3. Wat bezaten, bewoonden en gebruikten zij?

Wanneer u een beeld hebt gekregen van wie uw voorouders waren en wanneer zij leefden, zullen als vanzelf andere vragen opkomen: welk huis of boerderij hebben mijn voorvaderen bewoond? Hadden zij veel of weinig bezittingen?

Gelukkig zijn er vele bronnen bewaard gebleven waarmee u het bezit aan huizen, boerderijen, lande­rijen, kortom het onroerend goed van uw voorouders kunt reconstrue­ren. Het werken met die bronnen is niet altijd eenvou­dig, maar vaak loont het zeer de moeite. Voor de negentiende en twintigste eeuw vindt u de meest complete gege­vens in de archieven van het kadaster en de openbare registers. Met behulp van deze archieven kunt u vanaf 1832 ‑ soms nog eerder ‑ tot de dag van vandaag van praktisch elk stuk onroerend goed - of dat nu een huis, boerderij, weiland, bos of bouw­land is - vinden wie de eigenaar is. Meestal is ook degene van wie deze het gekocht of geërfd heeft, of aan wie hij het heeft over­ge­daan vermeld. De exacte ligging van zo'n bezit is te vinden op het kaartmateriaal, dat ook deel uitmaakt van de kadastrale archie­ven.

Op zoek naar onroerend goed van onze voorouders kunnen er twee verschillende gezichtspunten zijn:
1. de persoon: welk bezit heeft mijn voorouder, waar woonde hij of zij?
2. het object: wanneer is ons (voor)ouderlijk huis gebouwd, wie waren vroeger eigenaren, is het verbouwd?
Beide onderzoeken zullen hier beschreven worden: eerst het bezit van de persoon Herman Hiddingh, ten tweede het object van een huis aan de Kerkbrink in Anloo.

De bezittingen van Herman Hiddingh
Wij gaan op zoek naar de bezittingen van de in hoofdstuk 2 gevonden Herman Hiddingh, die leefde van 1795 tot 1868. De vraag is: had hij onroerend goed, en zo ja, waar lag dat? Het antwoord op deze vraag kan het makkelijkst gezocht worden in de successiememorie, die opgemaakt werd na diens overlijden op 11 juli 1868 in Gasselte. Daarin staat namelijk de nalatenschap van Herman Hiddingh beschreven.

Memories van successie
Sinds 1806 moest van elke overledene in de memories van aangifte der nalatenschap of memories van successie worden aangegeven wat hij had nagelaten, zodat over de waarde daarvan belasting geheven kon worden. De ontvanger van het successierecht taxeerde de waarde van de vermogensbestanddelen en stelde een overzicht van baten en lasten samen.
Men hoefde geen belasting te betalen, wanneer er alleen erfgenamen in de rechte lijn waren (kinderen, kleinkinderen, ouders, grootouders). Vanaf 1878 werd ook deze groep belast, maar alleen als de erfenis (na aftrek van schulden) meer dan duizend gulden bedroeg.
De memorie bevat de naam van de overledene, de plaats van overlijden, burgerlijke staat, waarde van roerende goederen, ligging en waarde van onroerende goederen, namen van erfgenamen en legatarissen en soms of er testamenten en andere notariële akten zijn.

Bronnen
Drenthe was in de periode 1806-1811 verdeeld in negen districten. In elk district was een gequalificeerde aangesteld om de aangifte te ontvangen, overledenen te registreren en het recht van successie te ontvangen. In de periode 1814-1817 was er slechts één regulateur op het recht van successie in geheel Drenthe. Vanaf 1818 waren er drie kantoren van de ontvangers der successierechten gevestigd: in Assen, Meppel en Coevorden (sinds 1842 Hoogeveen). Welke gemeenten ressorteerden onder deze kantoren vindt u in de inventaris van de archieven der ontvangers (toegangnummer 0119).

Nadere toegang
Om de memorie van een persoon te vinden moet men plaats en datum van diens overlijden weten. De memories zijn geordend op datum van indiening van de memories.

Voor de periode tot 1856 vereist het zoeken naar een memorie dus enig speurwerk. Vanaf 1856 zijn er alfabetische tafels van overledenen aangelegd, die verwijzen naar de genummerde successiememories. Deze tafels hebben de administratieve naam `Tafel Vbis'. Ze maken het speuren dus wat gemakkelijker.

Willen we kennis krijgen van de nalatenschap van Herman Hiddingh, dan moeten we eerst zijn overlijdensdatum weten. Uit het voorgaande bleek dat hij in 1868 in Gasselte stierf. In Tafel Vbis (inv.nr. 7) van de Ontvanger te Assen vinden we zijn inschrijving onder nr. 62. Hierbij staat ook een aantal personalia, zoals geboorteplaats en -datum, echtgenote en eventueel bezit van onroerend goed. In de tweede kolom wordt verwezen naar het register nr. 4, hetgeen de eigenlijke memorie van successie is, dus de aangifte van de nalatenschap (Ontvanger Assen, inv.nr. 90).
In de studiezaal van het rijksarchief zijn de microfilms van de successsiememories te raadplegen. Daarin vinden we dat deze aangifte op 22 december 1868 bij de ontvanger der successierechten in Assen is gedaan door zoon Harm Hiddingh, schoonzoon Albert Kuilman (gehuwd met Freerkien Hiddingh), schoonzoon Jan Willems Salomons (gehuwd met Gesina Wilmina Hiddingh) en de voogd over de minderjarige kinderen, Otto Hiddingh. Uit de memorie blijkt dat Herman Hiddingh 71 percelen grond in Gasselte en Gieten bezat (en dus niet onbemiddeld was). Een van die percelen (kadastrale gemeente Gasselte, sectie A perceel 90) was een huis en erf, naar we aannemen zijn woonhuis. Daarover willen we meer weten en dus moeten we naar het kadaster.

Beschikbaarheid
De memories van successie zijn verfilmd. De microfilms hiervan zijn in de studiezaal te raadplegen. De tafels Vbis, de nadere toegang op de successiememories vanaf 1856, staan op microfiche in de studiezaal. De memories van successie zijn openbaar, wanneer ze ouder zijn dan 75 jaar.

