huis van Aaldert Egberts Tuin in Uffelte een jachtgeweer met toebehoren alsmede enig geld gestolen te hebben. Bovendien had hij eerder uit de herberg van Jan Kuiper in Ruinen een paardentuig gestolen.
We zijn daar achtergekomen door raadpleging van de alfabetische lijsten van degenen wier strafzaak door het hof behandeld is (toegangnummer 0105, inv.nrs. 79-83). De lijsten verwijzen naar de processen-verbaal van de terechtzittingen (de rol) en naar de registers van arresten in criminele zaken, over de periode 1838-1875. Het meest uitgebreid is het arrest van het hof, waarin ook de feiten worden weergegeven. De twee diefstallen werden bewezen geacht en Snoek werd veroordeeld tot te pronkstelling op het schavot in Assen, met een papier op de borst waarop zijn misdaad stond beschreven. Verder werd hij voor zeven jaar opgesloten in een tuchthuis (inv.nr. 34, arrest 45).

Literatuur
H. Kooiker, `Rechters en rechtspraak in Assen van 1811 tot heden', in: R.H. Alma en W.E. Goelema (red.), Rechtspraak in Drenthe (Groningen 1995) 43-67. Een praktische handleiding voor het verrichten van onderzoek naar strafrecht en criminaliteit in Nederlandse archieven biedt H.A. Diederiks, S. Faber en A.H. Huussen, Strafrecht en criminaliteit (Zutphen 1988).

Een voorbeeld van een Drentse strafzaak uit de negentiende eeuw geven: L.H. van Schelt en H.M. Luning, `Het korte trieste leven van Femmegien Veenhof (1825-1846)', Ons Waardeel (1984) 203-207.


RECHTSPRAAK OP Z'N FRANS
Vóór 1838 was de organisatie van de strafrechtspraak niet wezenlijk anders dan in de jaren daarna. Slechts de namen van de rechtbanken waren wat anders. Sinds 1811 gold de Franse Code d'Instruction Criminelle. Voor het eerst was er in Nederland eenheid in de strafrechtspraak. Er was een Openbaar Ministerie en de opsporing van strafbare feiten geschiedde door wettelijk gekwalificeerde ambtenaren. De oude situatie van vóór 1795 met een grote verscheidenheid aan plaatselijke regelingen was hiermee afgesloten.

Voor de berechting van wanbedrijven (delits) waren er correctionele rechtbanken, aangeduid als rechtbank van eerste aanleg. Drenthe had één rechtbank, en wel in Assen. Voor de berechting van overtredingen waren vredegerechten opgericht, vier in getal: in Assen, Hoogeveen, Meppel en Dalen. Keizerlijke hoven (cours d'assises) waren bestemd voor de berechting van de misdaden (crimes). Drenthe ressorteerde onder het hof van assisen te Groningen.

De rechtbank van eerste aanleg te Assen behandelde correctionele en criminele zaken, zoals diefstal, verwonding en bedelarij. Bovendien was zij bevoegd in appelzaken van de vredegerechten. De vrederechter sprak recht in zeer eenvoudige strafzaken en deed vaak ook voorbereidend onderzoek voor de rechtbank. Een voorbeeld daarvan is de diefstal van het oorijzer hierna.

Het gestolen oorijzer, 1820
Sjouke Jans Bos, een 19-jarig meisje, afkomstig uit Westerbroek, zou op 22 juli 1820 bij de boerderij van Jan Zwiers in Gees om een aalmoes gebedeld hebben. Op een onbewaakt ogenblik had zij het zilveren oorijzer van Aaltje Willems, de dienstmeid, gestolen. Samen met de 18-jarige Sara Andries de Vries had zij vervolgens dit oorijzer verkocht aan Boene Simons, koopvrouw uit Coevorden. Op verzoek van de rechter van instructie bij de rechtbank in Assen had de vrederechter in Dalen verschillende getuigen gehoord. Op basis van deze getuigenverhoren en de bekentenissen van de verdachten veroordeelde de rechtbank Sjouke Bos tot twee jaar en Sara de Vries tot dertien maanden gevangenisstraf. Boene Simons werd vrijgesproken.

