Het meest opvallend

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

 Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Het meest opvallend
Zo'n laatste stukje is een mooi moment om uit te zoeken wat mij nou het meest heeft getroffen in die Post van Weldadigheid. Is het de immense slordigheid? Ik bedoel: we doen ons best met indexeren, we doen vreselijk ons best, maar af en toe lijkt het vechten tegen de bierkaai.

Op 12 mei 1841 schrijft een als executeur-testamentair optredende persoon uit Bergen op Zoom aan de adjunctdirecteur van het tweede gesticht dat er een erfenis is gevallen op 'de bedelaars koloniste Johanna Catharina Gelten', de adjunctdirecteur meldt dat hij een brief over 'de bedelaarskoloniste A.C.Gelte' heeft ontvangen aan directeur Van Konijnenburg en die stuurt aan de permanente commissie de stukken over 'de bedelaars kolonist A.C.Getten'.

Ze hadden alleen even in die brief uit Bergen op Zoom hoeven kijken. Ergere voorbeelden zijn ook nog wel te vinden. Nogmaals, we doens ons best met zo correct mogelijk indexeren van namen, maar het was mooi geweest als de stafleden toentertijd ook een beetje hun best gedaan hadden.

En terwijl de directeur dus zelf slordig is, doet hij of hij tegen slordigheid optreedt, want op zijn voorstel wordt de boekhouder van de Ommerschans Jan Hendrik Staus acht dagen op zijn salaris gekort omdat hij op een staat Jacob de Jonge in plaats van Jan de Jonge heeft vermeld. Nou, dan weet ik er nog wel een paar die gekort kunnen worden. Arme familie-onderzoekers.

Maar... is dat nu louter slordigheid?

Of is het onverschilligheid? Is het 'een pauper en die heet ongeveer zo'? Je zou het wel denken. Het voorbeeld van die Jacob en Jan de Jonge gaat ook niet over kolonisten, maar over leveranciers, en die Jacob de Jong zou wel eens deelfde kunnen zijn als de voorzitter van de subcommissie van weldadigheid Meppel. Ik heb het niet nagegaan en ik heb ook geen zin om het na te gaan, maar ik denk dat (pak 'm beet:) baron Stroelaart van Rijckevorsel, wiens naam toch talloze mogelijkheden tot spellingsvariatie biedt, veel minder vaak incorrect geschreven wordt. En dan is het dus geen kwestie van slordigheid maar – en dan ben ik bij mijn punt – een uiting van wat mij aan de post het meest is opgevallen: Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw is een standenmaatschappij en het is werkelijk on-voor-stel-baar wat de hogere standen zich tegenover de lagere standen permitteren.

Hoe kan het bijvoorbeeld, dat zomaar iedereen uit de hogere standen zich mag bemoeien met een voorgenomen huwelijk??

Directeur Van Konijnenburg en de permanente commissie gaan er dwars voor liggen als de kolonist Nicolaas Beun wil trouwen met een weesmeisje. Die laatste is dan wel minderjarig – vanaf 1840 ligt die grens volgens mij op 23 jaar – maar zou wel toestemming van haar besteders kunnen krijgen, maar daar wachten ze niet op. Ze vinden het geen geslaagde combinatie en op die manier heb ik ze een heleboel huwelijksplannen in de koloniën zien torpederen.

Maar het is niet alleen in de kolonie, ook daarbuiten lijkt het de gewoonste zaak van de wereld. Een burgemeester schrijft een kolonist 'dat ik zwarigheid moet maken om toestemming te geven tot een huwelijk'. De burgervader vraagt zich hardop diverse dingen af, zoals 'Is het uw eigen belang wel dat gij trouwt?' En: 'Is dat ook het belang uwer kinderen ook met betrekking tot hunne opvoeding?' En: 'Keurt de directie een huwelijk goed?

Waar bemoeit de man zich mee? Let wel, het is geen minderjarige die hij toespreekt. Het is Jan Kiesling die we een tijdje terug goed hebben leren kennen als de katholieke weduwnaar die tot het protestantisme bekeerd was. Op het moment van deze briefwisseling is hij vijftig jaar oud, het speelt een jaartje na zijn bekering.

Ik zit natuurlijk al heel lang met mijn neus bovenop die koloniën van weldadigheid, en bij dit project zitten we dat allemaal, en dan lijkt het of die grenzeloze betutteling en bevoogding van de lagere standen typisch iets van de Maatschappij van Weldadigheid is. Batch 445 scan 003: Van Konijnenburg heeft een net aangekomen behoeftig huisgezin 'vermaand tot tevredenheid in zijnen stand'.

Maar ik denk toch dat het meer een beeld is van die tijd dan van alleen de koloniën. De pedante jongeheren Van Lennep en Van Hogendorp die het koloniale onderwijs bekritiseren omdat er vakken als aardrijkskunde en geschiedenis gegeven worden die mensen uit de arbeidersstand volgens hen niet nodig hebben. De vele notabelen in den lande die een stadgenoot het bedelaarsgesticht in werken, ook al heeft die nooit gebedeld, maar omdat ze hem daar beter op zijn plaats vinden.

Als het zo algemeen in heel Nederland speelt, komt de Maatschappij van Weldadigheid er in mijn ogen weer ietsje beter af.

Dat was 'em. Als je een stukje nog eens wilt opzoeken, dan kan dat via de overzichtspagina op mijn site.

Post varia - 5

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

 Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

Beste mensen, dit is mijn een-na-laatste stukje op deze plek. Ik blijf wel actief in het project, hoor, als vrijwilliger bij het invoeren, en inhoudelijke vragen over de Maatschappij zal ik ook blijven beantwoorden. Ik heb deze artikeltjes met ontzettend veel plezier gemaakt, het blijft altijd leuk om iets uit te zoeken en het dan uitgediept op papier te zetten. En als jullie De kinderkolonie lezen zullen jullie zien dat ik op deze plek regelmatig stukjes heb uitgeprobeerd die nu in het boek terecht zijn gekomen. Ik wil iedereen hartelijk danken voor alle hulp die ik de afgelopen anderhalf jaar gehad heb en voor de leuke reacties op de stukjes. Ik ga verder met de post-varia:

Vervolg Hoogstra-Wiemes
Zowel Haaije Hoogstra als Elisabeth Wiemes-Smies ontkennen de beschuldiging - zie stukje verleden week - categorisch. Ook als een bedelaarskolonist na ondervraging verklaart 'gezien te hebben dat de meester verscheiden malen met Vrouw Wiemes in het Consistorie-kamertje is geweest, doch niet weet wat zij daar deden'. En als Dirk Wiemes 'voorleden Zaturdag avond te huis komende, met zijne vrouw hevige Twist gekregen heeft, ja elkander mogelijk geslagen', omdat de geruchten ook hem ter ore waren gekomen. En ook als een strafkoloniste verklaart dat ze de kleding van een overleden bestedeling aan Hoogstra had gegeven die ze zou verkopen maar ze aan vrouw Wiemes had geschonken.

De Raad van Tucht van de Ommerschans die al die verhalen aanhoort, weet niet wat ze denken moet van de praatjes die door de bedelaarskolonist Louis Lolkema zijn rondgestrooid. Ze veroordelen dan maar Lolkema tot acht dagen strafkamer. Ook de rond die tijd langskomende inspecteur der koloniën Wouter Visser schrijft over 'de zaak met Hoogstra' aan de permanente commissie maar komt niet verder dan te melden dat men er mee in de maag zit.

Een week later ligt er bij de raad een 'Nota klagten van H. Hoogstra ingebragt aan de raad van tucht tegen den kolonist L. Lolkema'. Die zou diverse malen dronken thuisgekomen zijn, bijvoorbeeld na 'de markt aan de Dedemsche vaart'. Hij zou een mes uit een huis aan de vaart gestolen hebben en een ander mes uit de zak van een boerenjongen gelicht. Hij drijft handel met andere bedelaarskolonisten in genever, koloniale kleding en de eerder genoemde messen.

Op de school, waar hij als hulponderwijzer fungeert, zou hij het vertikken zelf het bord schoon te maken en af en toe zonder waarschuwing het klaslokaal verlaten. 'Onderscheidene kinderen heeft hij wel eens onfatsoenelijk geslagen', een kind van bakker De Bruin heeft hij met spelden gestoken en het zoontje van de onderdirecteur zou hij net zo lang in het rond gedraaid hebben tot hij duizelig was, 'zoodat hetzelve met het hoofd tegen het bord viel en een ijselijk geschrei aanhief'.

Lolkema over al die zaken horen gaat niet lukken. Hij is 'door een abuis' twee dagen te vroeg uit de strafkamer vrijgelaten en is meteen daarop de Ommerschans ontvlucht. De raad veroordeelt hem dan maar bij verstek, maar merkt ook op dat het 'den Raad echter zeer bevreemde' dat 'den Onderwijzer Hoogstra echter getuigd eerst ná dat hij door hem belasterd is geworden'. Men snapt niet waarom de onderwijzer 'met de ondeugden van Lolkema niet vroeger en beter bekend is geweest'.

Kortom, er blijft verdenking kleven aan de onderwijzer. Maar bewijzen zijn er niet. Een van de vrouwen die verhoord wordt, reageert wel grappig. De echtgenote van strafkolonist Lehmbroek verklaart van niets te weten omdat, als Hoogstra 'iets uitstaande had met Vrouw Wiemes, hij haar daar niet bij zoude roepen'.

(met dank aan Luurt Vrijen voor de transcripties)

Houd je klaauwen eraf
Roelof Coenraads Smit is sinds mei 1842 als onderbrigadier werkzaam op de Ommerschans. De onderbrigadier, soms ook de 'opper-veldwachter' genoemd, geeft leiding aan de veldwachters bij de schans, die meestal geworven zijn onder de militaire veteranen uit Veenhuizen, maar soms uit de rangen van de bedelaars komen. De onderbrigadier valt onder de hoogste functionaris ter plekke, de adjunct-directeur van de Ommerschans, maar in de praktijk is hij verantwoording schuldig aan de onderdirecteur-binnen van het complex.

Dat gaat wat Smit betreft prima zolang Jan Frederik Krieger onderdirecteur is, maar in juli 1845 wordt die bevorderd tot adjunct-directeur van het tweede gesticht in Veenhuizen. Hij wordt opgevolgd door de 51-jarige Pieter van Roon. En vanaf dat moment lijkt het, aldus Smit, of 'alles wat tegenwoordig door my gedaan wordt, niet goed is'.

Alle bedelaars komen aan in de Ommerschans en twee à drie maal per maand trekt een groep vandaar naar Veenhuizen. Als Smit komt vragen of hij het transport als gewoonlijk zal begeleiden, vraagt de nieuwe onderdirecteur: 'Heb jij daarby zooveel belang?' Hij lijkt te suggereren dat Smit zich te goed wil doen aan de levensmiddelen die met zo'n transport meegaan.

Smit is tot nu toe gewend om pakjes en brieven in bewaring te nemen, maar dat verbiedt de onderdirecteur met 'de beledigende uitdrukking, houd je Klaauwen eraf'. Zulke dingen worden gezegd waar iedereen bij is en daardoor dreigt Roelof Coenraads Smit 'het gezag het welk tot de veiligheid vereischt wordt te verliezen'.

Hij kan niets meer goed doen. Het wordt hem verboden als hij iemand die meermalen ontvlucht is de boeien aan wil doen. Waarom mag hij 'geen stilte gebieden aan de op de plaats schreeuwende en tierende Kolonisten'? En als de inspecteur der koloniën Wouter Visser hem gelast heeft het afgekeurde meubilair te vernietigen, wordt dat hem belet alsof 'ik myn voordeel zoude zoeken uit een stuk oude deken'.

Kortom, de nieuwe onderdirecteur vertrouwt hem niet en het lijkt, schrijft Smit, 'dat aan alle mijne handelingen eenen  verkeerde bedoeling en uitlegging wordt gegeven'. Daarom wendt hij zich tot de adjunct-directeur van de Ommerschans. Smit ziet er van komen dat er 'strafbare handelingen door my in drift zouden kunnen worden uitgevoerd als brutaliteit, insubordinatie enz, waardoor ik diep ongelukkig zoude kunnen worden'. Hij wil dat Hulst ingrijpt zodat 'de onaangenaamheden ophouden en ik mynen dienst als vroeger met vreugde kan waarnemen'.

Of de adjunct-directeur echt iets gedaan heeft, heb ik (nog) niet kunnen vinden, maar Roelof Coenraads Smit zal tot zijn dood als onderbrigadier werken terwijl Pieter van Roon al na twee jaar ontslagen wordt.

(met dank aan Abdulwadûd voor de transcriptie)

Post-varia -4

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

 Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.


C & A Brenninkmeyer

Op 18 november 1847 rapporteert directeur Van Konijnenburg dat de in de Ommerschans verblijvende bedelaarskolonist F. Mulder (nummer 3008) 'na 3 jaren dienst bij de garnizoens compagnie, in het laatst van 1843 door Zijne Excellentie den Minister van Oorlog, met f 50.- s jaars is gepensioneerd, waarvan de acte bij C & A Brenninkmeyer te Dedemsvaart is berustende, bij wien hij er f 4.- op geleend heeft'.

Hé... C & A? In zo'n geval vraag ik meteen Helmuth Rijnhart. Helmuth doet prachtig werk op www.bonmama.nl. Als je bedelaars, hoevenaars of employées bij de Ommerschans zoekt, moet je altijd daar ook even kijken. Er wordt overlegd om zijn gegevens, die van mij die hier staan en die van het Drents Archief goed aan elkaar te koppelen dat het straks allemaal nog makkelijker wordt.

Helmuth vertelde mij dat Clemens en August Brenninkmeijer nooit in Dedemsvaart gewoond hebben. Er waren wel gevestigd Aegidius en Leo Brenninkmeijer, jongere broers van Clemens en August. Overigens wel in een huis dat eigendom was van C & A. En misschien - afgaande op de hierboven geciteerde brief - hebben ze daar wel een filiaaltje van het grootwinkelbedrijf-in-wording gerund.

De parremerente comiesie
Wilhelm Hendrikus Bijlaart is in 1838 met zijn gezin in de vrije kolonie Wilhelminaoord geplaatst, in zijn eigen woorden 'bij den Vriese Brug'. Hij is dan 36 of 37 jaar oud. Acht jaar later, op 20 juli 1846, wendt hij zich in wanhoop tot zijn broer 'S. Bijlaart Spiegel, fabriekant op de oudegragt, Utrecht'. Hij vraagt zijn broer of hij wil schrijven aan 'de parremerente comiesie' en hij geeft ook de naam van het lid van de permanente commissie die het daar volgens hem voor het zeggen heeft: 'den wel Edele Gestrenge Heer Faber van Riemsdijk lid van de tweede kamer die is voor de genneral van de bos in de plaats gekomen'.

Zijn broer moet in 'een zeer minzamen brief' vragen om strafvermindering. Bijlaart en gezin zijn namelijk veroordeeld tot de strafkolonie op wat hij noemt 'de onderschans'.

Dat is vier dagen eerder gebeurd, op de zitting van de 'Raad van Policie en Tucht in de Gewone Kolonien, op den 16e July 1846'. De vrouw van Bijlaart, Willemina Adriana van Putten, was betrapt op het verkopen van touw dat door een bestedeling in de fabriek gestolen was. Dat had nog kunnen aflopen met een paar dagen opsluiting in de strafkamer op de kolonie, maar rekening houdend met het feit dat 'de vrouw bijna alles te Noordwolde verkoopt, wat zij in huis heeft' en het feit dat haar man geweten moet hebben van de ontvreemding van het touw omdat hij tegelijk met de bestedeling in de fabriek aan het werk was geweest en tenslotte met de mening van de directie 'dat het huisgezin van Bijlard zeer ordeloos en geheel ongeschikt voor de gewone kolonien is', was de Raad gekomen tot een verbanning voor onbepaalde tijd naar de strafkolonie.

Dergelijke overwegingen komen niet voor in de brief van Wilhelm Hendrikus aan zijn broer. Integendeel, het lijkt of ze acht jaar lang modelkolonisten zijn geweest waar nooit iets op aan te merken was en met kinderen die uitblonken in de weverij. In de woorden van Bijlaart, 'dat wij hier altijd de naam hadden voor een zeer knap huisgezien'. Zijn vrouw had het alleen maar gedaan 'om er iets aan te verdienen en ook niet naa gedag dat er zulks its uit voord zoude komen'.