Het kadaster
Het kadaster is op 1 oktober 1832 in Nederland ingevoerd. De Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers (KADOR) werd opgericht om een eerlijke heffing van de grond­be­lasting mogelijk te maken. Tegen­woor­dig dient deze instel­ling vooral als basis voor de zekerheid in het rechtsverkeer met betrek­king tot onroerend goed.

De dienst kent twee onder­delen: het kadaster en de openbare registers. Het kadas­ter geeft een beeld van de juridische toestand van de onroerende goederen in Nederland. Daarvoor regis­treert het enkele essentiële gege­vens, zoals de eigenaar (of vrucht­ge­brui­ker) van een bepaald stuk onroe­rend goed, gewoon­lijk een perceel genaamd, of dat nu een huis, boerderij, bouw­land of stuk bos of heide is. Ook wordt vermeld wat de afmetingen van dat perceel zijn en hoe de grond gebruikt wordt. Deze gegevens worden vastge­legd in regis­ters en op kaarten.
In de open­bare registers vindt men de veranderingen in de eigendom. In de volksmond worden deze registers vaak hypothecaire registers genoemd, maar ze bevatten niet alleen hypotheekinschrijvingen, maar ook de tekst van de notariële akten van levering en andere zakelijke rechten.
De gegevens over eigenaars of andere recht­hebbenden in de kadastrale registers worden ontleend aan de openbare registers. Omgekeerd wordt in de openbare registers gebruik gemaakt van de kadastrale perceel­saan­duiding.

Beperkingen
Het kadaster is een mooie, maar ook een ingewik­kelde bron, zeker op het eerste gezicht. Dat komt vooral doordat er zoveel verschillen­de registers en kaarten zijn, die ook nog eens op allerlei manieren naar elkaar verwijzen en van elkaar afhankelijk zijn. Het kadaster is sinds 1990 geautomatiseerd, waardoor de overzichtelijkheid van de registra­ties sterk verbeterd is.

Bronnen
Op dit moment bevinden veel van de belangrijkste registers en kaarten met betrek­king tot het Drentse grondbezit in het verleden zich nog bij het kantoor van het kadaster in Assen. Daar kunt u vrijwel alle informatie krijgen die u wenst, maar u moet er rekening mee houden dat het u vaak wel enige tiental­len guldens kan kosten. Als u onder­zoek wilt doen in oudere registers (ouder dan 20 jaar), dan kunt u via de rijksarchiva­ris in Drenthe bij het KADOR een onder­bouwd onderzoeksvoor­stel indienen om de stukken kosteloos te kunnen inzien. Het kadaster verleent gewoonlijk zo'n machtiging, zij het dat er soms enige beper­ken­de voorwaarden gesteld worden.

Vooral het oudere kadastermateriaal bevindt zich bij het rijksarchief en is daar in te zien. Raad­pleging van die stukken is kosteloos.

Waar lag nu het huis van Herman Hiddingh precies? Gelukkig weten we uit de successiememorie de kadastrale aanduiding: gemeente Gasselte, sectie A perceel 90. Het onderzoek begint bij het Kadaster in Assen, gevestigd aan het Abel Tasmanplein 1.

Omdat u het perceelsnummer kent, biedt het register 71 (het register van aanwijzing der kadastrale percelen) per gemeente een directe verwijzing naar het algemeen register (Hyp. 2). Dit register geeft aan wanneer een eigendomsoverdracht heeft plaats gehad en verwijst hiervoor naar het register van overschrijving (Hyp. 4). Het bevat de letterlijke overschrij­ving van alle akten van eigen­doms­overgang van onroerende goederen en van vestiging van bepaalde zakelijke rechten, met uitzondering van hypotheek. Het register ontleent zijn bijzonder belang aan het feit dat hierin ook onder­handse akten van koop en verkoop zijn opgenomen. Tot 1956 was men name­lijk niet ver­plicht de notaris bij een verkoop van grond of een huis in te schake­len. Ook kan men er akten in vinden waarvan men niet weet voor welke notaris ze gepasseerd zijn. Het kadaster heeft deze registers op microfilm gezet.

In deel 2 van de serie registers Hyp. 4, onder nummer 7, vinden we overgeschreven een notariële akte van scheiding van de onverdeelde nalatenschap van Harm Hiddingh en Janna Huising. Deze scheiding had plaats in 1839 voor notaris A. Homan in Assen. In de akte staat dat Herman Hiddingh het perceel sectie A nummer 90 krijgt toegewezen.
Deze scheidingsakte is vanzelfsprekend ook te vinden in het notarieel archief van Anthony Homan, dat in het rijksarchief berust.

We weten nu dus dat het huis van Herman Hiddingh tot 1839 eigendom was van Harm Hiddingh. Kunnen we verder terug in de tijd? We bevinden ons in de beginjaren van het Kadaster, dat in 1832 van start gegaan is. Op dat moment was de eigendom van alle onroerend goed in geheel Nederland geregistreerd en in kaart gebracht. De registers heten Oorspronkelijk aanwijzende tafelen en de kaarten kadastrale minuutplans. Alvorens daarmee verder te gaan, moet eerst onze tweede weg bewandeld worden. Deze zal op het zelfde punt uitkomen.

Een huis aan de Kerkbrink in Anloo
Uitgangspunt voor onderzoek kan ook het object zijn: wat is er bekend over de historie van mijn huis? Om hier achter te komen kunt u eenvoudig beginnen in de geautomatiseerde kadastrale registratie. Door het huidige adres in te (laten) voeren komt u snel op weg.
U woont aan de Kerkbrink 16 in het dorp Anloo. De kadastrale computer geeft op het scherm verschillende van uw persoonlijke gegevens, maar ook de kadastrale perceelsaanduiding (gemeente Anloo, sectie K nr. 2391) en de verwijzing naar de kadas­trale legger en het artikelnummer daarin (legger 3593, nummer 74).