Het procesdossier is terug te vinden als dossier 294 in de serie `processen-verbaal, informaties en verdere stukken betreffende correctionele en criminele justitie' (inv.nr. 28 van het archief van de Rechtbank van Eerste Aanleg, toegangnummer 0103). Onder hetzelfde nummer 294 is het vonnis terug te vinden in de `notulen van correctionele en criminele audiënties' (inv.nr. 26). Een nadere toegang op de vonnissen is er niet. Om te voorkomen dat men alle vonnissen moet nalezen is het praktisch een aanwijzing voor een bepaald jaar te hebben.


STRAF
Wie veroordeeld is, moet zijn straf ondergaan. De straf heeft in het recht vooral de functie van opzettelijke leedtoevoeging. In de modernere tijd zijn de belangrijkste straffen de geldboete en de vrijheidsstraf. Lijfstraf of verbanning kennen we niet meer, maar wel de werkstraf. De geldboete vormt de lichtste straf. Gevangenisstraf stond (en staat) op misdrijven en wordt ten uitvoer gelegd in gevangenissen. Voordat iemand is veroordeeld, kan er sprake zijn van een voorlopige hechtenis of bewaring.
Voor genealogisch onderzoek is van belang waar, waarvoor en hoe lang een voorouder gedetineerd is geweest. Gevangenisregisters zouden dan een nuttige bron zijn om daarover meer te weten te komen.

Gevangenisstraf na 1811
In 1811 werd in heel Nederland het Franse model voor het gevangeniswezen ing­e­voerd. Men maakte onderscheid tussen (nog) niet veroordeelde of kortgestrafte personen en langer of zwaargestraften. De kortgestraften of niet-veroordeelden verbleven in een politiehuis: een huis van arrest of huis van justitie. De langer of zwaargestraften werden opgesloten in een verbeterhuis: een huis van correctie ofwel tuchthuis, hetzij een huis van reclusie en tuchtiging.
In 1821 was er een reorganisatie van het gevangeniswezen. Men maakte een striktere scheiding tussen langer gestraften, die opgesloten werden in een strafgevangenis, en de overige gedetineerden die naar een huis van verzekering gingen.

Tot 1868 kende Nederland de doodstraf (officieel afgeschaft in 1870 voor niet-militaire strafzaken). In 1886 werd in Nederland een nieuw Wetboek van Strafrecht van kracht. Dat wetboek kende twee hoofdstraffen: de vrijheidsstraf en de geldboete. De vrijheidsstraf had twee varianten: de gevangenisstraf en de hechtenis. Het sinds 1886 gemaakte onderscheid in misdrijven en overtredingen vertaalde zich ook in de straftoedeling. Op misdrijven stond als straf opsluiting in een strafgevangenis, op overtredingen verblijf in een huis van bewaring (hechtenis).

Daarnaast ontstonden bijzondere strafinstellingen, namelijk voor personen die langer dan vijf jaar straf kregen, voor mensen boven de 60 jaar en voor kinderen onder de 18. Ook een maatregel als plaatsing in een krankzinnigen-gesticht was sinds 1886 mogelijk. De terbeschikking­stelling van de regering (TBS) in een `rijksasyl' of particuliere inrichting bestaat sinds 1925.

In welke gevangenis zit de verdachte of gedetineerde?
Is uw voorouder tot gevangenisstraf veroordeeld geweest, dan kan het zoeken naar de instelling waar hij de straf moest uitzitten, een groot probleem zijn. Immers, een veroordeelde kan in beginsel in het gehele land worden geplaatst. Anderzijds: is de voorouder veroordeeld wegens een aantal bepaalde delicten, dan kan het juist gemakkelijk zijn na te gaan waar de straf is uitgezeten. Tot 1827 zat degene die veroordeeld was wegens bedelarij en landloperij in de gevangenis in Veere (Zeeland) of in Hoorn (Noord-Holland). Na 1827 gingen de wegens bedelarij en landloperij veroordeelden naar de bedelaarskolonies te Ommerschans (Overijssel) of Veenhuizen (Drenthe). De archieven van deze kolonies bevinden zich in het Rijksarchief Drenthe (zie hierna).
Vuistregel is om eerst te zoeken in de registers van de gevangenis die het dichtstbij de veroordelende rechtbank gevestigd was.

De gevangenisstraf van Betje de Haas
Hiervóór hebben we de strafzaak tegen Elisabeth Hubers, alias Betje de Haas, behandeld. Zij werd op 27 augustus 1861 veroordeeld tot 14 maanden opsluiting. Is nu te achterhalen waar zij haar straf uitgezeten heeft?