Interessant in de brief is hoe Wihelm Hendrikus denkt over het leven in de strafkolonie, want dat is dus het beeld dat vrije kolonisten hebben over wat hun altijd als mogelijkheid boven het hoofd hangt. Om te beginnen moet het eten daar beroerd zijn, in kwaliteit: 'wat gestamp eten en een aardappele brood', en in hoeveelheid: 'te veel om te leven en te weinig om te sterven'. Dat laatste bedoelt hij natuurlijk net andersom, maar goed, de bedoeling is duidelijk.

Daarnaast krijgt hij 'daar een veldwachter altijd bij mijn op mijn werk en bij mijn kinderen' en moeten ze temidden van tuig leven. Er zijn onder de bedelaars die gegeseld of gebrandmerkt zijn, 'alderlij ras is daar'. En tenslotte is de huisvesting krap en slecht. Het eigenlijke gebouwtje van de strafkolonie op de zuidwal van de schans bestaat uit tien 'huisjes', lees: kamers, waarvan een in beslag wordt genomen door de schoolmeester van de schans Haaije Hoogstra die als nevenfunctie het opzicht over de strafkolonisten heeft. Volgens Bijlaart staan de huisjes 'stijf van de want luizen' en is het gebouwtje overvol, met soms wel drie gezinnen in één huisje: 'daar moet men dan maar op de grond onder malkander liggen net als verkens'.

Dat overvol zou heel goed kunnen. In deze jaren met een toegenomen repressie verdwijnen er per zitting van de Raad van Policie en Tucht twee à drie gezinnen naar de strafkolonie en een stuk of tien alleenstaanden, dus kolonistenkinderen en bestedelingen. Die laatsten komen op de schans meestal bij de bedelaars op zaal, maar de gezinnen moeten allemaal naar het strafkoloniegebouwtje. En dan zijn er nog de raden van tucht bij de gestichten in Veenhuizen die ook regelmatig arbeidershuisgezinnen naar de strafkolonie sturen.

Kortom, het zal er vol zijn en al met al schetst Wilhelm Hendrikus Bijlaart een vreselijk beeld van de straf die hem wacht. 'Broeder als ik daar naa toe moet is gewis mijn dood.'

Het is onbekend of de broer uit Utrecht inderdaad aan Faber van Riemsdijk geschreven heeft, maar ook als dat het geval is geweest heeft het niet uitgemaakt. Bijlaart en zijn gezin worden in augustus 1846 overgebracht naar de strafkolonie. Zijn vrees dat hij het niet zal overleven wordt niet bewaarheid. Wilhelm Hendrikus, Willemina Adriana en de drie nog thuiswonende kinderen blijven gezond, één zoon gaat in militaire dienst, de rest keert na drie jaar verbanning terug naar de vrije koloniën, in dit geval  Willemsoord. Daar blijven ze nog vijftien jaar, tot Wilhelm Hendrikus, hij is dan inmiddels 61 of 62 jaar, met zijn vrouw deserteert.

(met dank aan Theo Zelders voor de transcriptie)

Als zij de kagchel in de school kwam potlooden
Nog even terugkomend op die hierboven genoemde schoolmeester van de Ommerschans Haaije Hoogstra. Hij had al een bijbaantje, voorzanger in de kerk, waarmee hij 25 gulden per jaar bijverdient, als hij in 1830 ook tot opzichter over de strafkolonie aangesteld wordt, wat hem 78 gulden per jaar oplevert. Vijf jaar later, hij is dan veertig jaar, raakt hij in opspraak. Hij heeft een jonge bedelaarskolonist, de 17-jarige Louis Lolkema, als hulpkracht in de school en die Lolkema verspreidt december 1835 het verhaal 'dat de Hoofd onderwijzer H. Hoogstra met de huisvrouw van den Arbeiders Kolonist Dirk Wiemes op eene gemeenzame wijze zoude verkeeren'.

Lezers van De proefkolonie kennen die vrouw van Wiemes, zij het niet bij naam. Maar als het Zeeuws meisje van de vierde linie dat trouwt met de ingedeelde bij proefkolonist Baade (Dirk Wiemes dus), wat het aller-allereerste van de duizenden kolonie-huwelijken is. Haar naam is Elisabeth Smies en ze is een voordochter van de proefkolonist Hubrecht de Ruiter uit Axel. Elisabeth heeft als bijklusje dat ze op de schans 'de Kerk en de School schoon houdt'. Volgens de hiervoor genoemde Lolkema is ze 'tusschen de school uuren' regelmatig bij Hoogstra 'in het Konsistorie Kamertje, doch niet wetende wat aldaar gebeurde, dewijl de deur dan digt was'. Bovendien heeft hij meermalen gezien 'als gemelde Vrouw de kagchel in de school kwam potlooden, zij met de meester zeer gemeenzaam was'.

Zoek ik uit. Ga ik volgende week mee verder!

Het godsdienststrijdfeuilleton (4)

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.


Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 10: Vertrouwelijk
Sommige van de klachten van de roomse Staatsraad kan de permanente commissie wel zonder hulp af. De schoolonderwijzer van het eerste gesticht is buiten elke verdenking door 'zijne waarlijke Christelijke denkwijze en gevoelens'. En een doordeweekse kerkdag een keer missen kan gebeuren 'in de drukte van de oogsttijd'. Dat zij zo, als het maar geen vaste prik is. En ook dat op de jongens Kiesling dwang zou zijn uitgeoefend, valt eenvoudig te weerleggen. 'De wet heeft de regten des Vaders bepaald' en die staat in zijn recht om het geloof van zijn minderjarige kinderen te bepalen.

Maar de ontkenning door de pastoor en kapelaan van hun schuld moet worden uitgezocht en dus moet Jan van Konijnenburg weer op pad. Op 31 maart doet hij verslag:

Stukje 73 - foto 1

 

In het archief werken vind ik altijd leuk, maar ik veer extra op als ik boven een brief zie staan 'vertrouwelijk'. Aha, denk ik, dit mag ik eigenlijk niet zien. En het is louter menselijk dat ik het dan absoluut wél wil zien. Toch??

Dat geldt ook voor dit schrijven. Er is blijkens de brief van Van Konijnenburg nog enige discussie mogelijk over de kip en het ei. Hebben de jongens nu eerst tegen de pastoor en kapelaan gezegd dat ze overwogen weg te lopen en hebben laatstgenoemden daarop gereageerd of is het plan helemaal uit de koker van de geestelijken gekomen. Daar durft Van Konijnenburg geen uitspraak over te doen, daar wil hij van af wezen. Maar dat daarna het plan is aangemoedigd en gefaciliteerd, dat weet hij zeker.

De jongens 'blijven erkennen van de H H Pastoor en Kapellaan te hebben bekomen, in f 3 geld, benevens een paar appels, tot eene versnapering'. Van dat reisgeld had Antonius bij terugkomst nog f 1,10 over en Willem 1,75, van welk laatste bedrag '25 centen van zijn eigen'. En verder hebben de geestelijken hun 'eene marsch-route voorgeschreven', hoe de jongens moesten lopen en bij wie ze onderweg terecht zouden kunnen.

Eerst naar de Dedemsvaart, dan door naar Vilsteren wat van oudsher een katholieke enclave is, en dan door naar 'den Hohenhorst'. Dat laatstgenoemde Hohenhorst kan ik - dit even terzijde - dus helemaal nergens vinden. Heeft iemand een suggestie waar in Nederland dat uithangt??

Om de weg voor hen te bereiden zou 'de Kapellaan over den post aan den Pastoor, over deze jongelingen schrijven'. Hij zou daarbij ook al aandacht vragen voor hun verdere toekomst, hij zou 'aan de H H pastoors te Vilsteren en Hogenhorst, aan wie zij geadesseerd waren, schrijven, om hen aan eene dienst bij landlieden aldaar te helpen'.

Dat was ook gebeurd, in ieder geval zo ver als ze gekomen waren, 'hebbende de pastoor van de Dedemsvaart hen in ’t algemeen aanbevolen naar R. C. boeren te gaan, om nacht verblijf te kunnen bekomen'. Daar waren ze gestrand omdat ze bij zo'n boer thuis waren opgepakt. Maar het was volgens Van Konijnenburg absoluut helemaal gepland en gestuurd.

En als klap op de vuurpijl heeft hij een schriftelijk bewijsstuk dat hij meestuurt!


Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 11: De reiswijzer
Het bewijsstuk duidt Van Konijnenburg aan als 'een reiswijzer', die 'de Kapellaan eigenhandig geschreven heeft, in bijwezen des Pastoors, in het hiernevens gevoegd geschreven Godsdienstig Onderwijs-boekje' van een van de jongens. Het is het laatste vel van dat boekje dat zich bevindt in batch 444.

Dat boekje, even terzijde, bevestigt mijn vermoeden dat ik al langer had dat het godsdienstonderwijs van die tijd niet veel meer is dan het uit het hoofd leren van vaste formules. Het boekje staat vol met vragen en antwoorden in de trant van: 'V: Is het Vormsel ook een sacrament? A: Ja omdat het heeft drie deelen, een uitwendig teken, de inwendige genade en de instelling van Christus.' En bijna identieke vraag-en-antwoorden bij het 'doopsel', het 'oliesel', de biecht, het 'sacrament des altaars' en de mis. Bij die laatste dan allemaal subvragen: 'V: Waaraan kan men zien dat het aan de Consecratie is? A: Als de misdienaar voor de tweede maal schelt en de misdienaar agter de priester gaat zitten.'

Enzovoort enzovoort. Allemaal opgeschreven in het keurige handschrift van Willem Kiesling, die zichzelf overigens 'W. Kiezeling' noemt, maar dat scheelt maar twee letters dus daar doen we niet moeilijk over. Waar het in dit geval echter om draait is het niet door hem geschreven stukje op de laatste bladzijde:

Stukje 73 - foto 2

Daar staat de marsroute (pak er voor het gemak even een atlas bij, dan kun je met de jongens 'meelopen'):

- Peest
- Zeijen
- Rhee
- Loon
- Rolde
- Grollo
- Elp
- Westerbork
- Eursinge
- Drijber
- Hoogeveen
- Alteveer
- Vaart

Die laatste is dus de Dedemsvaart en dan zijn we er nog niet, want er hoort nog een los velletje bij voor de rest van de reis en dat volgt in de slot-aflevering van het feuilleton.

 

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 12 en slot: De reiswijzer vervolg
Het vervolg van de reis staat op een los velletje en luidt - we waren gebleven bij de 'Vaart', waarmee de Dedemsvaart bedoeld werd - en dan gaat die:
- 'van de Dedemsvaart na Doevelaar'
- 'van deze na de Bisschopshaar'
- 'en dan op Ommen'
- 'van hier op Vilsteren'
- 'en van Vilsteren op den Hohenhorst'.

Kijk hier zelf maar (batch 441 scan 625) zodat jullie weten dat ik niet lieg:

Stukje 73 - foto 3

Zoals in het eerste deel van de reiswijzer al gemeld moesten ze zich te Vilsteren melden bij 'den WelEerw. Heer Dijkhuizen te Vilsteren' en daarna op 'de Hohenhorst bij den WelE.Heer Tempelman'.

Tempelman...? Tempelman...? Zou dat die vogel zijn die eerst als kapelaan op de Ommerschans werkte en het vertikte de mis af te raffelen als de protestanten buiten stonden te blauwbekken? Het zou best eens dezelfde kunnen zijn, maar dat is verder niet van belang want zover zijn de jongens toch niet gekomen.

Hoedanook vormen deze briefjes hard bewijs dat de pastoor en de kapelaan de ontvluchting hebben gestimuleerd en gefaciliteerd. Dominee Ruitenschild gaat er eens lekker voor zitten om 'de Staatsraad belast met de directie van het Ministerie voor de Zaken der R. K. Eeredienst' links en rechts venijnig om de oren te geven. 'Hier is meer, dan met eene enkele ontkenning kan worden uitgewischt; hier bestaat eene daadzaak die bij ons gevolgen heeft.' Hier is sprake van opzet. Het is bewezen dat 'één der R C Geestelijken te Veenhuizen met eigen hand de reiswijzer heeft geschreven, waarvan de kinders zich moesten bedienen'.

Ruitenschild heeft er echt lol in. De Staatsraad krijgt een kopie van de reiswijzer. 'Het originele van dat stuk is onder ons berustende, evenzeeer als de later ons ter hand gekomen en mede door de geestelijke eigen handig geschreven adressen der personen, bij wie de kinders zich te Vilsteren en op de Hohenhorn hadden aan te melden.'

'In deze omstandigheden,' besluit dominee Ruitenschild de oorwassing, 'zal UHEG het ons wel te goede willen houden, dat het geen de R. C. geestelijken te laste wordt gelegd, meer dan een bloot vermoeden is.'

Het antwoord van de Staatsraad heb ik niet gezien. En ik ga ook niet zoeken, want ik vind het wel mooi zo. Het verhaal zou alleen nog een apotheose kunnen krijgen als de Staatsraad door het stof gaat en de pastoor en kapelaan voor straf overplaatst naar een missiepost helemaal achterin een van onze overzeese gebiedsdelen. Maar dat, gezien de manier waarop iedereen de hele tijd zijn stand hooghoudt en toch nooit ongelijk toegeeft, dat zit er gewoon niet in.

 

Het godsdienststrijdfeuilleton (3)

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 7: Zulk een dwazen ijver
Jannes Poelman en Augustinus Textor zitten met die verklaring in hun maag. Normaal is dat teruggebrachte deserteurs moeten verschijnen voor een uit personeelsleden bestaande Raad van Tucht. Hetzij de 'Raad van Tucht voor weezen, vondelingen en verlatene kinderen' hetzij de 'Raad van Tucht voor arbeidershuisgezinnen'. Maar als deze verklaring daar ter tafel komt, is in no time op de hele kolonie bekend dat de katholieke geestelijkheid jongeren stimuleert om weg te lopen! Dat wordt chaos.

Het is niet de bedoeling dat lagere personeelsleden zelf nadenken, dat dienen ze over te laten aan de directeur. Jannes Poelman stuurt meteen de volgende dag het proces verbaal van het verhoor naar Jan van Konijnenburg met een begeleidend briefje dat er punten instaan 'waarvan men in den Raad niet gaarne melding zoude willen maken'. En hij vraagt de directeur wat hij moet doen, of 'het in dit geval niet beter zoude zijn, de jongelingen eenvoudig voor den Raad van Tucht als gewone deserteurs te doen verschijnen, zonder daarbij het verhoor in aanmerking te nemen'.

Jan van Konijnenburg is geschokt te lezen dat de roomse geestelijkheid jongens van 17 en 15 jaar 'tot ongehoorzaamheid aan hunne ouders en verstooring der goede orde in het gesticht heeft opgezet'. Hij noemt het 'een aller ongepast gebruik van hunnen invloed' en hij maakt zich zorgen over de gevolgen van 'zulk een dwazen ijver'. Het is gevaarlijk voor de rust en orde in de kolonie, hij denkt aan het eerdere uitjoelen en met steentjes gooien - 'waar aan men de geestelijkheid niet geheel onschuldig hield' - en de onrust zou makkelijk kunnen overslaan naar de bedelaarsgestichten.

Hij bedenkt ook nog een argument tegen Poelmans voorstel om de jongens voor de Raad van Tucht te brengen zonder van de bemoeienis van de pastoor en kapelaan te reppen. Teruggebrachte deserteurs worden altijd veroordeeld tot acht dagen in de strafkamer 'om de andere dag te water en brood' - als ze voor de tweede keer zijn weggelopen moeten ze die acht dagen 'met boeijen aan' in de strafkamer doorbrengen, als het voor de derde keer is vliegen ze naar de strafkolonie op de Ommerschans - en worden daarnaast veroordeeld tot de 'premie- en transportkosten'.

Degeen die ze heeft teruggebracht krijgt drie gulden voor elke wegloper en daarnaast worden zijn reiskosten vergoed. Dat bedrag wordt dan ingehouden op het tegoed aan oververdienste in het spaarbankboekje van de wegloper. Maar in dit geval zou dat volgens Van Konijnenburg 'tot een onregtvaardig vonnis leiden, daar niet die kinderen, maar de geestelijkheid strafbaar is en de kosten van terug brenging zoude behooren te vergoeden'.