De legger vormt sinds het begin van de vastlegging in 1832 de ruggengraat van de kadastrale admini­stra­tie. In dit register staan de wijzigingen die zich sinds dat jaar in grondbezit en grondge­bruik hebben voorgedaan. De kadastrale legger is op naam van de eigenaar inge­richt. Per eigenaar worden onder een leggerartikel alle percelen ge­noemd die deze in die ene gemeente bezit. Daarbij worden ook eventu­ele mede-eigenaren en vruchtgebrui­kers geno­teerd. Per perceel worden de oppervlakte, het gebruik, de klasse­ring en de belastbare op­brengst vermeld. In latere leggers kan ook het adres van de eigenaar vermeld zijn. Van de eige­naar zijn in ieder geval naam, woon­plaats en beroep genoteerd.
Wanneer een perceel van eigenaar verandert, worden alle gege­vens van dat ene perceel doorgestreept en onder het artikel­nummer van de nieuwe eigenaar opnieuw opgeschre­ven. Via verwij­zingen wordt in de legger steeds duidelijk aangege­ven naar welk artikelnum­mer de gege­vens zijn overgebracht, respectie­ve­lijk uit welk artikelnum­mer ze afkomstig zijn, dus de nieuwe en de vorige eigenaar.
Aanvankelijk stond er voorin iedere kadas­trale legger een alfabetische naamlijst die verwees naar een leggerarti­kel in dat deel. Dat bleek niet erg praktisch. Er werd vervolgens per kadastrale gemeente een aparte lijst, de alfabeti­sche lijst aangelegd, op de namen van de eigenaren of vruchtgebruikers, die naar het juiste artikel in een van de delen van de kadastrale legger verwees.
In de legger staan ook verwijzingen naar het register van overschrijving (Hyp. 4), waarin de titels van aankomst van het betreffende onroerend goed zijn overgeschreven.

Kadastrale legger 3593, artikel 74, deelt ons mee dat ons huis in 1982 is aangekocht van Albert Jipping. Met de verwijzing naar het register van overschrijving (waarin de notariële akte in extenso staat) achterhalen we dat Jipping het perceel in 1940 heeft gekocht van Roelof Jipping.
Via de kadastrale legger gaan we verder terug. Met de bij de betreffende artikelen gegeven informatie en wat uit de registers van overschrijving te halen is blijkt dat Jipping in 1908 zijn huis verworven had bij een scheiding en deling. Roelof Jipping was namelijk gehuwd met Aaltje Kloek, dochter van Willem Kloek. De onverdeelde goederen van deze laatste werden in 1908 gescheiden door zijn erfgenamen, waarbij Jipping het huis toegedeeld kreeg.
De legger laat verder zien dat in 1895 herbouw van het huis heeft plaats gehad en dat toen enkele percelen verenigd zijn. De perceelnummers K 1265, 1266 en 1491 werden samengevoegd tot K 1565. Hoe dat er toen uitzag kunnen we duidelijk zien op de hulpkaart die ter gelegenheid van deze herbouw en vereniging van percelen werd gemaakt.

Bijbladen en hulpkaar­ten
De minuutplans, die de toe­stand op 1 oktober 1832 weergeven, mochten niet gewijzigd worden. De verande­rin­gen, die vanzelf­sprekend wel optraden, werden aanvan­kelijk op bijbladen, maar later (vanaf omstreeks 1950) op filmplans bijgehouden. Voor allerlei administratieve doeleinden werden van die bijbladen of filmplans kopieën vervaardigd. Van de bijbladen waren dat handgete­kende exemplaren, maar sinds een halve eeuw zijn dat licht­drukken. Deze plans zijn bekend onder verschil­lende benamingen, afhanke­lijk van het (admini­stratieve) doel waarvoor ze werden ge­maakt: veldplans, grondbelasting­plans, gemeenteplans en netteplans. Dat heeft tot gevolg men ze in verscheidene archieven kan aantreffen.
Voor onderzoek naar een perceel (of een aantal dichtbij­een gelegen percelen) vormen de hulpkaar­ten een zeer belang­rijk bron. Eigenlijk vormen deze de band tussen het onver­anderlijke minuutplan en het steeds bijgewerkte bijblad. Bij de veran­dering van de begrenzing van een of meer percelen wordt iedere keer een kaart aangelegd waarop de oude begrenzin­gen in zwarte, de nieuwe grenzen in rode, en de vervallen grenzen in blauwe lijnen worden aangege­ven. De hulpkaarten worden opgeborgen per gemeente en sectie, in volgor­de van de perceelsnummering.

De oorsprong van kadastraal perceel K 1265 (het in 1895 herbouwde huis) zoekend vinden we in de legger dat ons huis in 1859 is herbouwd door Roelfien Meijering, weduwe van Jan Kloek. Ook bij deze herbouw is er een hulpkaart gemaakt. In 1848 heeft deze Kloek het oude huis gekocht van de koopman Izaak Zandman, die het zeven jaar eerder had verworven van Jan Harms Koops, landbouwer in Rolde. Deze Koops had het in hetzelfde jaar 1841 gekocht op een publieke veiling van de goederen van Jan Mulder, schoolmeester in Vries.
Opnieuw zijn we aangekomen bij het begin van het Kadaster in 1832. Het tot nu toe onderzochte perceel heeft in deze jaren kadastraal nummer K 159, dat we als zodanig ook terugvinden in de oudste kadastrale registers, de oorspronkelijke aanwijzende tafels.