De meest voor de hand liggende stap is in het archief van de Asser gevangenis (dat in het rijksarchief ligt; toegangnummer 0123) na te gaan of zij daar gezeten heeft. Deze gevangenis was zowel `huis van arrest' (voor voorlopige hechtenis e.d.) als gevangenis (voor het uitzitten van de straf). In de registers `tot inschrijving der gevangenen' van het huis van arrest vinden we inderdaad Betje de Haas. Op 24 juni 1861 is zij in hechtenis genomen, aldus inschrijving 647 in het register met inv.nr. 7. Bij haar inschrijving staat ook vermeld wanneer zij veroordeeld is, alsmede een verwijzing naar de inschrijving (nummer 492) in een ander register. Dit blijkt het gevangenisregister van Assen te zijn (inv.nr. 132). Onder inschrijving 492 wordt Betje de Haas opnieuw vermeld, evenals de straf waartoe zij veroordeeld was. Belangrijk is ook de opmerking in het register dat zij op 18 september 1861 overgebracht werd naar de gevangenis in Montfoort. Daar zal zij haar straf vermoedelijk uitgezeten hebben. Onderzoek in het Rijksarchief in Utrecht kan dat uitwijzen.

Bronnen
Uit dit voorbeeld blijkt dat onderzoek in de gevangenisarchieven tot resultaten kan leiden. De volgende archieven worden in het rijksarchief bewaard:
- Gevangenis en huis van bewaring te Assen, 1843-1973 (toegangnummer 0123)
- Huis van bewaring te Borger, (registers) 1872-1908 (toegangnummer 0124)
- Huis van bewaring te Meppel, (registers) 1888-1901 (toegangnummer 0122)

Beperking
De gevangenisarchieven zijn openbaar, voor zover ze ouder zijn dan 75 jaar.

Literatuur
Een handleiding voor onderzoek naar gevangen voorouders is: R.J.F. van Drie, `Gevangen voorouders. Onderzoek in negentiende-eeuwse gevangenisarchieven', Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie 45 (1991) 206-248. Zie ook J.W. Eggink, De geschiedenis van het Nederlandse gevangeniswezen (Assen 1958).


VEENHUIZEN, DE GROOTSTE GEVANGENIS VAN NEDERLAND
Speciale aandacht verdient - in dit boek over genealogisch onderzoek in Drenthe - natuurlijk `Veenhuizen' , dat min of meer synoniem is geweest voor de opsluiting van bedelaars en landlopers. En nog steeds heeft de term `Veenhuizen' een justitieel beladen klank.
De huidige penitentiaire inrichtingen in Veenhuizen danken hun bestaan aan de Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Nederlanden (zie hiervoor hoofdstuk 5). Deze maatschappij beoogde de armoede daadwerkelijk te bestrijden door personen, die daartoe geschikt waren, een bestaan te verschaffen in de landbouw. Al spoedig bleek de grootste behoefte te bestaan aan koloniën, bestemd voor het opnemen van personen van `minder zedelijk en goed gedrag': bedelaars en vagebonden, maar ook gezinnen die niet meer waren op te leiden tot het zelfstandig beheer van een hoeve. Van den Bosch kreeg voor deze groep een verlaten fort bij Ommen, de Ommerschans, in vruchtgebruik.

Voor de verzorging van wezen, vondelingen, bedelaars en vagebonden kocht de maatschappij in 1822 en 1823 een grote oppervlakte grond bij Veenhuizen in de Drentse gemeente Norg. Er werden drie gestichten opgericht, waarvan er al spoedig twee als bedelaarsgestichten in gebruik kwamen. In 1827 werden de bedelaarsgevangenissen in Veere en Hoorn opgeheven en Veenhuizen en Ommerschans aangewezen als de officiële bedelaarsgestichten in de Noordelijke Nederlanden.

Financieel kende de Maatschappij grote problemen. Ter voorkoming van een faillissement nam de Nederlandse regering in 1859 de gestichten in Veenhuizen en Ommerschans over. Sindsdien is dus sprake van rijksgestichten voor bedelaars en landlopers. De vrije koloniën bleven eigendom van de Maatschappij en bestemd voor de oorspronkelijke agrarische doelen.

Veenhuizen I (het eerste gesticht dus) werd gebouwd als bedelaarsgesticht, maar heeft in zijn bestaan ook andere bestemmingen gehad. Zo werden er tijdens de Eerste Wereldoorlog gedetineerden en vluchtelingen uit België ondergebracht, gevolgd door smokkelaars.