Het is ook niet de bedoeling dat de directeur teveel zelf nadenkt, dat dient hij over te laten aan de permanente commissie en dus stuurt hij meteen het hele zaakje daarnaartoe.

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 8: Zoodanige teregtwijzing
De permanente commissie houdt elke dag een dagagenda bij en daar wordt genoteerd dat de brief van Van Konijnenburg met als bijlagen het briefje van Poelman en het proces verbaal van het verhoor van Antonius en Willem Kiesling op de 27e januari bij haar binnenkomt als nummer 13 van de agenda. Er is geen twijfel wat op de brief moet worden genoteerd als vervolgactie, het 'moet dadelijk aan de Hr Ruitenschild worden medegedeeld' en die wordt 'om rapport gevraagd'.

Er heeft eigenlijk altijd wel een dominee in de permanente commissie gezeten. Alleen de eerste, Paulus van Hemert, die met Johannes van den Bosch en Jeremias Faber van Riemsdijk de eerste permanente commissie vormde, was niet meer praktizerend. Na zijn dood werd hij opgevolgd door dominee J. Sluiter uit Den Haag, over wie ik verder op internet weinig kan vinden, maar die goed werk heeft gedaan, onder andere door in 1829 de hele tuchtwetgeving op nieuwe en overzichtelijker leest te schoeien.

Dominee Sluiter overlijdt begin 1837 en dan wordt zijn plek ingenomen door dominee Gerrit Ruitenschild. Midden dertig en volgens deze pagina is hij op het moment wijkpredikant van het Noordeinde in Den Haag en zal hij over enkele jaren hofpredikant worden, in welk verband hij onder andere de uitvaartdienst van koning Willem II zal leiden en diverse koninklijke telgen zal dopen en belijdenis afnemen. Uit zijn activiteiten in de permanente commissie blijkt dat hij wel houdt van een robbertje vechten met roomsen.

Binnen een paar dagen heeft Ruitenschild zijn rapportje klaar en wordt besloten twee brieven uit te doen gaan. Die uitgaande brieven van de permanente commissie zijn meestal een ramp. Per definitie hebben we in het archief niet de net-versie, maar alleen het kladje, en dan doet men geen enkele moeite om een beetje goed leesbaar te schrijven. Nog afgezien van alle doorhalingen en bijgeschreven verbeteringen erin. Maar Luurt Vrijen heeft deze brieven voor mij gedaan en die is er bijna helemaal uitgekomen. Zie hier een stukje:

 Stukje 72

Eén brief gaat naar directeur Van Konijnenburg dat de jongens Kiesling voor de Raad van Tucht moeten verschijnen 'waarbij aanleiding en omstandigheden niet buiten behandeling behoeven te worden gelaten'. Sterker nog, het lijkt dominee Ruitenschild 'integendeel nuttig' als het duidelijk in het proces verbaal komt.

De tweede brief gaat naar 'de Staatsraad belast met de directie van het Ministerie voor de Zaken der R. K. Eeredienst'. Die krijgt een kopietje van het verhoor van de jongens en hem wordt gevraagd om te overwegen wat hij zou kunnen doen 'om de  bemoeijenis der R. K. Geestelijken te Veenhuizen binnen de grenzen hunner kerkelijke roeping beperkt te houden'. De permanente commissie wijst erop dat het 'hoogst bezwaarlijk, ja ondoenlijk' wordt om de orde in de kolonie te handhaven als de geestelijkheid 'in plaats van gehoorzaamheid aan de bestaande bepalingen door les en leering te bevorderen, zich integendeel veroorlooft het heimelijk ontloopen aantemoedigen'.

Wat hij dan zou moeten doen wordt ook al ingevuld. Hij moet zorgen dat 'de R. K. Geestelijken te Veenhuizen ten deze zoodanige teregtwijzing mogen ontvangen als strekken kan, om hen van handelingen, welke het bestuur bemoeijelijken, terug te houden'.

Zo. In de hoek gezet.

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 9: Volstrektelijk tegengesproken

Een paar dagen later moeten Antonius en Willem Kiesling voor de 'Raad van Tucht van weezen, vondelingen en verlatene kinderen' verschijnen. Het hele verhaal wordt uit de doeken gedaan en 'in aanmerking nemende, dat veeleer de oorzaak dezer desertie toegeschreven moet worden door de aanmoediging der R. C. Geestelijken, als wel uit den vrijen wil der Jongelingen zelven' krijgen ze in plaats van acht dagen slechts vier dagen strafkamer. Maar wel, en dat is niet consequent, moeten ze allebei een tientje betalen aan premie en transportkosten.

De reactie van 'de Staatsraad belast met de directie van het Ministerie voor de Zaken der R. K. Eeredienst' laat een maandje op zich wachten. Want die laat natuurlijk niet zomaar over zich heen lopen. Als hij op 6 maart dan reageert, gaat hij vol in de tegenaanval. Het was hem in de brief van de permanente commissie opgevallen dat de pastoor en de kapelaan van Veenhuizen niet waren gehoord. En omdat het van zijn kant 'niet regtmatig zoude geweest zijn, die geestelijken te veroordeelen, zonder bewijs van hunne schuldpligtigheid te bezitten', had hij eerst zijn oordeel opgeschort en aan 'den Hoog Eerwaarden Heer Aartspriester van Salland, Drenthe  en Groningen' opdracht gegeven het helemaal uit te zoeken.

Die aartspriester heeft de betreffende geestelijken ondervraagd en doet verslag in een stuk dat de Staatsraad nu meestuurt. Helaas vraagt hij om dat stuk na beantwoording weer terug te sturen, zodat het zich niet meer in het archief van de Maatschappij bevindt, maar uit het begeleidend schrijven en het latere antwoord van dominee Ruitenschild valt wel af te leiden wat er ongeveer in staat.

Om te beginnen kan worden gemeld dat door de pastoor en kappellaan 'de beschuldiging volstrektelijk wordt tegengesproken'. Het is niet waar, ze hebben de jongens niet aangemoedigd te vluchten. Maar daarnaast zijn uit het gesprek tussen hen en de aartspriester een aantal klachten naar voren gekomen over het handelen van de Maatschappij jegens het katholieke geloofsdeel die volgens de Staatsraad hoognodig moeten worden uitgezocht. 'Inzonderheid, dat de kinderen van den Kolonist Kiesling, respectivelijk 15 en 17 jaren oud, met geweld zouden zijn gedwongen, “hunne godsdienst te verzaken en tegen de inspraak van hun geweten te handelen”.'

Dan schijnt er ook iets te zijn met de manier waarop 'de schoolonderwijzer aan het 1e Gesticht aangaande hel en duivel zou leeren' wat niet door de katholieke beugel kan en tenslotte wordt het de roomse kolonisten stelselmatig moeilijk gemaakt 'om op de in de week vallende kerkdagen de godsdienstoefening te kunnen bijwonen'. De Staatsraad wil graag zo snel mogelijk horen wat er aan al die klachten gaat gebeuren

De Staatsraad wil graag zo snel mogelijk horen wat er aan al die klachten gaat gebeuren.

Het godsdienststrijdfeuilleton (2)

Kolonioloog

'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.


Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 4: Luid gejouw en getier en steentjes gooie
De bekering van Jan Kiesling komt niet helemaal uit de lucht vallen en heeft een voorgeschiedenis. Allebei zijn ouders waren rooms, maar Jan verklaart nu 'van zijner jeugd af aan, weinig ingenomenheid met de R: C: Godsdienst gehad te hebben'. Hij ging altijd veel om met protestanten en ook wijlen zijn echtgenote, de in aflevering 1 even genoemde Aafje Zeeman, was van die gezindheid. Zij is pas later in haar leven lidmaat geworden en Jan zegt nu dat hij met haar 'mede zou te leeren zijn gegaan, had hij zulks om zijnen ouden vader niet nagelaten'.

Die oude vader is een jaar geleden gestorven, waarna Jan 'zijn voornemen eindelijk heeft volvoerd'. Hij meldt zich in september 1844 bij de hervormden, waar hij 'eerst bij wijlen Do van Rinteln en vervolgens bij Do Jansen is te leeren gegaan'. ((Zoals veel invoerders al wel gemerkt zullen hebben: als je voor een naam Do ziet staan, betekent dat dominee. Wat we tegenwoordig overigens met een kleine letter schrijven.))

Uiteraard komt er tegenvuur. Tot twee keer toe en met een dusdanige intensiteit dat directeur van Konijnenburg er de omschrijving 'grof' voor gebruikt. Hij vertelt dat Jan 'eerst door den Heer Kapellaan, aan de pastorie en daarna, door Pastoor en Kapellaan, aan huis van den zaalopziener Nijman, daarover grof is onderhouden geworden'. Dat maakt wel indruk, maar Jan Kiesling - in de woorden van Van Konijnenburg: 'hoe eenvoudig boersch hij ook is' - blijft bij zijn voornemen protestants te worden.

Genoemde zaalopziener Bernard Nijman is een militaire veteraan, voormalig sergeant, die sinds 1839 in de kolonie is en sinds kort, 19 juli 1844, bevorderd tot zaalopziener in het eerste gesticht. Hij is rooms en heeft dus ook twee zalen met roomse weeskinderen onder zijn hoede. Waaronder ook kinderen uit het gezin Kiesling, want die zijn - zie aflevering 1 - deels op de zalen van het kinderetablissement ondergebracht.

Die kinderen hebben het er zwaar mee. Het voornemen van hun vader leidt tot 'gemompel en afkeuring, onder de R C kinderen van het gesticht'. Op zondagochtend langs de hoofdvaart op weg naar het kerkelijke stuk van de kolonie, zie hier over die kerkjes, wordt dat erg. Directeur van Konijnenburg beschrijft dat het 'zoo verre ging, dat het langs den weg naar de Kerken, tot luid gejouw en getier onder de oudste R C kinderen oversloeg'. Hij heeft ook vernomen dat 'de Oude Kiesling door jongens van de R: C gezindheid, met steentjes was gegooid'.

Er is bij de rest van de staf verontwaardiging dat 'de zaalopzieners Nijman en Meijer weinig of niets in het werk stelden' om dat tegen te gaan. Ze krijgen op hun donder, ze worden 'over hunne slapheid ernstig onderhouden'.

En dan, het is half januari 1845, nadert het tijdstip dat Jan Kiesling belijdenis kan doen.

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 5: De tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826
Zondag 12 januari 1845 is het zo ver en wordt Jan Kiesling aangenomen als lidmaat van de hervormde kerk. De volgende dag wordt in het mutatieregister over de maand januari aangetekend dat 'Jan Kiesling No 322bis met zijne kinderen N 324-331bis van de Roomsche tot de Gereformeerde godsdienst is overgegaan'. Dat 'bis' is de aanduiding voor alle mensen die zijn geplaatst 'op de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826'. En de oude gezindheid wordt doorgestreept en vervangen door het nieuwe in het stamboek van de 'hulpbehoevende gezinnen, geplaatst op de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826'.

 stukje 71 - Kiesling

Zie het door mij zelf geschoten en dus amateuristische plaatje, maar ik denk dat ik toch maar eens moet gaan uitleggen wat die kreet van 'de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826' nu precies betekent. Even op de tanden bijten, daar komt-ie.

Op 1 maart 1823 sluit de Maatschappij van Weldadigheid een contract met het gouvernement dat in de koloniën zullen worden opgenomen vierduizend 'weezen, vondelingen en verlatene kinderen' à 45 gulden per kind per jaar. Die 45 gulden schiet het gouvernement voor, maar verhaalt ze daarna op de weeshuizen en gemeentebesturen waar die kinderen onder vallen. Dankzij die jaarlijkse inkomsten van (45 x 4.000 =) 180.000 gulden kan de Maatschappij in datzelfde contract beloven om helemaal gratis ook 1500 bedelaars en 500 arbeidersgezinnen op te nemen. De regering neemt tegelijk besluiten waardoor weeshuizen verplicht zijn kinderen op te zenden.

((Als aanstaande september mijn boek over de kinderkolonie uitkomt, zal ik een transcriptie van dat contract van 1 maart 1823 op internet zetten.))

Om dat volk onderdak te brengen, wordt in 1824-1825 de kolonie Veenhuizen opgericht. Maar dan...: die 4.000 kinderen komen niet allemaal. Weeshuizen en gemeentebesturen doen aan burgerlijke ongehoorzaamheid en wetsontduiking om weeskinderen bij zich te houden. Daarom wordt op 16 en 19 juni 1826 een nieuw contract gesloten, waarbij het oude contract wordt gehalveerd. Er komen dan dus 2.000 weeskinderen, 750 bedelaars en 250 arbeidershuisgezinnen. Daarnaast mag de regering dan als tweede helft van het contract nog 4.000 andere mensen in de koloniën plaatsen, zodra de Maatschappij aangeeft er klaar voor te zijn om ze te ontvangen.

Dan laatste duurt een dikke drie jaar en dan plaatst de overheid 'eenlopende personen op basis van de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826' die in de vrije koloniën worden ingedeeld bij koloniale gezinnen en ze plaatst op diezelfde basis verarmde gezinnen die in de woninkjes aan de buitenkant van de gestichten in Veenhuizen worden gehuisvest.

Zo, dat hebben we gehad. Let op! Heb je een familielid in die groep, weet dan dat ze overal weliswaar worden aangeduid als 'hulpbehoevend', maar dat die term verwijst naar het contract en het niet per se betekent dat het echt kneusjes zijn. Ze zijn gewoon - net als het merendeel van Nederland - arm.

Terug naar Jan Kiesling wiens inschrijving is veranderd. En tegelijk met hem ook de gezindheid bij de inschrijving van al zijn kinderen.

De gevolgen zijn het grootst voor de twee oudste kinderen. De een staat dus in een van de stamboeken als Lutherius Kiesling, maar dat klinkt mij wel erg hervormd in de oren, dus ik houd het verder op zijn andere vermelding: Antonius, van nu 17 jaar en Willem Kiesling van nu vijftien jaar. Uitgejoeld, met steentjes gegooid. Je moet er niet aan denken wat er 's avonds gebeurt op de rooms katholieke jongenszaal waar zij wonen. Daar zullen ze een dezer dagen wel vanaf gaan en dan overgaan naar een protestantse zaal, maar dat is in hetzelfde gebouw en ze blijven de katholieke jongeren ook tegenkomen op het land en in de spinzaal.

Het wordt zo erg en de jongens worden zo wanhopig dat ze zich wenden tot de roomse geestelijkheid op de kolonie. Dat hadden ze beter niet kunnen doen...

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 6: Na de cathegisatie
Op dinsdag 14 januari 1845 - twee dagen na de bekering van hun vader - lopen Antonius Kiesling (17) en Willem Kiesling (15) van de kolonie weg. Het is net de dag dat ze zouden overgaan van een katholieke naar een protestantse zaal, maar dat hebben ze niet afgewacht. Ze trekken door Drenthe naar het zuiden richting Dedemsvaart, dicht bij de Ommerschans. Maar vrijdagavond 17 januari worden ze te Vilsteren, nabij Ommen, gearresteerd 'ten huize van een boer'.

'Van daar zijn ze naar herwaards teruggevoerd en in den vroegen morgen van heden, bij het Gesticht teruggebragt door een politie dienaar van Ommen.' Met 'heden' wordt bedoeld zondag 19 januari en de schrijver van deze zin is de adjunct-directeur van het eerste gesticht, Jannes Poelman. Hij is al de hoogste baas van dat wezenetablissement sinds de start in 1824 en inmiddels is hij 75 jaar. Maar als in eerdere stukken al vaak gezegd: in die tijd waren de oudedagsvoorzieningen nog niet uitgevonden, je moest gewoon blijven werken tot je er dood bij neerviel. Dat laatste zal overigens binnenkort gebeuren, Jannes Poelman zal 14 maart 1845 overlijden.

Maar nu is hij nog vol leven en roept hij die zondagochtend de onderdirecteur-binnen er bij om samen de jongens te ondervragen. Die onderdirecteur is Augustinus Mattheus Jacobus Textor, 33 jaar en een zoon van de allereerste onderdirecteur Jacob Heinrich Textor, die in 1831 tijdens de mobilisatie tegen de afscheiding van België vrijwillig in dienst van de Gelderse schutterij was gegaan om tegen de opstandige Belgen op te trekken en daarvan nooit is weergekeerd.