Kadastrale administratie
Vanaf de invoering van het kadaster in 1832 zijn registers en kaarten bewaard gebleven. Zij geven de situatie in heel Nederland, van iedere stad, van ieder dorp en van ieder stukje grond op dat moment weer. Het gaat daarbij om de zogenoemde oor­spronkelijke aanwijzende tafels (OAT's genoemd) en de daarmee corresponde­rende kaarten, minuutplans genaamd. De OAT vormt het uitgangspunt voor de kadastrale administratie. Dit register is per kadas­trale gemeente opge­maakt.
Een kadastra­le gemeente valt niet altijd samen met een burgerlijke gemeente. De oor­spronkelijk aanwijzende tafel van zo'n kadas­trale gemeente vermeldt in volgorde van secties en perceel­snum­mers bij ieder perceel de naam van de eigenaar (of een andere recht­hebbende). Van de eigenaar zijn woon­plaats en beroep vermeld, van het perceel de oppervlakte, het gebruik, de klasse­ring en de belastbare opbrengst. Dit register mocht niet gewijzigd worden. De minuut­plans zijn de bronnen die de toestand van 1832 op kaart weerge­ven. Deze plans zijn het resultaat van de opmetingen die tussen 1811 en 1831 plaats­vonden.
Per gemeente werd, nadat de begrenzing daarvan zeer gedetail­leerd in een proces ver­baal van grensbepaling was vastgelegd, een zogenoemd verzamelplan ver­vaardigd, waarop de hele kadastrale gemeente staat afgebeeld met de indeling in secties en kaartbladen. De kaartbladen geven per sectie alle percelen weer met hun begrenzin­gen en hun bebouwing. Wanneer de bebouwing (bijvoorbeeld een huis of een boerderij met schuur) geen eigen perceel­snummer heeft, staat er een gestippeld lijntje van dit huis naar het bijbehorende perceel. De kaarten hebben een schaal van 1:1.250 (stadskernen, bebouwde kom), 1:2.500 (landelijk gebied met verspreide bebouwing) of 1:5.000 (gebieden met weinig bebouwing en meestal grote percelen). Minuut­plans mochten ook niet gewijzigd worden. De perceelsnum­mers op de minuutplans corresponde­ren dus met die in de OAT's.
Men dient er rekening mee te houden dat er geregeld nieuwe minuut­plans zijn vervaar­digd, als een bepaald gebied bijvoorbeeld in verband met stadsuit­breiding of ruilverkave­ling opnieuw werd opgeme­ten. Uiteraard zijn zowel de oude (vervallen) minuutplans als de nieuwe bewaard gebleven. Om snel na te kunnen gaan, in welke sectie een bepaald perceel te vinden is, vormen de al genoemde verzamel­plans een nuttig hulpmid­del omdat daarop de begrenzin­gen van de secties worden weergegeven. Tegenwoordig gebruikt men daarvoor echter vaak moder­ne topografische kaarten. Van de meeste gemeenten zijn die oorspron­kelijke en latere verzamelplans bewaard gebleven.

Geven de OAT's en minuutplans een beeld van Drenthe in 1832, de grondbelasting­registers en -kaarten geven dat van de situatie omstreeks 1880. Toen werden, ter uitvoering van een wet van 1879, de uitkomsten van de herziening van de belastbare opbrengst per perceel in registers genoteerd en op kaart gezet. Deze registers en kaarten zijn bewaard gebleven en bieden een zelfde informatie als de OAT's en minuutplans van 1832.

Beperkingen
Een aantal beperkingen moet de gebruiker van dit kadastrale materiaal zich realiseren. De oorspronkelijk aanwijzende tafels geven alleen de namen van de eigenaren, niet die van de gebrui­kers van een onroerend goed (huurder of pachter). Als er echter een zakelijk recht is gevestigd, bijvoorbeeld een recht van opstal of vruchtge­bruik, dan wordt dat wel vermeld. Minuut­plans zijn eigendoms­kaarten, geen topogra­fische kaarten. Dat betekent dat veel topografi­sche details er niet opstaan. Zo worden waterlopen en wegen alleen op de kaarten weergege­ven als het begren­zin­gen of aparte percelen zijn. Het zijn 'eiland­kaar­ten', dat wil zeggen dat het kaartbeeld niet doorloopt tot de randen van het papier. Boven­dien hebben lang niet alle kaarten het noorden boven, en hebben ze soms verschillende schalen. Dat heeft tot gevolg dat de verschillen­de kaart­bladen van een (kadastrale) gemeente dus niet zonder meer aan elkaar te leggen zijn.

Het loont soms de moeite in het betreffende gemeentearchief na te gaan, of in het verleden registers van huizen of bewoners aangelegd zijn. In sommige gemeenten zijn, voor diverse doeleinden, dergelijke registraties aanwezig. Zij kunnen inzicht geven in met name de bewoning. Natuurlijk geven, na 1850, ook de bevolkingsregisters de woonadressen van de ingezetenen van een gemeente.

Beschikbaarheid
De oorspronkelijk aanwijzende tafels van de (kadastrale) gemeenten in Drenthe, alsmede de grondbelastingregisters treft u aan bij het Rijksarchief Drenthe. Minuutplans (en verzamelplans) vindt u bij het rijksarchief (in de vorm van mi­crofi­ches). Een vrijwel volledige verza­meling proces­sen-verbaal van grensbe­pa­ling berust even­eens bij het rijksar­chief.
Voor onderzoekers is het van belang te weten, dat de Stichting Kadastrale Atlas Drenthe zich ten doel heeft gesteld de OAT's met de bijbehorende minuut­plans van alle Drentse gemeen­ten te publiceren, voorzien van een historische inleiding en andere belangrij­ke informatie. Op dit moment zijn de atlassen van de 15 volgende kadas­trale gemeenten gepubli­ceerd: Assen, Borger, Diever, Dwingeloo, Eelde, Gasselte, Gieten, Havelte, Hoogeveen, Peize, Roden, Rolde, Ruinen, Ruinerwold en Sleen. Andere atlassen zijn in voorberei­ding; nadere infor­matie bij het rijksarchief.

De overige bewaard gebleven kadastrale registers en kaarten zijn te vinden bij het kantoor van het Kadaster in Assen.

Openbare registers
Ten gevolge van de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 werd een koppe­ling tussen het kadaster en de openba­re registers noodzake­lijk. Deze nieuwe wet schreef voor dat een goed bij verkoop en verhy­pothekering aangeduid moest worden met de kadastrale ken­merken. Er bestaan twee soorten registers: een register van overschrij­ving, bedoeld voor de registratie van de koop en verkoop van onroe­rend goed, en een register van inschrijving, bestemd voor de registra­tie van hypotheek­akten. Het belang van het register van overschrijving is in de hiervóór gegeven voorbeelden al aangeduid. Het register van inschrijving bevatte vooral de inschrij­vin­gen van uittreksels van hypotheekak­ten, maar is in de afgelopen jaren grotendeels vernietigd.

De geautomatiseerde kadastrale admini­stra­tie fun­geert nu als toegang op de openbare registers.