Veenhuizen II en III werden bij de Gestichtenwet van 1884 aangewezen als rijkswerkinrichtingen, waar mannen hun verblijf dienden te ondergaan. Vrouwen werden geplaatst in Veenhuizen I. De nieuwe strafwet van 1886 maakte een einde aan de zogenaamde vrije opname in rijkswerkinrichtingen. In 1888 werd het gesticht Ommerschans ook als rijkswerkinrichting voor mannen aangewezen, maar al in het daaropvolgende jaar gesloten. De verpleegden werden overgebracht naar Veenhuizen. Regelmatig werden na 1914 de gestichten gebruikt voor de plaatsing van veroordeelden wegens verschillende misdrijven die elders wegens plaatsgebrek niet konden verblijven: drankwetovertreders, souteneurs, dienstweigeraars enz.

In 1949 werd de naam Veenhuizen I vervangen door `Norgerhaven'. Veenhuizen II werd `Esserheem'. Beide zijn tegenwoordig gevangenis en rijkswerkinrichting. Veenhuizen III werd in 1923 afgebroken. In 1947 werd een barakkenkamp gebouwd voor de huisvesting van zogenaamde Indië-deserteurs. Vanaf 1961 zaten er dienstweigeraars en sinds 1963 is dit gesticht onder de naam `Bankenbosch' in gebruik als gevangenis en rijkswerkinrichting, met name voor overtreders van de Wegenverkeerswet.

Op zoek naar gevangenen in Veenhuizen en Ommerschans
Zoeken in de inschrijvingsregisters van Veenhuizen is niet eenvoudig. Het aantal registers is groot, de administratie was vooral in de negentiende eeuw gebrekkig, het aantal gedetineerden en verpleegden was groot en bovendien waren er verschillende gestichten, tussen welke nogal eens verhuisd werd.

Een onderscheid moet ook gemaakt worden tussen de periode vóór 1886 en de jaren daarna. In de bevolkingsadministratie is over het algemeen in 1886, toen Veenhuizen een officiële rijkswerkinrichting werd, met nieuwe series registers begonnen. Op zoek naar bedelaars en landlopers vóór 1886 moet men zowel in het archief van de rijkswerkinrichtingen (toegangnummer 0137) als in dat van de Maatschappij van Weldadigheid (toegangnummer 0186) zoeken, aangezien series registers, begonnen vóór 1859 ten tijde van de Maatschappij, vaak nog doorlopen nadien en dus bevolkingsregister van de rijkswerkinrichting zijn.

Belangrijk is het om een concrete aanwijzing te bezitten dat een gezocht persoon inderdaad verbleven heeft in Veenhuizen of Ommerschans. Naam van de persoon en zo mogelijk jaar van `opzending' , alsmede naam of nummer van het gesticht zijn vrijwel onmisbaar.
In de inventaris van het archief zoekt men eerst het gesticht op en dan de inventarisnummers van de inschrijvingsregisters en bijbehorende klappers.

Een eerste voorbeeld. Stel dat we op zoek zijn naar Cornelis van den Bogert die omstreeks 1840 in Ommerschans gezeten heeft. Eerst kijken we in de inventaris naar registers van Ommerschans: nummers 422-478. Aangezien Van den Bogert rond 1840 tot de gevangenisbevolking hoorde, kijken we in de klapper nummer 443. Daar vinden we dat hij vier keer is ingeschreven. Verwezen wordt met een letter naar een deel en met een nummer naar een inschrijving. De derde inschrijving H271 wijst ons dus naar deel H en inschrijving 271. Deel H is in de inventaris nummer 427. Onder 271 vinden we Cornelis van den Bogert, geboren in het Brabantse Ooyen in 1789, van de rooms-katholieke godsdienst. Hij was in Ommerschans aangekomen op 27 juni 1838 van Rotterdam en werd op 31 juli 1841 weer ontslagen. Ook zijn signalement staat in het register weergegeven.