De heren nemen de verklaring van de jongens 'Kieseling' - maar dat scheelt maar één lettertje dus daar doen we niet moeilijk over - op en maken er een proces verbaal van. De jongens, vernemen ze, zijn maandag 13 januari, de dag na hun vaders bekering, 'uit eigen beweging naar de Pastorij geweest, om den Pastoor te verstaan, of er geene mogelijkheid bestond, zij bij het R. C. geloof konden verblijven'. De dag erop, dinsdag, zijn ze gewoon naar de roomse cathechisatie geweest, wat Poelman en Textor schrijven als 'cathegisatie' en hebben ze daar 'de gewone Gods-dienst waargenomen'.

Maar na afloop van de cathechisatie wordt Antonius 'door den Kapellaan in de binnen kamer geroepen'. Daar is ook de pastoor aanwezig. En nu komt het: 'Toen is hij door de beide Heeren aangemoedigd, om met zijnen broeder Willem, weg te loopen, daartoe verstrekkende drie gulden in zilvergeld met eenige appelen.'

Het godsdienststrijdfeuilleton

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.


Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 1: Jan Kiesling
Jan Kiesling is een weduwnaar van midden veertig die in november 1842 in de kolonie aankomt met een hele rits kinderen. Echtgenote Aafje Zeeman is - volgens wiewaswie - op 1 december 1839 overleden. Een half jaar later overlijdt een kindje van 0 jaar van haar en Jan, dus je mag er van uitgaan dat Aafje als zovele vrouwen is bezweken aan een moeizame bevalling.

Jan Kiesling en zijn kinderen worden gerekend tot de 'hulpbehoevende gezinnen, geplaatst op de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826', wat ik nog steeds een keer moet uitleggen, maar dat komt nog ergens later in de loop van het feuilleton. Nu is alleen van belang dat ze gehuisvest worden in een van de arbeiderswoningen aan de buitenkant van het eerste gesticht te Veenhuizen. Het hele gezelschap komt uit het plaatsje Zijpe in de kop van Noord-Holland en voorzover ik kan nagaan hebben ze daar ook altijd gewoond.

 Stukje 70 - foto

Volgens het stamboek van de 'hulpbehoevende gezinnen, geplaatst op de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826' (Drents Archief toegang 0186 invnr 1399) heeft Jan de volgende kinderen bij zich:

- Dirk Kiesling, bij aankomst 17 jaar oud, hij zal juli 1844 weglopen van de kolonie en wegblijven en dus in dit verhaal verder geen rol spelen;
- Lutherius Kiesling, die echter in de meeste koloniale stukken Antonius genoemd wordt, bij aankomst 15 jaar;
- Willem Kiesling, bij aankomst 13 jaar;
- Antje Kiesling, bij aankomst net 12 geworden, zij zal in 1848 op de kolonie overlijden;
- Maartje Kiesling, bij aankomst 9 jaar oud;
- Marijtje Kiesling, bij aankomst 8 jaar;
- Jan Kiesling, bij aankomst net 7 geworden;
- Aafje Kiesling, bij aankomst 5 jaar;
- Ariaantje Kiesling, bij aankomst 4 jaar.

Zoveel kinderen kan een man alleen niet verzorgen en daarom wordt een aantal ondergebracht bij de weeskinderen in hetzelfde gesticht. Welke precies valt niet te achterhalen want dat wordt niet in de stamboeken aangetekend, maar in ieder geval de oudsten gaan op de zalen wonen. Dat is allemaal okay, dat is geen probleem. Wél een probleem is dat Jan Kiesling bij zijn aankomst is ingeschreven als rooms-katholiek en hij na een paar jaar iedereen van de sokken blaast met de melding dat hij wil overgaan tot het hervormde geloof!!

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 2: Getrouw aan de belofte jegens zijne onvergetelijke moeder
Na het uiten van die wens krijgt Jan Kiesling eerst te maken met dominee Van Rinteln, die eventjes in dit stukje genoemd wordt en die zeer prominent in beeld is bij de orgel-kwestie. Die is er best wel happig op, maar Kornelis van Rinteln overlijdt op 10 oktober 1844. Wat we al een beetje zagen aankomen gezien de vermelding van zijn zwakke gezondheid in 1840 in dit stukje.

Jan Kiesling komt dan terecht bij dominee Jansen. Dat is zo'n naam die ik NIET ga checken op www.alledrenten.nl, want dan ben ik over een week nog bezig. We zullen het dus moeten doen met summiere informatie, maar we mogen er gerust van uitgaan dat ook hij behept is met bekeringsdrift. Want dat zijn ze allemaal.

Ter illustratie daarvan pak ik even dominee Campagne van de Ommerschans er bij, die het presteert  om het overgrote merendeel van 'het gewoon jaarlijksch verslag der staat van godsdienst en zedelijkheid in de kolonie Ommerschans' over 1842, te besteden aan door hem bewerkstelligde bekeringen. Na korte opmerkingen over het bezoek aan en het enthousiasme voor de openbare godsdienst oefeningen, de opbrengst van collectes en de belangstelling voor de catechisatie, meldt hij dat van de 47 mensen die dit jaar tot lidmaat werden aangenomen, er drie voorheen als katholiek te boek stonden. En daarna behandelt hij die drie cases uitgebreid en triomfantelijk.

Allereerst Marinus Bernardus van Dinter. Zoon van een protestantse moeder en een katholieke vader. Marinus had 'aan zijne moeder op haar sterfbed beloofd, wanneer, na haren dood, zijn vader niet voor hem zorgde, maar aan zijn lot overliet, gereformeerd te zullen worden'. Na de dood van zijn moeder wist hij niet waar zijn vader uithing en 'nam hij onverwijld den toevlugt, door nood gedwongen, tot de kolonie'.

Dat was zijn eerste opname, april 1840, Marinus is dan zestien jaar oud. Na twee maanden wordt hij overgeplaatst naar Veenhuizen en in juli 1841 wordt hij ontslagen. Maar in augustus is hij er weer. Inmiddels flink gegroeid. Was hij bij zijn eerste opname 1,46 meter, nu staat hij voor 1.55 meter in het stamboek. Dit keer blijft hij op de Ommerschans en - 'getrouw aan de eenmaal afgelegde belofte jegens zijne onvergetelijke moeder' - vraagt hij deel te mogen nemen aan de hervormde cathechisatie. Hij volgt die trouw, leert twee jaar lang buitengewoon vlijtig en 'verheugde zich over het geluk hem ten deel gevallen'.

Die verheugdheid schijnt dan vooral te betreffen 'de voortreffelijke woorden uit de tien geboden: "Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen".' Met degenen voor wie je niet moet buigen en die niet gediend moeten worden, zal de dominee dan de roomsen bedoelen. Die natuurlijk actief proberen de overstap tegen te gaan, want er is sprake van 'de pogingen, om toch niet van geloof te veranderen, door den kapellaan alhier aangewend'.

Maar Marinus Bernardus staat pal, of in de woorden van dominee Campagne 'blijft volstandig', blij als hij is 'eindelijk ontslagen te zijn van dat bijgeloof' en hij doet belijdenis en wordt aangenomen als lidmaat.

Daarna mag hij van de predikant worden overgeplaatst naar Veenhuizen, vanwaar hij enkele jaren later vertrekt om in dienst te gaan bij de marine.

Bij de tweede case zijn de godsdienstige gezindheden van de ouders van de bekeerling precies andersom.

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 3: Gij hebt veel te slecht geleefd
De vader van Albert Joseph Kraandijk was protestant en zijn moeder katholiek. Naar ik begrijp was die vader al overleden toen Albert in Amsterdam werd geboren en daarop werd hij rooms gedoopt, ontving hij roomse godsdienstlessen en werd hij lid van de roomse kerk. 'Later tot onderscheid van jaren gekomen,' aldus dominee Campagne, vernam hij 'van zijns vader bloedverwanten, dat, voor het voltrekken des huwelijks, door zijne ouders bepaald was, de kinderen uit dit huwelijk voortgesprooten, zouden worden opgevoed in de christelijke hervormde leer'.

Maar als gezegd, dat is de lezing van dominee Campagne en het past wel erg in zijn straatje, dus hoe volledig waarheidsgetrouw het is weet ik niet.

Op de Ommerschans gekomen - vanuit Dedemsvaart dus waarschijnlijk een vrijwillige opname - besluit de ongeveer vijftig jaar oude Albert om alsnog 'aan de overeenkomst tusschen zijne ouders gesloten, gevolg te geven'. Na de nodige catechisatie om hem bij te spijkeren, wipt hij over vlak voor hij op 1 april 1842 ontslagen wordt.

De derde case van dominee Campagne is geen nakomeling uit een gemengd huwelijk. Johanna Makkee is een 'dochter van Roomsch Catholijke ouders, gedoopt, opgevoed in en lidmaat der Roomsch Cath. Kerk'. Oorspronkelijk afkomstig uit Utrecht, is ze halverwege de twintig als ze in Arnhem in het ziekenhuis belandt. Ze 'beschouwde zich, door eigen schuld hare ziekte op den hals gehaald hebbende, als een groote zondaresse'. Vermoedelijk heeft ze dus een geslachtsziekte. Ze laat de pastoor komen. Maar als die over 'hare levenswijze' gehoord heeft, wordt hij 'gramstoorig en vertrok, zonder haar eenigen troost toetedienen, met de woorden: gij hebt veel te slecht geleefd, ik kan u niet helpen, en liet haar alzoo aan haar treurig lot over'.

Johanna begint stevig te bidden en praat 'in dat klaaghuis met haar lotgenooten, welke haar raadden om tot een protestantsche predikant den toevlugt te nemen'. Volgens het relaas van dominee Campagne is de plaatselijke predikant snel ter plekke, waarna hij Johanna met troostende woorden 'verkwikte en opbeurde'. Zodat Johanna meteen na aankomst op de Ommerschans op Campagne toerent om aan de cathechisatie deel te nemen.

'Zij is reeds met een dankbaar hart, geheel hersteld, na een alhier gehouden voorbeeldig gedrag, met een volledige kerkelijke attestatie vertrokken en dient thans in de gewoone maatschappij bij christelijk hervormde burgerlieden en hare levenswijze sedert eenige maanden, volgens ingekomen berigten, laat niets te wenschen overig.'

En dat is dan nog maar een verkorte versie van het jaarverslag van dominee Campagne, die tenslotte nog kan melden dat er geen verliezen zijn geleden: 'Wat de overgangen aangaat van protestantsche leden dezer gemeente tot de Roomsch kath. heeft deze gemeente zich dienaangaande niets te betreuren.' Je zou dus kunnen zeggen dat het seizoen in een 3-0 overwinning is geëindigd.

Kortom, er wordt door de protestanten hard aan getrokken. Als gezegd weet ik van dominee Jansen in Veenhuizen niet veel, maar de genoemde Jan Kiesling zal ongetwijfeld juichend binnengehaald zijn, terwijl de pastoor en de kapellaan staan te tandenknarsen.

Liefde in het bedelaarsgesticht, deel 4a: de doofstomme klompenmaker

Kolonioloog

'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Laat ik er meteen maar nog een doofstomme achteraan doen, dat past wel mooi bij vorige week! Deze staat, zoals dat wel vaker voorkomt bij bedelaarskolonisten, ingeschreven als ‘N.N.’ Bedelaarsnummer 2038 in het boek ‘gemerkt F’, doorlopend in het boek ‘gemerkt G’. Naast de onbekende naam zijn er een onbekende geboortedatum, onbekende geboorteplaats en onbekende godsdienstige gezindheid. Ja, je kunt het niet vragen.

Wel bekend is dat hij op 29 april 1830 is aangekomen uit Groningen, dat hij lang is één el en 547 strepen, dat hij ‘ligtbruin’ haar heeft en ‘ligtblaauwe oogen’, een kleine neus en spitse kin, en bij de ‘merkbare teekenen’ staat ‘stom en doof’, maar dat had ik al verklapt. Na twee maandjes Ommerschans wordt hij gedetacheerd in Veenhuizen.

Hij komt in de post voor omdat hij najaar 1834 een rekwest heeft ingediend met een verzoek om ontslag. Dat snap ik niet. Als je een rekwest kunt schrijven of kunt laten schrijven, dan kun je ook duidelijk maken hoe je heet en wanneer je geboren bent. Toch?

Het verzoek wordt mede ingediend door bedelaarskolonist 734. Maria Hendrika Nederhoed, 22 jaar en afkomstig uit Winschoten, tien centimeter korter dan N.N. en volgens het signalement verder voorzien van een ‘dikke neus’ en ‘ronde kin’. Zij staat na twee jaartjes Ommerschans en Veenhuizen op het punt ontslagen te worden en dat is de reden dat het rekwest is geschreven, want zij en N.N. hebben trouwplannen!

Een rekwest, meestal gericht aan de koning of diens familieleden, gaat altijd naar het ministerie van Binnenlandse Zaken dat een advies over het rekwest uitbrengt dat zijne majesteit nagenoeg altijd navolgt. Om te kunnen adviseren stuurt Binnenlandse Zaken het eerst naar de gouverneur van de provincie waar de rekwestrant vandaan komt en die informeert bij de desbetreffende gemeente. Als de mening daarvan bij Binnenlandse Zaken binnen is, gaat het hele pakket voor ‘berigt, konsideratien en advys’ naar de Maatschappij van Weldadigheid.

Van Konijnenburg verzamelt daarop de meningen van de staf over N.N. en meldt: ‘Deze is doof en stom, doch anders een sterke en vlijtige jongen, die het klompenmaken te Veenhuizen zoo verre geleerd heeft, dat hij als knecht, buiten de kolonien, mogelijk in zijn onderhoud zou kunnen voorzien.’ Maar om dat ambacht als baas uit te oefenen is N.N. nog niet goed genoeg en Van Konijnenburg kan zich ook niet voorstellen dat hij al in staat is een gezin te onderhouden. ‘Daarbij is hij nog jong en het is dus in zijn welbegrepen belang, dat hij zich eerst nog verder bekwame, alvorens hij uit de kolonien worde ontslagen.’

Die mening stuurt de permanente commissie - inclusief het originele rekwest en de opvattingen van de gemeente en gouverneurs; jammer genoeg zitten zulk soort spullen dus niet in het archief van de Maatschappij - naar Binnenlandse Zaken op 10 november 1834. Maria Hendrika Nederhoed is dan al ontslagen. Maar N.N. zit nog in Veenhuizen.

Januari 1835 komt het ministerie van Binnenlandse Zaken er op terug. Ze hebben er nog eens over nagedacht en ze snappen het niet helemaal. Ze kunnen zich niet voorstellen ‘hoedanig die doofstommen thans deszelfs verlangen om ontslag te kennen zou hebben kunnen geven’. Daarom vragen ze zich af of hij het wel écht wil.

Daarnaast kunnen ze zich niet voorstellen wat de vooruitzichten voor Maria Hendrika Nederhoed zijn ‘om met dien ongelukkige een huwelijk aantegaan’. Hoe moet dat gezin aan de kost komen? Als... het al tot een huwelijk kan komen. Want het ministerie vraagt zich in gemoede af hoe de doofstomme N.N. ‘in staat mogt wezen, om zijn voornemen daartoe, genoegzaam duidelijk, aan den dag te leggen, om de voltrekking van dat huwelijk voor de ambtenaren van den Burgerlijken Stand mogelijk te maken’.

Volgens mij hoef je dan alleen maar ‘ja’ te knikken, maar het ministerie heeft nooit van lichaamstaal gehoord en heeft er blijkbaar behoefte aan de jonge huwelijkskandidaten tot op het bot te betuttelen. Of de Maatschappij hier maar op wil reageren?

Directeur Jan van Konijnenburg komt toch één keer per maand in Veenhuizen, dus dan kan hij halverwege januari 1835 meteen in gesprek met bedelaarskolonist nummer 2038 - zie eerdere stukje. Dat valt niet mee. Van Konijnenburg meldt dat N.N. ‘een weinig schrijven kan, doch te min, om zich, over de onderhavige zaak, voldoende te doen verstaan'.

Maar er is hoop, want ‘meer ervaren is hij in het spreken op de vingers'. Dat duidt er overigens op dat N.N. op het Guyot-instituut gezeten heeft. Met die vingers en met gebaren kan hij zich volledig duidelijk maken bij ‘zijne medgezellen in de klompenmakerij'. Gelukkig voor Van Konijnenburg is er een andere kolonist bij ‘die de vingerspraak voldoende verstaat' en via hem komt hij dingen van N.N. te weten.