Literatuur
Een overzicht van alle kadastrale en hypothecaire registers en kaarten wordt gegeven in F. Keverling Buisman en E. Muller, Kadaster‑gids. Gids voor de raadple­ging van de hy­pothecaire en kadastrale archieven uit de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw (Den Haag 1979). Bovendien wordt aan de hand van schema's hun samenhang toegelicht. Hoe kadastrale bronnen kunnen worden gebruikt bij onderzoek naar de bewoningsgeschiede­nis van een dorp wordt geschetst door M.A.W. Gerding, Dorpsge­schiede­nis: bewoning en bewoners (Zutphen 1992), met een methodiek om verband te leggen tussen de voor‑kadastrale bewonersre­gistra­tie en de kadastrale eigendomsregistra­tie. 150 Jaar Kadaster in Nederland (Den Haag [1982]) geeft in kort bestek een overzicht van geschiedenis en taken van het kadaster.
Een zeer nuttig hulpmiddel bij onderzoek naar onroerend goed is Broncommentaren 3. Bronnen betreffende de registratie van onroerend goed in de negentiende en twintigste eeuw (Den Haag 1997), uitgegeven door het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

Negentiende-eeuwse maten
Bij onderzoek naar onroerend goed in het verleden krijgt men onherroepelijk te maken met oude lengte- en oppervlaktematen. Van 1820 tot 1870 werd gebruik gemaakt van het Nederlands metriek stelsel. Dit was gelijk aan het Franse metrieke stelsel, maar dan met oude Nederlandse namen.
De meest voorkomende lengte- en oppervlaktematen waren:
Roede = 10 m of 10 el
El = 1 m
Palm = 1 dm of 0,1 el
Duim = 1 cm of 0,01 el
Streep = 1 mm of 0,001 el
Bunder = 100 x 100 vierkante el of 1 hectare
Vierkante roede = 10 x 10 vierkante el of 1 are
Vierkante el = 1 x 1 vierkante meter of 1 centiare
Een el is in deze periode dus geen 69 cm maar 1 m! Iemand die 1 el, 7 palm, 6 duim en 3 streep lang is, is dus gewoon 1,763 m.

Onderzoek naar een huis vóór 1832
In de speurtocht naar de historie van een huis - als voorbeeld kozen we huizen in Anloo en Gasselte - zijn we beland in de oorspronkelijk aanwijzende tafels en de bijbehorende minuutplans. Samen geven deze bronnen een prachtig beeld van de toestand in 1832. Beide huizen bestonden echter in dit jaar al en we willen graag weten of er oudere gegevens te achterhalen zijn.
Het moge duidelijk zijn dat zonder kadastrale registers een dergelijk onderzoek veel moeilijker is. De eerstvolgende systematische registratie van onroerend goed vóór 1832 dateert van 1807. Toen werden in verband met de heffing van belasting kohieren van vaste goederen aangelegd. Deze kohieren bevatten per kerspel (gemeente) de namen van de eigenaren, hun huis en andere gebouwen en hun landerijen. Kadastrale aanduidingen staan er vanzelfsprekend niet in. Wel vond de inschrijving van de eigenaren in het kohier plaats in de volgorde, waarin zij in hun buurschap woonachtig waren. De huizen werden dienovereenkomstig genummerd. Daarom zijn deze kohieren ook van belang voor ons onderzoek: zij vormen de schakel tussen de oorspronkelijk aanwijzende tafels van het Kadaster enerzijds en oudere belastingkohieren als het haardstedegeldregister van 1804 anderzijds. De kohieren (OSA, inv.nr. 1513) zijn op microfiche raadpleegbaar in de studiezaal van het rijksarchief.
Men heeft geluk wanneer degene die in 1832 als eigenaar genoemd wordt in de oorspronkelijk aanwijzende tafel, dezelfde is als degene die in het kohier van vaste goederen van 1807 vermeld staat. Dan is het onderzoek direct 25 jaar verder terug in de tijd. Is dat niet het geval, dan moet een andere bron aangeboord worden.

Voor verkoop en overdracht van onroerend goed ging men, ook vóór 1832, meestal naar de notaris. Hij maakte van deze rechtshandeling een akte op. Alle minuten van notariële akten zijn bewaard gebleven en berusten in het rijksarchief. Voor wijzigingen in de eigendom in de periode 1811-1832 moet men dus de notariële archieven doorzoeken.

Terug naar de voorbeelden van Gasselte en Anloo. Werd in 1832 als eigenaar van het huis op kadastraal perceel A 90 genoemd Harm Jans Hiddingh, in het kohier van 1807 is sprake van Willem Hiddingh en broers. Uit genealogisch onderzoek weten we dat Harms oudste broer Willem was en zijn andere broers Otto en Lambert waren. Zij overleden respectievelijk in 1809, 1812 en 1808, zodat alleen zoon Harm overbleef. De gebroeders Hiddingh bewoonden (volgens het kohier) perceel nummer 10 in Gasselte. Perceel 10 in 1807 is dus hetzelfde als kadastraal perceel A 90 in 1832. Deze conclusie wordt bevestigd door ook de eigendom van de omliggende percelen in 1832 en 1807 te vergelijken.
Anders is dat met het huis aan de Kerkbrink te Anloo. Vergelijken we het kohier van vaste goederen van Anloo met de oorspronkelijk aanwijzende tafel van die gemeente, dan blijkt dat we de eigenaar in 1832, schoolmeester Jan Mulder uit Vries, niet terugvinden in het kohier van 1807. Het verband tussen 1807 en 1832 is dus niet zonder meer te leggen en moet aangetoond worden door bijvoorbeeld te zoeken in de notariële archieven.

De notaris
Voor genealogisch onderzoek nuttige informatie is te vinden in de akten die worden verleden voor een notaris. Deze functionaris bestaat in Drenthe vanaf 1811; voordien vervulde in Drenthe de plaatselijke schulte de rol die de notaris later speelde (zie hierna). Sinds 1842 is het werkterrein van alle notarissen begrensd door het arrondisse­ments­ressort waarbinnen zij hun praktijk hadden. In elk arrondisse­ment waren derhalve vele notarissen actief.
Voor welke zaken ging men nu naar de notaris? Wanneer men de notariële akten bekijkt, dan valt een grote verscheidenheid aan rechtshandelingen op. Testamenten, akten van scheiding en deling van een boedel, boedelinventarissen en huwelijksvoorwaarden komen het meest voor. Ook voor contracten van plaatsvervanging (voor militaire dienst) ging men naar de notaris.

Van meer zakelijke aard zijn de verkoping en verhuring van onroerend goed of van hout, gras e.d. Daarnaast werden met grote regelmaat schuldbekentenissen, al of niet met hypotheekstelling, notarieel vastgelegd.