Een tweede voorbeeld. Willem Barmentlo zou in het tweede gesticht van Veenhuizen gezeten hebben omstreeks 1890. De inventarisnummers 613-646 zijn de chronologische inschrijvingsregisters van veroordeelde bedelaars en landlopers in het tweede gesticht in de periode 1886-1937. In klapper 640 vinden we hem, met een verwijzing naar deel 6, folio 61, inschrijvingsnummer 2553. Het zesde deel van deze serie is inventarisnummer 618. Op folio 61 staat inderdaad inschrijving 2553: Willem Barmentlo, arbeider, geboren in Nederhorst den Berg op 16 oktober 1833, zonder woonplaats. Hij was op 15 oktober 1890 opgenomen in het gesticht, na in Den Haag veroordeeld te zijn op 6 oktober 1890 tot drie jaar rijkswerkinrichting wegens bedelarij. In het register wordt ook verwezen naar eerdere en latere straffen. Voor genealogen zeer nuttig is tenslotte de vermelding van zijn burgerlijke staat (ouders e.d.), zijn signalement en zijn handtekening.

Literatuur
Uit de jaren 1896-1901 zijn de signalementskaarten overgeleverd van de veroordeelden in Veenhuizen. De Drenten onder hen zijn, met foto, gepubliceerd in Drents Genealogisch Jaarboek 1 (1994) 123-131 en 2 (1995) 101-118.

Nadere toegangen
Het zoeken in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid en de Rijkswerkinrichtingen wordt uitgelegd in de archiefinventarissen: D.T. Koen, Inventaris van de archieven van de rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen en Ommerschans. (1820) 1858-c. 1960. (Assen 1979) (toegangnummer 0137) en J.R. van der Zeijden, J. Hagen en C.G.C. Meynen, De archieven van de Maatschappij van Weldadigheid (1818-1970) (Assen 1990) (toegangnummer 0186). Door de hierin gegeven handleidingen nauwkeurig te volgen en gebruik te maken van de nadere toegangen die in de archieven zelf zitten, is de kans groot dat men een gezocht persoon vindt. Maar het vereist soms wel enig doorzettingsvermogen!

Daarnaast heeft het rijksarchief nog twee eigen naamklappers. De eerste is er een op een aantal inschrijvingsregisters van bedelaars en vrijwilligers in Veenhuizen en Ommerschans (inv.nrs. 422-442 en 291-293). De tweede is een klapper op het bevolkingsregister van de gemeente Norg, samengesteld door een groep vrijwilligers ter plaatse. Het grondgebied van Veenhuizen maakte deel uit van de gemeente Norg, waar in het gemeentehuis ook een bevolkingsregister werd bijgehouden. Het rijksarchief beschikt over een klapper op alfabet en een klapper op geboortedatum van de bewoners van de gestichten in Veenhuizen. Beide staan in de studiezaal.

De meest geraadpleegde bevolkingsregisters zijn gemicroficheerd en zijn ter beschikking in de studiezaal van het rijksarchief.
Een welgemeende waarschuwing tot slot: denk niet te snel: `mijn voorouder komt niet voor in Veenhuizen'. Het aantal bevolkingsregisters is zo groot en de aard van de bevolking zo divers dat controle van veel registers absoluut noodzakelijk is.


STRAFRECHTSPRAAK VOOR 1811
Het rechtsstelsel dat in Nederland sinds 1811 functioneert, wijkt sterk af van hetgeen voor die tijd van kracht was. Toch zijn er ook overeenkomsten. Aan de hand van enkele voorbeelden zullen we nagaan, hoe wetsovertreders in de zeventiende en achttiende eeuw gevonden kunnen worden.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen boetstraffelijke zaken en lijfstraffelijke zaken. In de hedendaagse terminologie zou men van overtredingen en misdaden spreken. Lijfstraffelijke zaken waren misdaden waarop een lijfstraf stond: de doodstraf, geseling, brandmerking of verbanning. Deze zware straffen werden toegepast, bijvoorbeeld in geval van moord, doodslag, diefstal, verkrachting, vergiftiging en brandstichting.

Wanneer een misdrijf was geconstateerd, moest de schulte (de plaatselijke rechterlijke functionaris) de delinquent gevangen nemen en in bewaring houden. Tevens moest hij de Drost van Drenthe daarvan in kennis stellen. Deze drost liet vervolgens een gerechtelijk vooronderzoek houden door de landschrijver. Was dit vooronderzoek afgerond, dan riep hij uit elk dingspil één ette op. Met deze zes geconvoceerde (samengeroepen) etten beraadslaagde de Drost dan over de zaak. Hij vonniste zelf over de misdadiger. Een scherprechter voerde het vonnis vervolgens uit.