Hij kan rapporteren dat ‘zijn verlangen wel is, om te worden ontslagen en om met de ontslagen kolonist M. H. Nederhoud een huwelijk aan te gaan'. Zelf heeft de directeur daar twijfels bij: ‘althans met haar te leven; want of hij wel een duidelijk denkbeeld heeft van het huwelijk, daaraan meen ik te moeten twijfelen.'

Er blijkt contact te zijn met de al ontslagen Maria Hendrika Nederhoed, want N.N. kan melden dat zij ‘zich te Roon, bij eenen bakker ophield', en dat stemt overeen met wat Van Konijnenburg weet. Of ze met Roon bedoelen Rhoon weet ik niet. Als toekomstperspectief ziet N.N. ‘dat hij, des zomers, in den turf wilde gaan werken en des winters klompenmaken zou en zoodoende in hun beider onderhoud zou trachten te voorzien'.

De directeur heeft daarbij dezelfde twijfels als het ministerie. Bijvoorbeeld 'of de ambtenaar van de Burgerlijken stand vrijheid hebben zou, dat huwelijk te sluiten, zonder meerdere of volkomener overtuiging, van het juiste begrip van het huwelijk van die doofstommen'.

Maar aan de andere kant...: N.N. is 'gewis méér dan 23 jaren oud', hij is gezond en sterk en ook nog eens vlijtig en inmiddels redelijk geschoold in het klompenmaken, dus er is eigenlijk geen ontkomen aan om hem binnenkort op te nemen in de jaarlijkse ontslagvoordracht. En dan moet het, aldus de directeur, maar overgelaten worden aan N.N. en aan Maria Hendrika Nederhoed, 'welke hij zekerlijk spoedig zal gaan opzoeken', of ze zich ergens bij de burgelijken stand aanmelden en dan moet maar afgewacht worden of die ambtenaar zich bevoegd voelt het huwelijk te voltrekken.

Hèhè, denk ik dan. Eindelijk wordt eens iets aan de mensen zelf overgelaten. Op 28 maart 1835 wordt N.N. ontslagen.

En... nee! Het spijt mij vreselijk jullie te moeten teleurstellen. Er is niets zo erg als lezers een domper te bezorgen. Maar het is niet anders.

Het wordt hem blijkbaar niet tussen Maria Hendrika Nederhoed en N.N. Na negentien maanden keert N.N. terug in het bedelaarsgesticht. Er is dan op de een of andere manier een naam bekend, hij blijkt te heten Johannes Ham. Hij is nu binnengebracht door Leiden en volgens deze inschrijving is hij een paar jaartjes jonger dan ze eerst dachten. Daarna wordt het min of meer bekende verhaal, hij wordt vrijgelaten, keert na een paar jaar terug, wordt vrijgelaten, enzovoort. Zijn laatste ontslag is in 1854, als hij dus rond de veertig jaar oud zal zijn. Maria Hendrika Nederhoed kom ik bij wiewaswie tegen als ze in 1844 in haar geboorteplaats Winschoten trouwt met een ook daarvandaan komende arbeider.

Het spijt me heel erg. Ik had het graag mooier voor jullie gemaakt.

Jean Pierre Vaubaillon, deel 2: Ik wil naar de Noordamerika!

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.


Het is een ‘achteruitgang der zaken van zijnen baas te Groningen’ die Jean Pierre Vaubaillon –
zie het eerdere stukje - parten speelt. Plus de naderende winter, want hij is immers ‘verwer’ en dan begin je ’s winters niks. Op het eind van 1846 keert hij terug in de kolonie. Hij logeert bij Cornelis Nobbe, ‘met wien hij hier vroeger het verwerswerk heeft waargenomen’, en bij de kolonist Hendrik Martens van de Boom, want dat is inmiddels familie geworden. Die is afgelopen zomer met Jean Pierre’s zus Evan Vaubaillon getrouwd. Ik vraag mij dan altijd af of Hendrik Martens en Eva elkaar hebben leren kennen doordat Jean Pierre een tijdje bij Hendrik Martens ingedeeld is geweest, maar dat is altijd oppassen, voor je het weet gaan feiten en fantasie door elkaar lopen.

Op zich mag dat logeren niet. Het is kolonisten niet toegestaan om zomaar iemand in huis te nemen. Daar zijn hele tragische voorbeelden van. Een kind dat in de gewone maatschappij in problemen is geraakt en naar de in de kolonie wonende ouders terugwil, wat de Maatschappij dan verbiedt. Er zijn echter ook gevallen bekend waarbij de directie weet dat er iemand bij kolonisten in huis is en besluit de andere kant op te kijken. Dat lijkt hier ook het geval te zijn. De onderdirecteur van Frederiksoord en algemeen directeur Jan van Konijnenburg lijken er van te weten, maar zolang de permanente commissie in Den Haag het niet weet, is er niets aan de hand.

Alleen kunnen ze hem niet net als de kolonisten aan het werk zetten en daarom moet Van Konijnenburg er op 1 februari 1847 toch over beginnen. Het kan niet langer, er is ‘onmagt zijnen vermelde bloedverwanten en vrienden, om hem langer kosteloos te onderhouden’. Jean Pierre heeft de directeur een briefje geschreven, ‘volstrekt geen raad meer wetende waar ik mij geen begeven zal’. Schrijven heeft hij ook op het Guyot-instituut geleerd, en best netjes, al gebruikt hij wel eens een verkeerde letter of verkeerd woord. Hij vraagt Van Konijnenburg te willen bewerkstelligen dat hij weer officieel in de kolonie opgenomen wordt. ‘Onders ben ik diep ongelukkig, en wat zal er anders van mij worden? Waar moet ik met mij henen?’

Van Konijnenburg voldoet er graag aan en stelt de permanente commissie voor ‘om dien ongelukkige, ofschoon hij reeds 25 jaren telt, weer in deze kolonien optenemen, totdat hij als verwer buiten weer aan den gang kan komen’. Hij durft te verzekeren dat Jean Pierre ‘van deze tijdelijke ondersteuning geen misbruik zal maken, maar altoos trachten zich geheel buiten de kolonien te onderhouden’. En om de situatie te schetsen voegt hij toe dat Jean Pierre zo radeloos is dat hij overweegt zich bij de Ommerschans aan te melden. Want ook al zit je daar tussen de bedelaars en de landlopers, het is toch de enige plek die je met een beetje fantasie een sociaal vangnet zou kunnen noemen.

De permanente commissie vindt het goed en besluit op 12 februari ‘om J.P. Vaubaillon tot het voorjaar, maar ook niet langer, verblijf in de kolonien te vergunnen’. Hij staat voortaan in het stamboek vermeld als ‘op rekening der PC’.

Het is niet lang genoeg. Op 6 maart schrijft Jean Pierre weer. Vanaf het adres ‘M.H. van der Boom, hoeve No. 7, Frederiksoord’ en dit keer rechtstreeks naar Den Haag. Hij heeft nog niets gevonden en vraagt clementie voor ‘een ongelukkig wees die ouders loos is’. Dat is een beetje dubbelop, maar goed, het is duidelijk dat hij wanhopig is en tot twee keer toe meldt hij in deze brief ook dat hij doofstom is. Hij heeft ook een nieuw plan: ‘Ik wou wil vrijwillig gaan naar de Noordamerika.’ Hij heeft echter ook begrepen dat zoiets pas begin april kan. De permanente commissie doet niet moeilijk en verlengt de toestemming in de kolonie te blijven tot 1 mei.

Zolang blijft hij niet, het enige dat verder nog in de koloniale administratie over hem te vinden is, is dat Jean Pierre op 31 maart 1847 met ontslag de kolonie verlaat. Gelukkig is er ook nog alledrenten.nl en nog gelukkiger is Vaubaillon een weinig voorkomende naam en – het allergelukkigst en het belangrijkste – blijkbaar zorgt Jean Pierre er voor dat die naam ook altijd juist gespeld wordt. Want dan kan uit die gegevens worden afgeleid dat de doofstomme huisschilder niet naar Amerika emigreert maar vast werk vindt in de omgeving.

Als hij in 1858 te Smilde trouwt, staat als beroep ‘verwer’ vermeld. Als een paar jaar later die echtgenote overleden is en Jean Pierre hertrouwt is dat weer te Smilde en staat weer ‘verwer’ genoteerd. Als ook die echtgenote niet meer leeft en Jean Pierre voor de derde maal trouwt is dat - u raadt het al - te Smilde en als ‘verwer’. Het is dan inmiddels 1868. Ervoor en erna zijn er nog diverse geboorteaktes, waarop steevast bij de vader het beroep ‘verwer’ vermeld wordt en zelfs in die gevallen dat het kind spoedig overlijdt staat op die akte ‘zoon van Jean Pierre Vaubaillon beroep verwer’. Alleen op zijn eigen overlijdensakte, in 1877, staat het niet, maar dan heeft hij toch al dertig jaar te Smilde ‘geverwd’.

(met dank aan Abdulwadûd)

 

 

Jean Pierre Vaubaillon, deel 1

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Voor de afwisseling maar eens een verhaal waarin een beetje goed voor mensen gezorgd wordt en dat - voorzover mij bekend - beter afloopt dan de meeste verhalen. En ook omdat ik het zo lekker vind dat ik tegenwoordig zoveel op internet kan vinden. Het gaat over Jean Pierre Vaubaillon en die komt volgens een aantekening op een brief in de kolonie met ‘zijn stiefvader de veteraan Pollet’ in 1828.

Dat is dan te vinden - zie hier hoe dat werkt - in invnr 1589. Pieter Pollet is een kannonnier die op 14 mei 1828 op de kolonie aankomt met echtgenote Maria Anne Rigaut en vier kinderen. Waaronder Jean Pierre die dan acht jaar oud is. Volgens een notitie in dat stamboek is Pieter Pollet een van de veteranen die van Veenhuizen naar de Ommerschans verhuist om daar als veldwachter te werken.

De preciese familie-verhoudingen zijn mij onbekend, ik neem aan dat die mevrouw Rigaut de moeder van Jean Pierre is die na de dood van haar eerste echtgenoot met Pollet hertrouwd is. Maar zij overlijdt al twee jaar later, zoals je dat in die tijd héél vaak ziet, enkele dagen na de geboorte van een kind.

Weer twee jaar later wordt Jean Pierre uitgeschreven, hij gaat ‘naar het instituut te Groningen 21 september 1832’. Dan weten we meteen dat Jean Pierre doofstom is, want er is maar één instituut in Groningen en dat is het Guyot-instituut voor doofstommen. Opgericht in 1790 door Henri Daniël Guyot, ik doe een plaatje bij uit de Groninger Volksalmanak ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van het instituut.

 Stukje 67 - Afbeelding instituut doofstommen

Zo bijzonder als de koloniën van weldadigheid zijn, zo bijzonder is het bestaan van een instituut voor een specifieke handicap. Ik zou uit die tijd geen andere gespecialiseerde zorginstelling weten. Dat is niet helemaal goed geformuleerd: eigenlijk weet ik geen enkele zorginstelling, laat staan een gespecialiseerde. En de stad Groningen én de Staat der Nederlanden laten regelmatig blijken dat ze heel trots zijn op het daar verrichte werk, dat na de dood van Henri Daniël Guyot wordt voortgezet door zijn zoon Charles Guyot.

De relatie tussen het Guyot-instituut en de koloniën van weldadigheid is uitstekend. Als er op het instituut een leerling is die toch niet doofstom blijkt te zijn, wordt hij door de koloniën opgenomen en er gaan met regelmaat op kosten van de kolonie doofstomme kolonistenkinderen naar Groningen om er gebarentaal te leren en ook op andere manieren te worden voorbereid op hun toekomst. Zie hier bijvoorbeeld de kolonist Dirk van Hoogmoed (oospronkelijk uit Haarlem) die op de Kleine Raad voor de Gewone Koloniën van 31 juli 1841 toestemming komt vragen om een paar dagen weg te mogen om zijn zoon van het ‘doofstommeninstituut’ op te halen:

 Stukje 67 - Verzoek Dirk van Hoogmoed

Op het instituut leren ze ook een vak en als Jean Pierre er na acht jaar van af komt, hij is dan dus twintig jaar, is hij geschoold tot huisschilder, wat in die tijd dan ‘verwer’ heet. Maar hij durft de gewone maatschappij nog niet aan. Hij wil terug naar de kolonie en dat is lastig, want stiefvader Pollet is dan vertrokken. Waarom dat is weet ik niet, maar we kunnen er wel vermoedens bij hebben. Als directeur Jan van Konijnenburg namelijk schrijft dat de veldwachtersdienst op de Ommerschans niet zonder gevaar is omdat groepen bedelaars ‘met stokken en messen gewapend’ proberen te ontsnappen - zie ook dit verhaal - voegt hij daar aan toe: ‘waarvan, onder anderen de Veteraan Pollet ondervinding gehad heeft’. En dat schrijft Van Konijnenburg rond de tijd dat Pieter Pollet van de kolonie weggaat...

De Maatschappij vindt echter een oplossing voor Jean Pierre Vaubaillon, ze neemt hem weer op als ‘eenlopend persoon op de tweede helft van het kontrakt van 16 en 19 juni 1826’. Wat dat precies is ga ik nu niet uitleggen want dan gaat de vaart eruit - ik beloof het wel binnenkort een keer te zullen doen. Voor dit moment volstaat dat hij wordt behandeld als een ingedeelde. Hij komt dus bij koloniale gezinnen in de vrije koloniën in huis.

Hij begint die carrière bij de net al even genoemde Dirk van Hoogmoed in Frederiksoord. Dat zou leuk moeten zijn, want die heeft zelf een doofstom kind, maar het houdt na anderhalve maand al op. Daarna komt Jean Pierre, zoals wel meerdere ingedeelden overkomt, gedurende zes jaar bij diverse kolonistengezinnen: Johannes Antonius Schouten, Rinse Michiels Ruiter (althans diens gezin, zelf is Rinse Michiels al overleden), Hendrik Martens van de Boom (onthoud die naam voor de volgende keer), Abraham van Anker van de Linden, Lodewijk Harmeling, Casper Bollen (althans diens gezin, zelf is Bollen senior overleden), Cornelis van Os jr., Josephus Souverein en Servatius Bollen (zoon en opvolger van de eerder genoemde Casper Bollen). Bijna allemaal in Frederiksoord, met één keer een uitstapje naar het aangrenzende Wilhelminaoord.

Hij hoeft die tijd niet op het land te werken, er wordt later gezegd dat hij deze periode samen met Cornelis Nobbe, een van de kinderen van de weduwe Nobbe, op de kolonie ‘het verwerswerk heeft waargenomen’. Op 25 juni 1846 komt er een eind aan al dat verhuizen en aan het schilderen van koloniehuisjes: Jean Pierre heeft een baas gevonden en hij gaat ‘op zijn verzoek’ met ontslag. Maar binnen een half jaar is hij terug...

Medische kwesties, vervolg

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Een 'zeer belangrijk ongeluk' bij de 'rogmolen'in januari 1842 dus. Eerst maar even die molen waar dokter Schünlau het over heeft. Je kunt geen onderwerp bedenken of er staat op internet een database van. Dus ook van molens. Via deze link kun je de exacte lokatie van de Veenhuizense molen vinden. Vlakbij brouwerij Maallust dus en dan snappen we meteen waar deze brouwerij - prima bier - haar naam aan te danken heeft.

Verder geeft de molenpagina vooral informatie over de molen die er in 1860 is gebouwd, nadat de vorige houten molen door een storm was verwoest. Op de site wordt verondersteld dat die oude molen ergens rond 1850 is gebouwd, maar dat moet zijn 1828/1829. Eerder is er al sprake van. Al in 1825 schrijft de toenmalig directeur Wouter Visser dat 'mijn bedunkens een kooren molen te Veenhuizen van groot belang is, zoo om de kosten van malen van het graan, als ter voorkoming der ongelegenheid die bestaat in hetzelve te Assen of Smilde aan de molen te brengen en van daar weder af te halen'. Dan komt het er nog niet van, maar op 9 april 1829 schrijft diezelfde Wouter Visser in een verslag over Veenhuizen: 'De koornmolen is thans ook in zooverre afgewerkt, dat men een begin heeft kunnen maken daarop te malen, waarvan wij reeds dadelijk het gemak en de voordeelen hebben ondervonden.'