Beperkingen
Notariële archiefbescheiden worden na 75 jaar naar een openbare archiefbewaaar­plaats overgebracht. Voor notariële archief­bescheiden geldt verder een openbaarheidsbe­perking, met name van testamen­ten en codicillen, voorzover niet geregistreerd, van 94 jaar. Deze termijn gaat ervan uit dat een testateur bij het opmaken van het testa­ment tenminste 16 jaar oud geweest is (de leeftijd waarop men handelingsbe­kwaam is) en op het moment van raadpleging in de archiefbewaarplaats niet ouder is dan 110 jaar. Het verschil tussen beide termijnen is 94 jaar.

Bronnen en beschikbaarheid
De notariële archieven bestaan uit de minuten van de akten (= de oorspronkelijke akten) en de bijbehorende repertoires of repertoria (het register waarin alle door de notaris opgemaakte akten zijn beschre­ven). Tot ca. 1915 bevinden deze zich in het rijksar­chief te Assen. Voor de stand­plaatsen en de namen van de notarissen verwijzen we naar de inventaris van de archieven van de Drentse notarissen (toegangnummer 0114). De repertoria staan op microfiche in de studiezaal.

Drentse notarissen
In de volgende standplaatsen waren vanaf 1811 notarissen actief en zijn de archieven aanwezig in het Rijksarchief Drenthe:
Assen 1811-1915 (steeds twee notarissen behalve in de periodes 1841-1863 en 1899-1902)
Beilen 1878-1915
Borger 1851-1915
Coevorden 1811-1915
Dalen 1815-1840
Dwingeloo 1841-1917
Emmen 1840-1915
Gieten 1867-1915
Hoogeveen 1811-1916 (steeds twee notarissen behalve in de periode 1839-1843)
Meppel 1811-1917 (steeds twee notarissen en tussen 1869 en 1878 drie)
Nieuw-Amsterdam 1904-1914
Norg 1811-1887
Oosterhesselen 1904-1915
Roden 1861-1915
Smilde 1855-1913
Vledder 1811-1832, 1835-1841
Vries 1849-1915
Westerbork 1843-1889
Zuidlaren 1843-1914
Zuidwolde 1878-1915

Een probleem dat zich aandient bij een onder­zoek naar notariële akten, is het traceren van de notaris bij wie men voor het opmaken van dergelijke akten heeft aangeklopt. Een particu­lier was - en is nog steeds - vrij in de keuze van een notaris. In principe kon men dus overal in Nederland een notaris in de arm nemen. Gelukkig overheerst echter de gewoonte om een notaris uit de directe nabijheid te nemen, bijvoor­beeld de woonplaats van één van de betrok­kenen of de plaats waar het onroe­rend goed was gesitueerd. Men dient er evenwel op bedacht te zijn dat lang niet altijd de dichtstbij wonende notaris werd geraad­pleegd, maar iemand uit een naburige gemeente. Met name in de dorpsgemeen­schappen hadden boeren ten aanzien van testamentaire be­schikkingen niet altijd het volle vertrouwen in de zwijgplicht van de meestal van elders afkomstige notabele plaats­genoot.

Nadere toegangen
In het rijksarchief treft u een overzicht aan van de bewaarde notariële archieven (toegangnummer 0114). Wanneer de juiste notaris is aangetroffen is de speurtocht naar de gezochte akte niet moeilijk meer. Op de door hem in chronolo­gische volgorde bewaarde minuutakten (de originelen) zijn namelijk eigenhan­dige toegan­gen gemaakt die worden aangeduid met repertoires. Zo'n repertoire heeft de vorm van een register met een aantal kolommen waarin van elke akte wordt aangegeven: het volgnum­mer, de datum, het soort akte (bijvoorbeeld testa­ment, boedel­schei­ding en transport), de belang­heb­benden, een korte inhoud, soms een verwij­zing naar andere akten en notarissen, en bij onroerende goederen vanaf 1833 de kadastrale aanduiding. Omdat repertoires lang niet altijd een naamindex bevatten, moeten deze registers worden doorgelezen om de gezochte akte te vinden. Bovendien kan het gebeuren dat de in het repertoire vermelde akte niet aanwezig is. De notaris is namelijk niet verplicht alle akten in minuut te bewaren.

Testamenten konden op verschillende wijzen worden opgemaakt. Ten eerste kon men het testament zelf schrijven (holografisch testament) en het vervolgens deponeren dit bij de notaris, die van deze deponering een akte opmaakte. De tweede methode is dat men naar de notaris toeging en hem het testament liet opstellen. Men noemt dit het openbaar testament, hoewel het eigenlijk een testament, verleden bij openbare akte is.
Testamenten die in de periode 1890-1973 zijn opgemaakt door perso­nen die geboren zijn tussen 1793 en 1954 en overleden zijn vóór 1974, zijn te achterhalen met behulp van het Centraal Testamentenre­gister dat in het Algemeen Rijksarchief te Den Haag berust en op microfilm raadpleegbaar is. U moet dus wel de geboortedatum weten. Het Centraal Bureau voor Genealo­gie beschikt over een kaartsysteem van de testateurs die in de periode 1793-1871 zijn gebo­ren. Dit systeem is via microfi­che­ring voor inzage toegankelijk ge­maakt.
Inlichtingen uit het Centraal Testamentenregister kunnen alleen worden verstrekt naar aanleiding van een schriftelijk verzoek, gericht aan: Alge­meen Rijksarchief, afdeling Dienstverle­ning, Prins Willem-Alexander­hof 20, 2595 BE 's-Gravenhage. Behalve de naam van degene die het testament heeft laten opmaken dient u ook de geboortedatum te vermelden. U ontvangt dan uit het register de volgende gegevens: naam, geboorte­plaats en -datum, beroep, woonplaats en adres, burgerlijke staat, datum en nummer van de akte, naam van de notaris en soms de overlijdensdatum. Voor inlichtin­gen over testa­menten die na 1973 zijn opgemaakt, en over testamenten die weliswaar vóór dat jaar zijn opgemaakt, maar waarvan de testateurs na 1973 zijn overleden, dient u zich te wenden tot het Ministerie van Justitie, afdeling Centraal Testamenten­re­gister, Postbus 20301, 2500 EH 's-Graven­hage. Uit dit register worden slechts inlichtingen verstrekt indien een officieel bewijs van overlijden van de testateur aan het schriftelijk ingedien­de verzoek is bijge­voegd.