Zo werd in 1742 recht gesproken in de zaak tegen Peter Jans, oorspronkelijk afkomstig van Groningerland, maar toen woonachtig in Eext. Hij was in Wagenborgen getrouwd met een vrouw bij wie hij twee kinderen had, maar nog voor zij in 1738 overleed was hij ook met een andere vrouw getrouwd, bij wie hij een zoontje verwekte. Na het overlijden van zijn eerste vrouw trouwde hij het jaar daarop opnieuw, met een meisje uit Eext en toen dit laatste meisje ook overleed, verloofde hij zich voor de vierde maal. Hij had dus steeds een officiële relatie met twee vrouwen tegelijk. Peter Jans werd wegens bigamie veroordeeld tot onthoofding met het zwaard.

Boetstraffelijke zaken waren de overige overtredingen van het Drentse landrecht. Men moet dan denken aan vernieling, mishandeling, belediging en valsheid in geschrifte. Deze overtredingen werden vanouds aangebracht op de goorsprake. Deze goorsprake was een dingspilgewijze periodieke rechtszitting, waar alles wat buiten de regels gebeurd was, moest worden aangegeven. Oorspronkelijk dienden alle inwoners op de goorsprake te verschijnen, waar zij oordeelden onder leiding van de drost over de op te leggen straf. Sinds 1652 legden de volmachten van elk kerspel aan de landschrijver (de drost kwam niet meer) de zogeheten `aanbrengen' over, de aangiften van wetsovertredingen. Wanneer de landschrijver het nodig oordeelde werd nadere informatie over een misdaad ingewonnen, waarna de Etstoel over de zaak oordeelde. De overtredingen werden conform het Drentse landrecht bestraft met een vaste geldboete. Wie bijvoorbeeld iemand uitgemaakt had voor dief, moordenaar of tovenaar, kreeg een geldboete van vijftig goudguldens. Wie zijn mes trok tegen een ander, moest tien goudguldens boete betalen.

Op de goorsprake in het dingspil Oostermoer van najaar 1768 werd uit Anloo aangegeven dat Hindrick Bastiaans te Anloo een zilveren beugeltas en een stok vol wollen gaarden was `afgestolen'. In de kantlijn van deze aangifte stond geschreven: `hierover is inform. genomen en de dader is tot Assen gebragt'. Dat wil dus zeggen dat de schulte van Anloo de dader achterhaald heeft en deze in het gevang in Assen heeft laten opsluiten. Over deze diefstal is een procesdossier bewaard gebleven in het archief van de Etstoel. Daaruit blijkt dat in september 1768 bij Hindrick Bastiaans was ingebroken en uit de kist van dochter Niessyn Hindriks een zilveren beugel met tas, een leren riem met een zilveren gesp en dertien stukken wollen gaarden, tot vijfschaft gesponnen en op een stok hangende was gestolen. In de tas had zeven gulden en twee stuivers gezeten. De zilveren beugeltas was door ene Claas Derks aangeboden aan een zilversmid in Wildervank. Niessyn Hindriks had hiervan de schulte bericht. Uit onderzoek en getuigenverhoren bleek dat ook diens vrouw Hinrica Meijers schuldig was aan de diefstal. Hinrica werd gevangen genomen, Claes was inmiddels uit de provincie verdwenen en niet te achterhalen. Hinrica Meijers werd veroordeeld door de Etstoel tot levenslange verbanning uit de provincie Drenthe.

Bronnen
Hoe kan men nu naar rechtszaken als de zojuist beschreven zoeken? De lijfstraffelijke zaken vinden we in het archief van de Etstoel (toegangnummer 0085). In de inv.nrs. 7 en 8 bevinden zich de criminele vonnissen over de jaren 1649-1790, gewezen door de drost na advies van zes geconvoceerde etten. Inventarisnummer 9 bevat de dossiers met getuigenverklaringen, brieven en andere informatie voor de rechter over 1630-1791. Er zijn evenwel meer dossiers dan vonnissen.

De boetstraffelijke zaken kan men vinden via de goorsprakenregisters, die over 1640-1643 en 1698-1810 in het archief van de Etstoel bij elkaar zitten (inv.nrs. 133 en 134). Een probleem is dat de `aanbreng' vaak zeer beknopt beschreven is en dat de namen van de overtreders lang niet altijd vermeld zijn. De eventuele verdere behandeling vond plaats op de lottingen, de rechtszittingen, van de Etstoel, die terug te vinden zijn in inv.nr. 14 van het archief van de Etstoel.