 Later functioneert het ding niet naar behoren. Begin februari 1833 heeft Jan van Konijnenburg, die Wouer Visser als directeur is opgevolgd, het over 'het gebrekkig beheer van den korenmolen'. Meer informatie over dat gebrekkige beheer heb ik nog niet kunnen vinden, maar het houdt wel op, want later diezelfde maand wordt als molenbaas aangesteld Willem Hofste, en daarna wordt er niet meer geklaagd. De nieuwe molenaar is 46 jaar en komt op het moment van aanstelling uit Smilde, maar het merendeel van zijn kinderen is geboren in Leek, dus daar zal hij eerst gewoond hebben. Zijn salaris is f 5,20 per week en vrij wonen, wat dezelfde beloning is als een zaalopziener ontvangt.

Het ongeluk overkwam 'een der zoonen van den molenaar oud 18 jaren'. Dokter Schünlau noemt nooit namen in zijn verslagen, dus dat wordt even zoeken en dan vind ik dat het niet de oudste zoon Webbe is, die later het beheer van de molen zal overnemen, maar de eennaoudste zoon Hendrik. Die was er vóór het ongeluk al niet best aan toe volgens de arts. Hendrik heeft 'aan beide de armen de gewrichten van de elleboog verstijfd, zoo dat hij, met de linkerhand alleen, de spijzen ternaauwernood aan de mond konde brengen'.

Ondanks die handicap werkt hij in de molen en hij wilde 'bij windstilte den molen aan de loop helpen brengen en duuwde daartoe binnen den molen aan het kroonrad'. Maar op dat moment steekt de wind op en Hendrik kan niet snel genoeg wegkomen en dat rad ging over de linkervoorarm, 'verbrijzelde de kleine ellepijp en maakte op de handpalmzijde en rugzijde aanmerkelijke gekneusde wonden, waardoor men de stukken van het verbrijzelde been konde voelen'.

Dokter Schünlau heeft eerst gekeken of het zich vanzelf herstelt, 'wijl de natuur ook soms in deze gecompliceerde gevallen nog wonderen kan doen', maar toen hij vandaag het verband vernieuwde, bleek de arm 'tot aan het ellebooggewricht met stinkende etter gevuld'. Volgens de arts is nu alle hoop op behoud van de arm vervlogen en is hij verplicht 'zoo morgen of overmorgen door de aangewende middelen geen verbetering intreed dan den arm woensdag boven den elleboog aftezetten'.

Tot zover het verslag en daarom zat ik vorige week de boel een beetje te rekken omdat ik eerst wilde opzoeken hoe dit afliep. Dat viel niet mee, want ik weet niet of jullie het gemerkt hebben maar vanaf ongeveer 1840 ligt de post veel minder op chronologische volgorde. Brieven liggen dan blijkbaar op de volgorde waarin ze door de permanente commissie behandeld worden en niet op datum dat ze geschreven zijn.

Ik heb mij dus het schompus gezocht naar het verslag over februari. En toen ik het eindelijk vond, bleek ik dat verslag al te kennen. Het gaat over vier ongelukken binnen één week van weeskinderen in de stoomfabriek. Heel erg allemaal, maar voor een andere keer. Echter in het hele verslag GEEN WOORD over de voorgenomen amputatie! Dokter Schunlau heeft het er gewoon niet over.

Is die arm er nu af of is die er niet af?? Ik wil het gewoon weten. Maar de kans dat ik er ooit achter kom is nihil. Het enige dat ik dan wel heb is hoe het verder ging met Hendrik. Hij zal vijftien jaar later, in 1857, te Veenhuizen overlijden, op 33-jarige leeftijd, met als uitgeoefend beroep 'brievenbesteller'. Dat werk kun je volgens mij ook met één arm wel doen.

 

Soms is archiefonderzoek wat frustrerend. Aan de andere kant, toen ik een keer met een nazaat in het archief bezig was en helemaal niets kon vinden, werd die ander daar wel een beetje blij van omdat hij dus constateerde dat hij niet de enige is die dat soms overkomt. Dus misschien heb ik jullie wel een beetje blij gemaakt nu.

De gelegenheid om zijn lusten aan haar te kunnen voldoen

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Niet alle klachten die bedelaarskolonisten na hun vrijlating uiten, zijn zo terecht als die van vorige week, zie hier. In een brief gedateerd 4 juni 1844 worden diverse ‘ongeregeldheden’ bij het tweede gesticht te Veenhuizen beschreven door Pieter Wendelgelt en dat is een vaste klant – het heeft zich allemaal afgespeeld tijdens zijn vierde verblijf in de bedelaarsgestichten en daarna zal hij er nog een keer of negen komen – dus die moet je te vriend houden. Maar als Jan van Konijnenburg het allemaal heeft uitgezocht, kan hij melden dat het ‘een lasterschrift is, hetwelk geen opmerkzaamheid verdient.

Pieter Wendelgelt begint zijn brief – en dat is wel netjes van hem – met de Maatschappij van Weldadigheid te bedanken voor de genoten gastvrijheid. Daarna beschuldigt hij een wijkmeester die hij Van Leemmen noemt ervan ‘de Kolonisten hun wettig verdiende loon te onthouden, en te behandelen niet als menschen maar als beesten’. De wijkmeester heet Hendrik van Lemel en die kan het wel begrijpen. ‘Deze, namelijk, had Wendelgelt, als opziener, bevonden verdiensten te hebben opgeschreven, die niet gemaakt waren.’ Daarop had de wijkmeester Wendelgelt aangegeven en waren hem zijn functie en de daaraan verbonden bezoldiging afgenomen.

Hoofdmoot van Wendelgelts klachten over Veenhuizen-2 zijn zaken die ‘tegen alle eerbaarheid strijd’ en die bedoeld lijken ‘onzedelijkheid aan te kweken’. Het speelt vooral in het washuis van het gesticht en tussen ‘verscheidene geemploijeerden met de in het Waschhuis geplaatste meiden’. De ‘Boven briggedier der Veldwachters’ is hierin de ergste, hij ‘houd zich op met een meid Maria Elteren’ en vooral zondagochtend vroeg en ’s avonds als alle anderen binnen zijn, is hij voortdurend in de gelegenheid ‘om zijn lusten aan haar te kunnen voldoen’

Als Van Konijnenburg met de bewuste Maria van Elteren en de brigadier-veldwachter De Vries heeft gepraat, komt er een wat ander verhaal. Pieter Wendelgelt heeft met Maria van Elteren ‘vier jaren, zoo binnen als buiten de kolonien, verkeering gehad’. Ten bewijze daarvan laat Maria de directeur een vers zien dat ze voor haar verjaardag van Wendelgelt had gehad.

‘In den laatsten tijd, evenwel, heeft zij niet meer van hem willen weten.’ Dat had Wendelgelt niet gepikt en hij was haar blijven opzoeken in het washuis, waar zij blijkbaar te werk gesteld is. Toen hij zijn zin niet kreeg heeft hij haar zelfs geslagen, en daarop heeft de wasvrouw de hulp van de brigadier-veldwachter ingeroepen. Die heeft Wendelgelt ‘herhaaldelijk van daar moeten verdrijven’ en brengt hem tenslotte voor de onderdirecteur-binnen, die ‘hem over zijn loopen dáár en de mishandeling van Van Elteren ernstig onder handen genomen heeft’.

Niet verwonderlijk dat die onderdirecteur, Gerard Johannes Hendriks, de volgende is die in Wendelgelts brief beschuldigd wordt. Hij heeft het ‘met een meid aangelegen welke bij hem heeft gediend, wel zoo verre als dat hij vader is geworden van een onecht kind’. Nu klopt het dat een bedelaarskoloniste die bij Hendriks in de huisdienst heeft gewerkt kortgeleden is bevallen van een onecht kind, maar die vrouw – ‘hoe ook uit gelokt, om zulks te bekennen, wanneer dat zoo ware’ – noemt niet Hendriks maar anderen als mogelijke vaders en bovendien is zij naar aanleiding van haar zwangerschap door diezelfde Hendriks voor de Raad van Tucht gebracht.

Kortom, er is niets van alles waar, we kunnen gerust zijn: er gebeurt niets in het washuis dat het daglicht niet kan verdragen, het is louter laster en die was ook al aangekondigd. Want Maria van Elteren vertelt ‘dat Wendelgelt, bij zijn vertrek, gezegd had, zich wel op haar en genoemde ambtenaren te zullen wreken’.

Maar dan... is het toch wel opmerkelijk dat hij daar deze weg voor kiest. Blijkbaar heerst er onder de bedelaars – we zagen dat vorige week ook al: ‘Als het u weledele wist, souw het seker niet gebeuren’ – het gevoel dat de permanente commissie rechtvaardig is en op zal treden tegen elke onheuse bejegening van haar kolonisten. Dat is toch wel bijzonder.

(met dank aan Jan Ebels)

  

Als het u weledele wist, souw het seker niet gebeuren

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Af en toe komt er bij de permanente commissie een brief binnen van een voormalig bedelaarskolonist die na zijn vrijlating nog wat kwijt wil over de instelling die hij net verlaten heeft. Vaak gaat het dan over employés die iets bijverdienen door kolonisten uit te buiten. Ik ben bang dat er wat dat betreft inderdaad een heleboel fout zit in de bedelaarsgestichten, ik heb de neiging zulke klachten wel te geloven.

De permanente commissie heeft blijkbaar dezelfde neiging, want ook al is een brief die ze november 1843 ontvangt anoniem, toch geeft ze directeur Van Konijnenburg opdracht om het helemaal uit te zoeken. De naamloze schrijver meldt dat hij twee jaren in de Ommerschans geweest is en ‘nouw met eenige tijd met mijn ontslag’.

‘Daar ik god voor dank,’ voegt de anonymus eraan toe, ‘want u moet dan weete...’ en dan komen de klagten.

De eerste is dat de zaalopzieners de bedelaarskolonisten dwingen om bij hen koffie te kopen en niet in het waterhuisje op het binnenplein. Haal je je koffie toch op het plein, dan word je door de zaalopziener uitgescholden. Daarbij krijgen de mannen te horen dat ‘zij hun gelt an de vrouwe en hoere gefen’ en de vrouwen ‘dat zij het aan de manne gefen’ en ze worden uitgemaakt voor respectievelijk ‘hoerelopers’ en ‘hoere’.

‘Dus om vredes wil,’ aldus de anonieme briefschrijver, ‘moet men maar hun sin doen en koffij hale.’ Zaterdags bij de uitbetaling ‘houde de majoors de sente in, en het spek dubbeltje ook’ en heeft de arme bedelaar niets meer ‘om wat tabak of een stukkie brood voor te kope, alles moet de majoor hebben’. Ik heb twee vragen hierbij:

- Het woord spekdubbeltje ben ik al een paar keer tegengekomen, maar ik snap nog steeds niet wat er mee wordt bedoeld. Iemand suggesties?

- De zaalopzieners noemt hij consequent ‘majoors’. Daar heb ik een tijdje over zitten piekeren, want ergens komt het woord zaalmajoor mij wel bekend voor, ik heb dat vaker gehoord. Maar in woordenboeken kan ik het niet vinden. Is iemand het wel eens ergens tegengekomen?

De tweede klacht van de anonieme briefschrijver betreft medekolonisten die nering drijven op de zaal, ‘die verkoope brood stoet, boter kaas vleesch visch, worst en wie weet wat al meer en die worden rijk en knoejen met de majoors’. Door dat alles worden de bedelaars ‘soo ongelukkig, en dat is tog niet soo als het hoort’. Als hier tegen opgetreden wordt, ‘dan zoude de arme koloniste weer wat op de been kunne komen, en er wat meer order kunne sijn’. De briefschrijver bezweert de weledele heren dat hij de waarheid vertelt en ‘daarom dagt ik dit u weledele dit te moeten laten weten want als het u weledele wist souw het seker niet gebeuren’.

De op onderzoek uitgestuurde Jan van Konijnenburg reageert erop op de eennalaatste dag van 1843 en zijn brief heeft nummer N3631, zodat een klein rekensommetje ons leert dat de brave directeur het hele jaar door iets meer dan tien brieven per dag schrijft. Hij meldt eerst dat alle ambtenaren op de Ommerschans om het hardst roepen dat er van dit alles niets waar is, maar voegt vervolgens toe: ‘Ik, voor mij, echter, sla daaraan wel eenig geloof.’ Dat komt onder andere omdat hij ‘eergisteren, toevallig een ontslagen kolonist ontmoetende en naar een en ander vragende, daaromtrent bevestiging bekwam’.

De koffie-kwestie is volgens de directeur eenvoudig op te lossen door net als in Veenhuizen een tweede koffiehuisje op te richten. Zoals ik eerder al eens verteld heb is in zo’n waterhuisje ‘de uitgifte gratis van gekookt water en van coffij en water en melk voor de geringste prijzen’. Zo'n huisje erbij zou inclusief fornuizen en kookpotten op 250 gulden komen.

Het door medekolonisten handel drijven op de zalen ‘schijnt, zoo als de Adjunct Directeur mij heeft verzekerd, voor eenigen tijd reeds te zijn afgeschaft’, maar dat wordt door de bovengenoemde pas ontslagen kolonist tegengesproken. Het gaat vooral om tabak. Die verkoopt de winkelier alleen in verpakkingen van 5 of 2½ ons en dat kunnen velen niet betalen, dus dat wordt in kleinere hoeveelheden doorverkocht.

Daarna gaat Van Konijnenburg een tijdje tierend het etablissement door. Hij voegt de winkelier toe ‘dat zijne handelwijze alle berisping verdiende, daar hij behoorde te verkoopen bij zulke geringe hoeveelheden als het tarief aanduidde, terwijl ik ook den Onder Direteur mijne ontevredenheid heb te kennen gegeven, van een en ander niet beter en meer te surveilleren, gelijk ik ook de zaalopzieners heb te kennen gegeven, wel te gelooven, dat de baatzucht hen soms onbillijk jegens de kolonisten deed zijn’. Zo, uitgeraasd.

Uiteindelijk vindt de permanente commissie een tweede waterhuisje toch te duur, dus dat wijst ze af, maar ze verlangt wel dat die winkelier van de Ommerschans scherp in de gaten gehouden gaat worden, want ze heeft van de inspecteur der kolonièn Wouter Visser vernomen ‘dat de kolonisten in dien winkel niet altijd het volle gewigt bekomen’. En vooral, vooral moet op de assistent in de winkel ‘een waakzaam oog’ gehouden worden, want ondanks het feit dat die man een bedelaarskolonist is, is hij door de inspecteur onlangs aangetroffen ‘over de Vaart in een herberg, (doorgehaald: gekleed als een heerschap) in burger kleeding en eene partij biljart spelende’. Ja jongens, dat kan natuurlijk niet!

(met dank aan Jan Ebels)

 

Experimenteren (2)

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Eigenlijk is die hele Maatschappij van Weldadigheid met zijn koloniën één groot experiment. Maar daarbinnen vindt ook nog eens het ene na het andere experiment plaats. Met dien verstande dat het woord experiment volgens mij van later is, want ik kom het in de stukken nooit tegen. Daar gaat het altijd over ‘eene proeve’.

In maart 1846 (batch 456) tref ik ze weer uiterst experimenteerlustig aan. Niets is te dol.

Om te beginnen is er een proefneming met tabaksteelt. Directeur Van Konijnenburg heeft van de permanente commissie ‘5 soorten zaad van Virginische tabak ontvangen’, om daarmee proeven te doen in de vrije koloniën. Daar zitten nogal wat opstartkosten aan, ‘aangezien de tabaksbouw aan de kolonien geheel vreemd is’, en daarom vraagt de directeur eerst toestemming voor de uitgaven.

Hij baseert zich bij zijn plannen op de ‘Statistiek van Gelderland’, want daar schijnen ze te weten hoe het moet met tabak. In april moet het zaad worden gezaaid in nog te maken of aan te schaffen ‘broeibakken’, met daarin ‘geolied papier’. Daarna wil Van Konijnenburg beginnen met tienduizend planten, tweeduizend van elke soort. Daarvan de helft op guano (heb je dat weer) en de andere helft zou op duivenmest moeten, maar hij zou echt niet weten hoe hij daar in Drenthe aan moet komen en dat zal dus vervangen moeten worden door schapenmest, die dan vanuit Doldersum vervoerd zal worden naar de de plek in de vrije kolonien waar het experiment plaats zal hebben.