Literatuur
A.Fl. Gehlen, Notariële akten uit de 17e en 18e eeuw: handleiding voor gebruikers (Zutphen 1986); F.L. Hartong, Register der protocollen van notarissen in Nederland; samengesteld in opdracht van de Broederschap der Notarissen in Nederland van plm. 1550 tot heden (Rotterdam 1916). Een aanvulling op deze uitgave vormt J.E. Kasdorp en J. de Vries, Protocollenregister: register van de protocollen van de notaris­sen die in de periode van 1916-1984 in Nederland in functie waren (Amsterdam 1985).
Het ligt voor de hand dat men naar de dichtstbijzijnde notaris ging, maar het is zeker geen vaste regel. De akten van elke notaris zijn toegankelijk via het repertorium, een chronologische lijst van alle voor hem gepasseerde akten. In dit repertorium zal men moeten nagaan of er eigendomsakten te vinden zijn. De notarisrepertoria staan op microfiche in de studiezaal.

Belastingregisters als bron van onderzoek naar bezittingen
Om weer verder in de tijd terug te komen moeten we gebruiken maken van belastingregisters, die - in verschillende soorten - vanaf 1630 zijn aangelegd. We moeten ons er opnieuw van bewust zijn dat deze registers opgemaakt zijn om de belastingplicht van de ingezetenen vast te leggen. Wij gebruiken ze echter om iets te weten te komen over de eigendom of overgang van onroerende goederen.

Van 1804 dateert het (laatste) haardstedengeldregister. Het haardstedengeld was een belasting die elke gebruiker van een huis moest betalen. De grootte van het huis werd uitgedrukt in het aantal paarden waarmee de boer het landbouwbedrijf uitoefende. Een `vol huis' was van een `vierpaards-boer', die vier gulden haardstedengeld moest betalen. Boeren met minder bezit betaalden respectievelijk drie, twee of een gulden. Wie geen boer was, werd voor het haardstedengeld als keuter beschouwd en betaalde een gulden. Voor een ambacht, nering of ambt werd ook een gulden gerekend. Een timmerman betaalde dus twee gulden: een gulden als keuter en een gulden voor zijn ambacht.

In het haardstedengeldregister van Gasselte van 1804 vinden we dezelfde vermelding als in het kohier van vaste goederen van 1807: Willem Hiddingh en broers; zij zijn aangeslagen voor volpaardsboer, dus vier gulden.

De haardstedengeldregisters zijn vanaf 1742 gemiddeld per tien jaar vernieuwd. We kunnen dus van 1804 telkens stapjes van tien jaar terug doen en nagaan of onze voorouders vermeld staan als eigenaar van een huis. In 1794 staat in het register van Gasselte genoemd: weduwe Jan Hiddingh (de moeder van Willem en zijn broers) met een zoon die ette is (rechter in de Etstoel); zij moet vijf gulden betalen: vier voor een vol huis en een gulden voor de functie van ette. In 1784 is de vermelding eveneens: wed. Jan Hiddingh, vier gulden. Het haardstedengeldregister van 1774 en 1764 noemt Jan Hiddingh met een vol huis (hij overleed blijkens de genealogie in 1782).

Van belang is ook op te letten of de vermelding in het register op ongeveer dezelfde plaats gebeurt, met dezelfde buren als tien jaar eerder of later. Degene die het haardstedengeldregister aanlegde, hield namelijk een vaste volgorde van inschrijving aan. Wellicht was de inschrijving gebaseerd op een vaste route door het dorp. Wordt een persoon bijvoorbeeld jarenlang als tiende genoemd in het register en daarna opeens als dertigste, dan kan men er zeker van zijn dat er sprake is van een ander huis. De Hiddinghs bleven echter op dezelfde plek. De registers van Gasselte voor 1754 en 1742 ontbreken helaas. Oudere registers dateren uit 1672 en 1692-1695.

Beschikbaarheid
De haardstedengeldregisters bevinden zich in OSA, inv.nr. 868. Kopiedelen staan per kerspel in de studiezaal.

Halverwege de achttiende eeuw doet zich een nieuwe bron voor: het grondschattingsregister van nieuw gebouwde huizen en nieuw aangemaakte landen.

De grondschatting, in andere gewesten meestal verponding genoemd, was een belasting die elke gebruiker (eigenaar of bewoner) moest betalen van de waarde van zijn bezittingen. Wie een groot huis en veel grond bezat of gebruikte, betaalde meer dan de keuter met een schamel huisje. De grondschatting werd voor het eerst geheven in 1630. Toen zijn ook belastingregisters aangelegd. In 1654 werden de registers geheel vernieuwd en uitgebreid en wel zodanig dat ze tot 1750 in gebruik bleven. In dat jaar nam men een soort supplement-registers in gebruik, waarin stond aangegeven welke huizen sinds 1654 nieuw gebouwd waren en welke landerijen in gebruik genomen. Tesamen met de grondschattingsregisters van 1654 vormen de registers van 1750 dus de kohieren van de grondbelasting. Bij een deel van de registers behoren ook kaarten, waarop met name de bouwlanden zijn aangegeven.

Beschikbaarheid
De grondschattingsregisters en -kaarten bevinden zich in OSA, inv.nrs. 845 en 858. Kopiedelen per kerspel staan in de studiezaal.