De periode 1791-1811
In 1791 werd de Etstoel formeel opgeheven en trad er een nieuw hof in werking: Drossard en raden in den Hove van Justitie (in de Etstoel). De archieven van de rechterlijke colleges in de jaren 1791-1811 bevinden zich bij het archief van de Etstoel (toegang 0085). Drossard en raden behandelden naast civiele zaken ook de strafzaken. De criminele vonnissen vinden we in het register met inv.nr. 31. Het is voorzien van een alfabetische index op voornamen van betrokken personen. In nummer 32 vinden we informaties en andere stukken onderworpen aan de kennisname van de rechter van de criminele justitie: met andere woorden: de procesdossiers.

Tussen 1799 en1802 ressorteerde Drenthe onder het gerechtshof der Bataafse republiek in het departement van de Oude IJssel in Kampen. De Drentse stukken zijn evenwel aan het archief van de Etstoel toegevoegd en zo vinden we onder inv.nr. 39 de criminele vonnissen uit deze periode en in nummer 49 de bijbehorende stukken in criminele zaken, waarin veroordelende vonnissen zijn gewezen.

In de periode 1802-1811 was de procureur-generaal van de Etstoel van het departement Oude IJssel de hoogste openbare aanklager in criminele zaken en verplicht alle onderzoek te doen naar elk misdrijf. Gaven de verkregen informaties aanleiding tot een gerechtelijk onderzoek, dan verzocht hij de Etstoel schriftelijk om voor de plaatselijke gerechten getuigen te horen op vraagpunten. Bleek er voldoende bewijs, dan volgde een criminele procedure voor de Etstoel. De neerslag van de rechtspraak in strafzaken vinden we in inv.nrs. 104-108, alsmede bij de stukken van de procureur-generaal, inv.nrs. 148-152.

Strafzaken bij de rechtbanken van de heerlijkheden in Drenthe
Binnen het huidige Drentse territoir bestonden vóór 1795 enkele heerlijkheden, waar ten dele andere rechtsregels golden dan in de rest van Drenthe.
De rechtspraak in de heerlijkheid Coevorden kan men terugvinden in het stadsarchief (toegangnummer 0116).

In de heerlijkheid Ruinen en Ruinerwold werden op de goorspraken aldaar delicten behandeld en afgehandeld door de gerichtschrijver. Op de zittingen van de landrechten was sprake van criminele rechtspraak, waarvan enkele vonnissen - sententies crimineel - bewaard zijn in de protocollen van de landrechten (archief van de heerlijkheid Ruinen, toegang 0605, inv.nr. 155).

De heer van Hoogersmilde had vanaf 1634 de hoge, middelbare en lage jurisdictie, waaronder ook rechtspraak in criminele zaken. Een archief van deze rechtspraak is evenwel niet bewaard gebleven.

In de heerlijkheid Echten was de Heer van Echten niet bevoegd tot criminele rechtspraak. Lichtere vergrijpen werden op de goorspraken berecht met een geldboete. Men kan ze vinden in het huisarchief Echten (toegang 0614) onder inv.nr. 843.

Dat een kwestie ook wel eens zonder boete geregeld kon worden, blijkt uit het goorsprakenregister van de heer van Echten uit 1751. De volmachten gaven op de zitting van 20 juli van dat jaar aan dat `eene Berent Hendrik Mojer van Zwol met eene Marchien Willems Bloemberg op 't Echtens Hoogeveen met malkanderen huis houden onder de jurisdictie des huyses Echten sonder getrouwt te zijn.' De heer van Echten geeft opdracht aan de verwalter (een van zijn rechterlijke functionarissen) te informeren `of het in het Hogeveen niet publiek zij dat Hendrik Mojer met Marchien Willems Bloemberg als man en vrouw leven'. Ondanks de wat kribbige aantekening van de heer van Echten dat de verwalter deze informatie niet heeft uitgevoerd, vinden we als bijlage bij het goorsprakenregister een klacht van de minderjarige Marchien Willems Bloemberg, dat Berend Hendrik Mooijer, afkomstig van Zwolle, haar trouwbelofte had gedaan en met haar `vleeslijk geconverseert' had. Niettemin weigerde hij zijn belofte na te komen. Marchien eiste dat hij met haar zou trouwen en anders aan haar 500 gulden schadevergoeding zou betalen. De beklaagde zei het gestelde niet te ontkennen en bereid te zijn zijn trouwbelofte alsnog na te komen. Het ontbreken van het trouwboek over deze periode maakt het niet mogelijk te controleren of Mooijer inderdaad woord gehouden heeft.