Waar dat is weet hij nog niet, hij begrijpt dat de plek een beetje beschut moet zijn en verder zag hij het graag ‘in de nabijheid van een kolonist, die met de tabaksteelt min of meer bekend is’. Zo’n kolonist lijkt mij heel lastig te vinden. Maar vooralsnog vraagt de directeur eerst toestemming voor de aanschaf van broeibakken en guano. Ik heb niet de moeite genomen om te kijken hoe de permanente commissie hier op reageert, want we weten 170 jaar later dat Drentse tabak het in economische zin niet gemaakt heeft.

Tezelfdertijd doet Van Konijnenburg ‘vele proeven’ met de ‘melk weger’ op de Ommerschans. De bewoners van de grote hoeves rond de schans moeten elk jaar een bepaalde hoeveelheid melk inleveren en de directeur verdenkt ze ervan de melk met water aan te lengen. Ik snap er niet veel van, dus ik doe maar even letterlijk dat de uitkomsten van de proeven zijn ‘dat de melk, pas gemolken, van 12-14 graden en koud geworden en goed geroerd zijnde, van 15-17 graden houdt; zoo dat er in de qualiteit maar 2 en tusschen versch & koud 3 graden verschil is en de gemiddelde zwaarte van koude zuivere melk 16 graden is, waarom die van 12 met 1/4 water en van 8 met de helft water aangelengd kan worden beschouwd, daar schoon water het nulpunt aanwijst’. Als iemand het begrijpt, dan hoor ik het graag.

Hoe dan ook heeft het volgens hem gewerkt: ‘Het wegen van de melk is dadelijk van het gewenschte effect bij de hoevenaars geweest.’ Een volgende keer wil hij een stapje verder gaan en een ‘room-weger’ aanschaffen om ‘het afnemen van room aan de melk’ tegen te gaan.

En dan wordt er deze maand geëxperimenteerd met het waarschijnlijk bekendste experiment: aardappelbrood. Zoals wellicht bekend eet men in de koloniën brood dat wordt gebakken van een mengsel van rogge en aardappel. Aardappelbrood is een uitvinding van Johannes van den Bosch en het is goedkoper dan gewoon roggebrood omdat op rogge een ‘gemaalsbelasting’ rust (die je in de begrotingen als ‘accijns op de rogge’ tegenkomt). Maar nu lijkt het nog goedkoper te kunnen!

Jan van Konijnenburg stuurt de permanente commissie ‘een stuk brood ter beschouwing en proeving, gebakken van paardeboonen en rogge’. Het is gebakken in de bakkerij van het tweede gesticht te Veenhuizen en daar noemt men het ‘boonen brood’. Volgens de directeur is het ‘een vaster brood, van goede smaak’ en zou het bakken van dit brood voor alleen al de kolonie Veenhuizen een besparing van tachtig gulden per week opleveren.

Ook dit heb ik verder niet nagezocht, want in de latere geschiedenis van de koloniën heb ik nooit meer van bonenbrood gehoord, dus dit experiment zal dezelfde weg gegaan zijn als de tabaksteelt. Maar het houdt ze wel van de straat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De tekenaar

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Ik heb hem. Bovenaan dit stukje noemde ik al even dat ik ernaar op zoek was. Alleen heb ik lang gezocht naar iemand met de achternaam Van Gielen. Dat komt omdat de toenmalige directeur (en latere inspecteur der koloniën) Wouter Visser in 1826 schrijft dat hij 'prenten bij van Gielen heeft besteld'. Rekening houdend met de gebruikelijke slordigheid met namen heb ik ook mensen met de achternaam Giel onder de loep genomen, maar alles zonder resultaat.

Als ik dan nog eens heel goed kijk naar onderstaande plaat, een 'gezigt op de vrije kolonie No 3 Willemsoord genoemd', dan staat daar linksonder toch redelijk duidelijk 'H.V.Geelen fecit', oftewel H.V.Geelen heeft dit gemaakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het staat er duidelijker dan onder de bekendere tekeningen van de etablissementen in Veenhuizen, zie bijvoorbeeld hier het eerste gesticht, maar dat is ook van dezelfde tekenaar.

Iemand van Old Steenwiek, het blad van de Historische Vereniging Steenwijk en Omstreken, vertelde mij dat de achtergrond van deze Willemsoord-plaat in grote lijnen wel klopt, met links de Woldberg, in het midden de Steenwijker toren en rechts het kerkje van Kerkbuurt, maar niet helemaal in de juiste verhouding. En de kolonie en de akkers staan er wel heel erg keurig recht bij.

Dat geldt ook voor de andere werken van H.V.Geelen. Hij neemt wel alle elementen van de omgeving mee, maar om het allemaal op één plaat te krijgen wurmt die alles wat naar elkaar toe, zie ook de discussie onder het plaatje van de kerken. En alles wat de kolonie aangaat, ziet er altijd behoorlijk opgeleukt uit. Zie bijvoorbeeld het binnenplein op deze 'Afbeelding van een gesticht voor kinderen te Veenhuizen (Provincie Drenthe) van binnen te zien'. Dat is te mooi om waar te zijn.



De enige reden dat ik Geelen bij de bedelaars ben gaan zoeken is dat het verhaal de ronde doet dat een bedelaarskolonist in 1826-1828 de tekeningen gemaakt heeft die in het maandblad De Vriend des Vaderlands zijn gepubliceerd. Waar dat verhaal precies vandaan komt, weet ik ook niet, maar ik heb het van een paar kanten gehoord. Dus ben ik de bedelaarsregisters doorgegaan en daar vind ik Hendrik van Geelen.

Hij wordt 19 april 1825 de Ommerschans binnengebracht door de stedelijke regering van Utrecht en krijgt in het boek gemerkt 'A' (toegang 0137.01 invnr 422) het nummer 1207. Hij is volgens die inschrijving een zoon van 'Christiaan van Geelen' en 'Helena Vermeulen', hij heeft het laatst in Utrecht gewoond en is ook in die stad geboren in 1780 op onbekende datum (er staan puntjes). Volgens wiewaswie was hij vijf jaartjes jonger. Het Nederduits-gereformeerd doopboek in Utrecht meldt op zondag 23 januari 1785 de doop van Hendrik van Geelen, zoon van Christiaan van Geelen en Helena Vermeulen.

Hendrik van Geelen is lang vijf voet, drie duim en drie streep, heeft een rond 'aangezigt', een smal voorhoofd, 'blaauwe oogen', bruin haar, een kleine neus, een gewone mond en een ronde kin. Als 'merkbare teekens' wordt genoteerd 'Geschonden door de kinderziekte'. Ze bedoelen de kinderpokken, hij is dus pokdalig.

Hij behoort tot de eerste groep die - op 23 mei 1825 - wordt overgeplaatst van de Ommerschans en die het tweede gesticht in Veenhuizen in gebruik neemt als bedelaarsgesticht. Dat wil zeggen dat hij goed kan werken, want die eerste groep was geselecteerd op bekwaamheid om ontginningswerk te doen.

De inschrijving loopt door in het boek gemerkt 'F' (toegang 0137.01 invnr 425), waar het signalement wordt aangevuld met de gelaatskleur 'bleek' en bij de merkbare teekenen nu inderdaad is ingevuld 'pokdalig'. En met de notitie '1 Sept 1829 overleden'. Dat klopt dus met het feit dat er na die tijd geen tekeningen meer geweest zijn. Maar helemaal zeker weten doe ik het nog niet, er kunnen wel meer 'H.V.Geelen's rondlopen.

Tot... ik de ultieme bevestiging vind. In de overlijdensakte van Hendrik van Geelen. Want daar wordt als beroep vermeld 'teekenmeester'. Het moet hem dus wel zijn.

  


Ter verkwikking der zieken

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Leveranciers maken zich nogal eens kwaad op de Maatschappij van Weldadigheid. Meestal betreft dat nalatigheid in het betalen van rekeningen. Berucht is ene meneer Ter Spill uit Groningen die daarover tien-tal-len keren schrijft en die met zijn gemopper zo’n beetje half batch 407 in beslag neemt. Ook Thomas Ainsworth, beschouwd als de grondlegger van de Twentse textielindustrie, komt in dit verband tot zijn dood in 1841 regelmatig voor. Hij geeft met zijn ‘bleek’ in Goor al tien procent korting vanwege het goede doel en dan nog...

Andere keren betreft het de aanbesteding van winkelwaren. Dat komt mij niet onterecht voor. Die openbare aanbesteding is elk kwartaal in Frederiksoord, maar ook als je daar de laagste inschrijver bent wil dat niet zeggen dat de leverantie je gegund wordt. Want daarna gaat de Maatschappij aan een Amsterdams bedrijf vragen of ze onder die prijs willen gaan zitten. Dat vind ik niet zo netjes zaken doen.

Voorzover ik kan overzien is de praktijk dat dat Amsterdamse bedrijf meestal de meeste winkelwaren levert. Waarbij ze de Friese en Leidse kaas betrekt van een firma die Heineken heet. Zou dat familie zijn?

Een leverancier uit Zwolle heeft een andere klacht en gaat in zijn brief wel erg ver. Het schrijven is van augustus 1843 en komt van de firma Doyer en Prumers uit Zwolle. Ik kan niet zien of het nu Doyer is die schrijft of Prumers, maar dat is niet zo belangrijk, waar het om gaat is dat de heren al vanaf 1831 wijn leveren aan de Ommerschans.

Wijn, even ter verduidelijking is uitsluitend voor de mensen die in het gestichtshospitaal liggen. Op de begrotingen die af en toe tussen de post zitten, worden onder het kopje ‘ter verkwikking der zieken’ altijd een paar aan te kopen produkten genoemd waar volgens de geneesheren de zieken van opknappen. Naast citroenen zijn dat eieren, beschuit en wijn.

O tempora, o mores (ach, wat een tijden, ach, wat een zeden). In hedendaagse ziekenhuizen zie je nooit een verpleegster met een flesje wijn aan het bed komen.

Maar goed, die leverantie was voor de prijs van f 20,50 per anker (volgens wikipedia is dat rond de 35 liter) en ‘wij hebben nimmer eenige aanmerking over de kwaliteit der wijn gehad’. Die prijs is inclusief de accijns en als we ze mogen geloven verdienen Doyer en Prumers er nauwelijks aan, ‘maar het is niet daarom dat wij UHEdelGestr: deze schrijven’. De reden van de brief is dat de leveranties kortgeleden zijn opgehouden omdat ‘de heer directeur J. van Konijnenburg order geeft dat de wijn aan het hospitaal voortdurend uitsluitend van de heeren Trens en Schaepman alhier ontboden wordt’.

Als ze goed geïnformeerd zijn betaalt de Maatschappij daarvoor 23 gulden per anker. En de reden dat er 2,50 per anker meer wordt uitgegeven, onthullen de heren Doyer en Prumers, is dat de broer van voornoemde Schaepman pastoor op de Ommerschans is!!

Dat is toch verkwisting van het geld voor het goede doel van de Maatschappij van Weldadigheid!

De gepasseerde wijnhandelaars melden dat ze deze kwestie uitgebreid in hun vriendenkring in Zwolle hebben rondgebazuind en ook die vrienden vinden ‘deze handelwijze van den Heer Directeur zeer onaangenaam’.  Met als gevolg, nog steeds volgens Doyer en Prumers, dat die vrienden ‘ook dadelijk als lid der Maatschappij van Weldadigheid wilden bedanken en de reden daarvan door middel van een naburig dagblad bekend maken’.

Zo, het dreigement staat.

Nu de chantage nog afronden: Doyer en/of Prumers hebben die vrienden ‘vriendelijk verzocht dat wij UHEdelGestr: er eerst over mogten schrijven waarna hun nader zouden informeeren of onze brief aan UHEdelGestr: ook invloed op het besluit van den Heer Konijnenburg zoude hebben’.

Zo, klaar. Maar alles bij elkaar is het wat té grof en rechttoe, ik betwijfel ten zeerste of Doyer en Prumers hiermee succes hebben geboekt. Als jullie de heren na 1843 nog ergens tegenkomen, hoor ik het graag.

(NB: Dit stukje heeft geen vervolg, maar staat op zich. Voor een vervolgverhaal moet ik eerst weer materiaal verzamelen. Ik hoop zover te zijn dat ik weer een (klein) feuilleton kan gaan doen als we over de 90 procent zijn). 

 

Het Paasoproerfeuilleton, afl 8

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Visser vertoont zich dan hier dan daar, op het plein, buiten het gebouw. ‘Ook eenmaal, als wilde ik naar iemand vragen, onder de mannen die wel binnen het hek, doch alle buiten de zalen en op groote hopen te zamen stonden’. Hij doet zijn best geen enkele bezorgdheid te laten merken, ‘zoo min als zoogenaamde moed, of uitdaging’. Dat laatste zou averechts kunnen werken, bij zijn verzoek aan kapitein Thonhäuser om gewapende veteranen achter de hand te houden, had hij ook gevraagd dat te doen ‘zonder eenig uitwendig vertoon van buitengewone maatregelen’. 

‘Tot dat eindelijk omstreeks half acht, men mij kwam zeggen, ik was toen buiten het Etablt., dat er eene buitengewone beweging onder de kolonisten bespeurd werd, en welke boodschap onmiddelijk werdt gevolgd van eene andere, dat de kolonisten mij wenschten te spreken. Ik liet hun zeggen dat zij daartoe spoedig in de gelegenheid zouden worden gesteld.’

Zoals iemand die belangrijk is heden ten dage ook altijd doet, laat hij ze eerst even wachten, volgens hem ‘eenige minuten’. Dan gaat hij naar het plein, ‘waarop mij eene hoop van misschien 15 of 20 kolonisten te gemoet kwam’. Dat zijn er te veel. ‘Al aanstonds begon ik met op eene even bedaarde als ernstige wijze te beveelen, dat allen, met uitzondering van drie hunner, zich onmiddelijk binnen het hek moesten begeven.’ Het woord ‘beveelen’ heeft Visser onderstreept en de toon werkt, ‘waaraan dan ook zonder tegenspreken werd voldaan’.

Aan de drie overblijvers vraagt hij wat ze hem te zeggen hebben.

Het antwoord is dat ze te weinig voedsel krijgen. Te weinig om op te werken en met gevolg ‘dat zij somtijds flaauw van den honger waren’. Ze verlangen ‘dagelijks een pond brood, het zij in eens of des morgens en des avonds de helft daarvan te ontvangen’.

Daar is Visser snel mee klaar, dat kan niet, hij deelt mee ‘dat hier aan in geen geval kan worden voldaan’. Er zijn in reglementen vastgelegde bepalingen over de hoeveelheid voedsel en daar kan niet van afgeweken worden. Net als in eerder gesprekken met bedelaars ziet Visser er geen been in om adjunctdirecteur Kluvers publiekelijk af te vallen. Eerder had hij ze al kond gedaan van ‘mijne afkeuring van de toegeeflijkheid der Directie’ en nu zegt hij over de broodverstrekking op maandagavond dat dat een ‘strafbaar pligtverzuim’ was. 

Voorzover Jacob Kluvers nog enig gezag had in het gesticht, dan is dat na zulke uitspraken wel verdwenen. Het zijn ook twee geheel verschillende types. De 50-jarige Wouter Visser, geboren in Sliedrecht, getrouwd met een zus van de echtgenote van Johannes van den Bosch, heeft een militaire achtergrond, hij is luitenant adjudant majoor geweest. Jacob Kluvers, geboren in Wijhe en nu 43 jaar, is van oorsprong kruidenier.

In 1825 had hij gereageerd op een advertentie waarin de Maatschappij een algemeen winkelier vroeg. Hij meldde toen dat hij ‘het vak van kruidenier en grossier’ al vele jaren uitoefende, eerst drieënhalf jaar ‘te Zwoll bij den Heer J. de Goeijen’ en nu sinds zes jaar bij ‘Mejuffrouw de wed. D. Simonsz te Zaandam’. Van allebei die werkgevers weet hij zeer gunstige getuigschriften te overleggen en als de Maatschappij bij de subcommissie van weldadigheid Zaandam naar hem informeert, melden die dat zij ‘de gunstigste informatien aangaande hem bekomen hebben, zoo wel betreffende zijne bekwaamheid als zedelijk gedrag’. Dan wordt Jacob Kluvers algemeen winkelier te Frederiksoord. Hij had toen niet durven dromen dat hij ooit leiding zou geven aan een gesticht met bijna 1400 bedelaars.