We mogen met enige zekerheid aannemen dat de familie Hiddingh omstreeks 1750 op dezelfde plaats woont als in 1832. In het grondschattingsregister van Gasselte van 1750 komen we Jan Hiddingh tegen. Niet omdat hij een nieuw huis gebouwd zou hebben, maar slechts wegens een perceel zaailand, dat tevoren als woest land gerekend werd, maar waarover nu belasting betaald moet worden. We kunnen hieruit concluderen dat noch Jan, noch zijn vader Willem, noch diens vader Jan sinds 1654 een huis gebouwd of gesloopt hebben.
Het grondschattingsregister van 1654 geeft in Gasselte een opgave van de goederen van Jan Hiddingh en zijn broers. Deze Jan was blijkens de genealogie-Hiddingh de voorvader van Jan Hiddingh die een eeuw later leefde. Het Hiddingh-bezit was veruit het grootste van Gasselte. De goederen, gebruikt door de gebroeders Jan, Bastiaan, Luichjen en Harmen Hiddingh, werden `gepriseert', d.w.z. getaxeerd, op 31.349 gulden. Het omvatte bouw-, hooi- en groenland, enkele huizen en hoven (tuinen) en een molen.
Ook in het eerste grondschattingsregister, van 1630, was Jan Hiddingh (de vader van de in 1654 genoemde broers) de grootste boer. Hij bezat twee boerderijen, erven, namelijk Grevinge en Hiddinghe, 38 mud bouwland (ongeveer 10 hectare), 18 dagwerk hooiland (ongeveer 12 hectare), twee waardelen (volle aandelen in de marke), een huis met hof en een molen. Bovendien had hij een erf verpacht aan Hinrick Coops en een huis en hof in gezamenlijk bezit met Jan van Aemen.

Te zelfder tijd werd een ander belastingregister opgesteld, namelijk wegens de betaling van hoofdgeld. Elk hoofd van een gezin moest per inwonend gezinslid een bedrag betalen. Het register van Borger en Gasselte vermeldt dat Jan Hiddingh een huishouden had met negen personen. Hieronder moet men overigens ook inwonend personeel rekenen. Dit belastingkohier (eveneens OSA, inv.nr. 841) wordt ook wel aangeduid als `register van de impost wegens de redemptie van het gemaal'.

Beschikbaarheid
De grondschattingsregisters en -kaarten bevinden zich in OSA, inv.nrs. 841 en 845. Het grondschattings- en hoofdgeldregister van 1630 wordt onder OSA, inv.nr. 841, bewaard. Alle delen staan in kopie in de studiezaal van het rijksarchief.

Literatuur
P. Brood, Grondschatting, omslagen en haardstedengeld. Een handleiding voor het gebruik van de archivalia (Assen 1980) en idem, Belastingheffing in Drenthe 1600-1822 (Meppel 1991) 63-71.

Zeventiende-eeuwse maten
Vóór 1800 werden in Drenthe andere lengte- en oppervlaktematen gebruikt dan nadien.
De grootte van bouwlanden werden uitgedrukt in mudden, in mindere mate in morgen, die van groenlanden doorgaans in dagmaten en roeden. Bovendien is er verschil tussen het Dieverder dingspil (meestal Steenwijker maat genoemd, toegepast in Zuidwest-Drenthe) en de rest van de provincie (de Groninger maat).
1 roede Groninger maat = 4,12 m
1 vierkante roede Groninger maat = 16,94 m2
1 roede Steenwijker maat = 4, 70 m
1 vierkante roede Steenwijker maat = 22,13 m2
1 mud Groninger maat = 0,27 hectare
1 mud Steenwijker maat = 0,36 hectare
1 morgen Groninger maat = 1,01 hectare
1 morgen Steenwijker maat = 0,81 hectare
1 dagmaat of dagwerk = 0,67 hectare

Literatuur
J. Bieleman en P. Brood, `Zeventiende-eeuwse Drentse landmaten en hun gebruik', Geografisch tijdschrift 14 (1980) 112-119; M.A. Holtman, Meten en wegen in Drenthe (Kantens 1988); J.M. Verhoeff, De oude Nederlandse maten en gewichten (Amsterdam 1982).

Op deze wijze hebben we het bezit van de familie Hiddingh tot in het begin van de zeventiende eeuw kunnen vinden. Door systematisch de belastingadministraties te volgen konden we de goederen vrij eenvoudig traceren. Erkend moet worden dat de Hiddinghs honkvast waren en eeuwenlang op het familiebezit hebben gewoond, hetgeen het zoeken natuurlijk vergemakkelijkte.
Maar ook wanneer men mobieler was, zijn er mogelijkheden om de bezittingen van voorouders te achterhalen. Al vóór 1806 werd er namelijk belasting geheven bij vererving en bij de verkoop van onroerend goed. De administratie van de ontvangers van de 30e en 40e penning, zoals deze belastingen werden aangeduid, is bewaard en biedt aanknopingspunten voor onderzoek.
Bij de overdracht van onroerend goed moest men de 40e penning betalen: 2½% van de waarde van het betreffende goed. De aangifte van de overdracht had plaats bij de schulte in elk kerspel, de betaling van deze belasting noteerde de belastingontvanger in ontvangregisters. Zij zijn bewaard in OSA, inv.nrs. 1025, 1484, 1785 en 1786. Ze bestrijken de periode 1679-1805. Kopieën ervan staan in de studiezaal ter raadpleging. Bovendien zijn er indices van namen gemaakt, die het zoeken vergemakkelijken.

Op 14 december 1784 kocht Willem Hiddingh een deel van de pastoriegoederen in Gasselte voor een bedrag van 75 gulden. Deze verkoop is bij de schulte van Gasselte aangegeven (Schultegerechten, inv.nr. 294; OSA, inv.nr. 1025, Gasselte 1784/'85) en bovendien ingeschreven in het belastingregister van de ontvanger van de 30e en 40e penning (OSA, inv.nr. 1785, register 1785/'86).

In hoofdstuk 2 kwam al de successiebelasting vóór 1806 ter sprake als bron voor overlijdensdata en familierelaties. Er werd de 30e penning (3,3%) geheven over alle erfenissen die in de zijlinie of op niet-verwanten vererfden. Erfenissen van ouder op kind waren vrij van belasting en vinden we dan ook niet in de boeken van de belastingontvanger. Voor de omvang van het bezit van onroerend goed vormen de aangiften en rekeningen ten behoeve van deze zgn. collaterale successie een belangrijke bron. Zij bevinden zich in dezelfde registers als die voor de 40e penning.

Zo zien we in het register van Gasselte dat op 11 december 1780 Jan Hiddingh van Gasselte aan de ontvanger bekend maakt dat hij en zijn neven Tale en Willem de boedel van hun zuster respectievelijk tante Aaltijn Hidding erven en daarover de dertigste penning aan belasting zullen betalen (OSA, inv.nr. 1025).

onrgoed.jpg