Bronnen
Voor de Franse tijd werden nauwelijks vrijheidsstraffen toegepast. Er waren weinig gevangenissen, bovendien kostte een echt gevangeniswezen teveel geld. Een veroordeelde moest vooral lijfstraffen, onterende straffen of verbanning ondergaan.
Vooral vanaf het einde van de achttiende eeuw werd geleidelijk aan meer van tuchthuizen gebruik gemaakt.

In de periode 1791-1811 vinden we in het archief van de Etstoel lijsten van veroordeelden tot de tuchthuizen in Leeuwarden en Zwolle (inventarisnummers 107 en 108). In het archief van het gerechtshof te Kampen, onder de stukken van de Etstoel, treffen we onder inventarisnummer 52 aantekeningen over Drentse personen die uit Drenthe overgebracht zijn naar de gevangenis van het departementaal gerechtshof van de Oude IJssel.

Vóór 1791 bestonden de straffen uit: geldboete, geseling, tepronkstelling, verbanning, verminking, brandmerken of de doodstraf via galg, rad, zwaard of verdrinking. De informatie over welke straf werd toegepast, vindt men in de cri­­mi­ne­­­le vonnissen. Wel was er gedurende de achttiende eeuw een tuchthuis in Groningen, waar sporadisch ook Drenten heen gingen om hun straf uit te zitten.

Literatuur
De vele juridische termen worden verklaard in P. Brood en J.E. Ennik, Practisyns woordenboekje of verzameling van meest alle de woorden in de rechtskunde gebruikelijk (Groningen, Den Haag 1996, fotomechanische herdruk van 1785). Over de beul zie L.H. van Schelt, `De scherprechters in Drenthe, 1407-1870', Ons Waardeel (1983) 145-155.

Aan de galg in Ruinen, 1720
Een aardige, informatieve strafrechtcasus was een zaak in de heerlijkheid Ruinen. De casus is te vinden in het protocol van het verhandelde op het landrecht (inventarisnummer 155). Hij geeft bovendien de verplichte betrokkenheid van de hele gemeenschap weer.

Lambert Egberts werd op 21 oktober 1720 te Oldenhave (bij Ruinen) door de heer van Ruinen als misdadiger, dief en heler veroordeeld om aan de galg te hangen en met `het koorde' gestraft te worden tot de dood erop zou volgen. Marije Woerdinge, de weduwe van Egbert Jans en de moeder van Lambert Egberts, had zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de diefstallen van haar zoon en aan de bewaring van gestolen goederen. Zij werd op dezelfde zitting veroordeeld tot geseling en aan de kaak stelling, gevolgd door eeuwige verbanning uit de heerlijkheid Ruinen en de Landschap Drenthe.

Op 22 oktober 1720 stelde het gerecht vast dat de galg `gansch onbekwaam' was en dat er in Ruinen geen schandpaal of galg meer te vinden was. Daarom werden alle timmerlieden bijeengeroepen om de volgende ochtend met hun knechten en gereedschappen een nieuwe galg en een schandpaal of kaak te vervaardigen op huize Oldenhave, de woning van de heer van Ruinen. Vervolgens werden alle ingezetenen opgeroepen om zich de komende zaterdag bij zonsopgang op huize Oldenhave te verzamelen met wagens en materialen en de galg op te richten.
Op 26 oktober werden de vonnissen aan de gevangenen publiekelijk voorgelezen en vermoedelijk ook uitgevoerd.

Overzicht van de strafrechtspraak vóór 1811
Lichte delicten (`breuke' of boete als straf):
Goorsprake   
dingspil Zuidenveld
Beiler dingspil
Dieverder dingspil
Rolder dingspil
dingspil Noordenveld
dingspil Oostermoer
heerlijkheid Ruinen
heerlijkheid Echten en Echtens Hoogeveen
heerlijkheid Hoogersmilde

Stadsgerecht
Coevorden

Zware delicten (lijfstraf of onterende straf):
tot circa 1600
drost en buren ter plaatse

1600-1791
drost en zes geconvoceerde etten
heer en twaalven van Ruinen
heer van Hoogersmilde
drost en stadsbestuur van Coevorden

1791-1799
drossard en raden in den hove van justitie te Assen

1799-1802
gerechtshof van het departement van de Oude IJssel te Kampen

1802-1811
Etstoel van Drenthe te Assen