Maar ter zake. Terwijl genoemde Jacob Kluvers in zijn woning aan de buitenzijde van het gesticht afwacht hoe dit af gaat lopen, staat Wouter Visser nu voor de taak de bedelaars uit te leggen dat zij - gezien de reglementen - geen honger hebben.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 9
Visser meldt dat er ‘geene reden van klagten te dien aanzien bestonden’. De minimum-hoeveelheid die iedereen krijgt is genoeg ‘voor iemand die niet werken kan of wilde’ en degenen die wél werken hebben winkelkaartjes om ‘zich van meerder voedsel te voorzien’. Er valt niet achter te komen wat daar tegenin gebracht wordt, want er is alleen een verslag van het gesprek door Visser. Die meldt over zijn gesprekpartners slechts: ‘Zij wilden het tegendeel staande houden.’

Maar ‘na eenigen tijd hierover te hebben gesproken’ vindt Visser het welletjes. Hij verklaart dat ‘dit nu lang genoeg geduurd had’. Zij kunnen op niets meer rekenen dan in het reglement is vastgelegd, het enige is dat hij belooft hun klachten te zuLlen overbrengen aan de permanente commissie. Maar ook ‘hun misdadig gedrag van gisteren avond en dezen morgen’ zal hij bij die commissie melden. En nu beveelt hij hen ‘naar binnen te gaan en zich rustig te gedragen’.

En dan...

Dan zijn blijkbaar de negentiende eeuwse verhoudingen weer geheel hersteld. Met dit bevel, ‘waaraan onder het zeggen van Mijn Heer Uw Dienaar, slaapt wel! onmiddelijk werd voldaan’.

Ik snap het niet helemaal. Het rommelt overal tussen de standen, links en rechts zijn opstanden en broodoproeren, over een paar jaar verschijnt het Communistisch Manifest en breekt met de Februari-revolutie in Parijs een tijdperk van revoltes aan en hier zegt men ‘Mijn Heer Uw Dienaar, slaapt wel’???

En zo te lezen gedraagt meneer Visser zich toch ook irritant genoeg om even heel erg pissig te worden??

Anderzijds..., als ze doorzetten zoals een paar jaar later in 1843, dan wordt er door de veteranen met scherp geschoten en wordt bij de rechtbank de doodstraf tegen de aanstichters geëist.

Het wordt toch nog heel eventjes spannend, want ‘gedurende dit onderhoud stonden hunne lastgevers te zamen aan de opening of ingang van het hek te wachten, zeker verlangende den uitslag der zending te vernemen’. Als de drie afgezanten verslag hebben gedaan, is het eerst even stil, ‘doch spoedig ging een algemeene kreet, waarschijnlijk van afkeuring op’.

Daarna hoort Visser nog ‘afzonderlijke beledigende uitroepen die hoogst waarschijnlijk tegen mij gerigt waren’. Schelden doet geen pijn en hij doet alsof hij het niet gehoord heeft. Daarna gaat de meute langzaam uiteen en begeeft iedereen zich naar zijn hangmat. Visser gaat naar ‘den Adjt. Direct. die in zijne woning den afloop der zaak afwachtte’.

Volgens Visser is hiermee alles geregeld. ‘Dezen avond en volgenden morgen scheen de rust hersteld, en ik begaf mij tot voortzetting mijner Inspectie reize naar Wateren.’

Maar helemaal afgelopen is het niet, voor in ieder geval sommigen gaat de zaak zeker staartjes krijgen.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 10
Wouter Visser bekort zijn verdere inspectie wel enigszins. ‘Slechts twee dagen heb ik mij in de gewone koloniën opgehouden, om dat en mijne eigene gezondheid en famielle betrekkingen in ’s Hage mijne spoedige terugreize scheenen te vorderen.’ Zijn uiteindelijke verslag – inclusief de bijlagen met alle lijsten, kasoverzichten, magazijnvoorraden enzovoort, grof geschat zullen het over de driehonderd vel zijn – laat ook nog een tijdje op zich wachten, maar blijkbaar gaat hij de eerste dagen van mei wel langs op het kantoor van de permanente commissie om alvast een en ander te vertellen.

Daar breekt de pleuris uit.

Zaterdag 2 mei stelt men vast ‘dat de staat van onrust waarin de bevolking van het 2e Gesticht te Veenhuizen verkeert, buitengewone maatregelen noodzakelijk maakt’. Men kan drie buitengewone maatregelen bedenken. De eerste betekent een retourtje voor Visser. De permanente commissie besluit ‘den Inspecteur der kol. te gelasten zich met spoed naar Veenh. te begeven, ten einde de verstoorde rust in het 2e Gesticht aldaar te herstellen’. Om de boel rustig te krijgen, verstrekt de permanente commissie aan Wouter Visser een ‘volmagt daartoe zoodanige maatregelen te nemen, als de omstandigheden te deze blijken te vereischen’.

De tweede en de derde maatregel hangen met elkaar samen. Directeur der koloniën Jan van Konijnenburg is sedert enkele dagen met verlof. De reden heb ik niet kunnen vinden, maar het zal ongetwijfeld met familie te maken hebben, want hij is ‘thans met verlof te Noordwijk’ en Noordwijk-Binnen is zijn geboorteplaats.

Even voor een goed begrip: het verschijnsel vakantie is nog niet uitgevonden. Een werknemer van de Maatschappij is gewoon altijd in dienst. Als je er een keer tussenuit wilt zul je bij de werkgever verlof moeten aanvragen. En dat hoef je niet te vaak te proberen, normaliter weigert de Maatschappij aan zo’n verzoek te voldoen als je het jaar ervoor al verlof hebt gehad.

Het is dan ook zeldzaam, eens in de paar jaar een weekje, dat Jan van Konijnenburg niet op kantoor in Frederiksoord is. Zolang hij weg is, worden zijn taken waargenomen door de adjunctdirecteur voor de vrije koloniën Coenraad Hulst. Omdat men van plan is Coenraad Hulst naar de brandhaard te sturen, zal Jan van Konijnenburg van verlof moeten terugkomen. De permanente commissie besluit hem ‘te kennen geven dat de P.C. zich verpligt ziet het aan hem verleende verlof intetrekken, met uitnoodiging van onmiddellijk naar Frederiksoord op zijnen post terug te keeren’.

Daarbij is ‘uitnoodiging’ eufemistisch, hij moet gewoon. En woensdag 6 mei staat in een brief van de directeur vanuit Frederiksoord ‘gisteren alhier, op UWedGeb: last, wedergekomen zijnde’, dus gezien de reistijden van toen heeft hij zich inderdaad gehaast.

En dan is er een bijzondere rol weggelegd voor Coenraad Hulst, maar over hem eerst iets meer, want het is iemand die we in de post regelmatig tegenkomen. Hij komt duidelijk uit iets betere kringen dan de doorsnee koloniebewoner. De sollicitatiebrief die hij april 1824 schrijft, is een gesophisticeerd kunststukje. Het is dan, schrijft hij, al tien jaar dat hij in zijn geboorteplaats Assen ‘onafgebroken als geemployeerde op onderscheidene kantoren, meestal van financielen en administrativen aard ben werkzaam geweest’. Maar dat zijn allemaal geen vaste banen en hij is dan bijna 27 jaar en er is sprake van een ‘reikhalzend verlangen om tot een meer gevestigd bestaan te geraken’. En daarom, aldus Hulst, ‘dat ik mijne blikken vestigde op de administratie der kolonien’.

De kolonie Veenhuizen is dan net in oprichting en de Maatschappij maakt gebruik van Hulsts aanbod ‘om een of twee maanden zonder beloning in het eerste gestigt, in den bedoelden post werkzaam te zijn, om de Directie te overtuigen of en in hoe verre ik voor de bedoelde werkkring berekend was’. Met dien verstande dat ze er drie maanden proeftijd van maken en hem in het derde gesticht zetten. Hij wordt daar onderdirecteur-binnen (jaarsalaris 500 gulden) vanaf de start van dat gesticht in 1825. Dat doet hij negen jaar.

Dan komen er in 1834 diverse functies vrij waarop hij solliciteert, wat ik in dit stukje even noem, en wordt hij bevorderd tot adjunctdirecteur bij het bedelaarsgesticht Veenhuizen-2 (jaarsalaris 1000 gulden). Dat is een functie waarvoor iemand een borgtocht van duizend gulden moet stellen en dan blijkt weer de goede afkomst van Hulst, want de borgsteller is niemand minder dan een zoon van de voormalige gouverneur van Drenthe, Hofstede. 

De volgende carrièrestap is in 1836. Per 1 april van dat jaar wordt hij adjunctdirecteur voor de gewone of vrije koloniën (jaarsalaris 1200 gulden). Coenraad Hulst is dan 39 jaar en hij zal dit werk altijd blijven doen. Hij haalt daarna ook zijn familie binnen, want zijn twee jaar jongere broer Adrianus Hulst wordt in 1838 de nieuwe adjunctdirecteur van de kolonie Ommerschans en zal dat altijd blijven.

De organisatie in de vrije koloniën is dat ze alledrie een onderdirecteur aan het hoofd hebben. In 1840 is dat in Willemsoord Jan Lamberts Hoving, een voormalig wijkmeester uit Veenhuizen. In Frederiksoord is dat Hendrik Faaken, een oudgediende die al in het gebied woonde lang voordat de Maatschappij zich er vestigde en in Wilhelminaoord is de onderdirecteur Anne Hendriks Idserda. Die drie worden aangestuurd door de adjunctdirecteur voor de vrije koloniën en dat is vanaf 1836 dus Coenraad Hulst. Hij woont behoorlijk riant, in een huis dat niet zo ver van de school van Wilhelminaoord afstaat en dat de naam ‘Welgelegen’ draagt, wat Coenraad Hulst ook altijd trots boven zijn brieven zet en waarvan ik een fotootje uit het begin van de 20e eeuw bijvoeg, dat ik heb van de bijzonder goed-gedocumenteerde site van fledderkerspel: 

Het is trouwens in dat pand dat Coenraad Hulst in 1843 door de vrije kolonist Johannes Hermanus Kniessenberg met een mes zal worden bewerkt, maar dat even terzijde en terug naar 1840.

De Maatschappij wil profiteren van de ervaring die Coenraad Hulst heeft opgedaan als adjunctdirecteur van het tweede gesticht door hem daar weer naar toe te sturen. Hij wordt opgedragen ‘zich onverwijld derwaarts te begeven’. Met als opdracht om ‘provisioneel’, voorlopig, ‘het bestuur van den Heer Kluvers overtenemen’. 

Het zal ook Jacob Kluvers duidelijk zijn dat hij het niet lang meer gaat redden bij de Maatschappij.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 11
Terwijl Wouter Visser en Coenraad Hulst zich naar het tweede gesticht haasten, staat ook de commandant van de veteranen Johannes Thonhäuser op scherp. Hij moet elke maand een verslag inleveren ‘nopens den staat der militaire huisgezinnen’ in de kolonie. Dat verslag stuurt hij naar de permanente commissie en die stuurt het door naar het ministerie van Oorlog, want daaronder vallen de veteranen. Waarom Thonhäuser het dan niet rechtstreeks naar dat ministerie stuurt is een van die negentiende eeuwse hiërarchie-complicaties die voor ons moeilijk te begrijpen zijn.

Het vervelende gevolg voor de onderzoeker is dat de meeste verslagen van Thonhäuser in het archief van de Maatschappij van Weldadigheid niet terug te vinden zijn. Af en toe zit er eentje tussen, die dan zal zijn gekopieerd en in kopievorm naar Oorlog zal zijn gestuurd, en die is dan bijzonder lezenswaardig. Elk ondeugendheidje van een veteraan of een van diens familieleden, hoe miniem ook, wordt door Thonhäuser nauwgezet geregistreerd en aan het ministerie gerapporteerd. Vermoedelijk bevinden de niet in Assen bewaard gebleven rapportages zich in het Nationaal Archief en als dat zo is, kan de hele geschiedenis van de militaire veteranen in de koloniën van dag tot dag uitgezocht en uitgeschreven worden.

In het archief van de Maatschappij van Weldadigheid zijn wel de meeste begeleidende brieven van Thonhäuser aanwezig. Zo ook zijn begin mei binnenkomende begeleidende schrijven bij het verslag over april. In dat verslag aan het ministerie heeft hij ‘niets aangehaald over de wanorde welke hier heeft plaats gehad en misschien nog smeulende is’. Hij betwijfelt namelijk of dat ‘de Permanente Commissie wel aangenaam zoude zijn’. Die laat immers liever niets naar buiten komen over ontevredenheid bij kolonisten.

Johannes Thonhäuser verzekert de Maatschappij dat hij ‘alle maatregelen voor de veiligheid’ heeft genomen die hij kan bedenken. Althans, voor zover het tot de mogelijkheden behoort, want hij wordt beperkt ‘doordien er weinig patronen aanwezig zijn’. Hij heeft daarover al aan Wouter Visser geschreven. Aan hem heeft hij gevraagd om ‘2000 patronen en 2 à 300 steenen’. Die laatsten zullen vuurstenen zijn. Kortom, als het nodig is zijn de veteranen bereid er op los te knallen.

Wouter Visser is nauwelijks terug in Veenhuizen of hij moet weer optreden. Opnieuw speelt het bij zaalopziener De Waal en opnieuw laat de plaatselijke directie het afweten. De 19-jarige bedelaarskolonist Dirk Volmers begint ‘met het eten te werpen, en hetzelve voor zwijnen-eten uit te schelden’. Gijsbertus de Waal vermaant hem ‘niet met zijn voedsel te spotten’, maar de jongeman laat zich niet bijsturen en De Waal neemt hem mee naar de onderdirecteur-binnen. Die doet de jongen ‘scherpe verwijtingen over zijn gedragingen’, maar Dirk Volmers gedraagt zich ‘hardnekkig’ en De Waal krijgt opdracht hem op te sluiten.

Daar is Volmers het niet mee eens: ‘Onder het in arrest brengen liep hij van de zaalopziener weg naar de zaal.’ De Waal gaat eerst weer aan de onderdirecteur vragen wat hij moet doen. Oppakken en opsluiten! De Waal neemt een veldwachter mee, maar als ze bij de zaal komen, ‘stelde zich den kolonist Hermanus van Duin aan het hoofd van eenige medekolonisten, zeggende: dat zij D Volmers niet in arrest lieten nemen’. NB: Hermanus van Duin kan volgens zijn inschrijving ook Hendrikus heten.

Daarna begint iedereen wat besluiteloos te drentelen. De Waal stuurt de veldwachter naar de onderdirecteur, die zegt het tegen de adjunctdirecteur en er wordt een briefje geschreven naar directeur Jan van Konijnenberg in Frederiksoord met een verslag. De veldwachter ‘verhaalde het gebeurde aan den opziener der gebouwen, welke dit aan anderen wederom verhaalde’. En er gebeurt verder niks.

Tot het ‘ter ooren kwam van den Inspecteur der Kolonien’. Wouter Visser begeeft ‘zich onverwijld naar de zaal, haalde genoemde D Volmers uit dezelve’ en sluit hem op. Zo doe je dat.

Een dag later komt het voor de ‘Raad van Politie en Tucht voor Bedelaars Kolonisten’. De eerste zitting van de raad die niet wordt voorgezeten door Jacob Kluvers, maar door Coenraad Hulst met achter zijn naam ‘Adjunct directeur a.i.’, ad interim.

Dirk Volmers komt er genadig van af met drie dagen opsluiting omdat men de indruk heeft dat hij ‘deswegens berouw gevoelde’. Hermanus of Hendrikus van Duin echter, die tijdens de ondervraging ‘met onbeschaamdheid zijn misdrijf bekende’ wordt strenger aangepakt en veroordeeld tot ‘14 dagen provoost arrest in boeyen voorafgegaan met 20 rietslagen’. Daarna wordt het weer rustig.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 12
Wat een beetje door alles heenspeelt is dat al enkele tijd terug besloten is de zaalopziener Schaghen in het tweede etablissement te ontslaan. Naar de preciese reden heb ik niet gezocht, maar we weten al dat Anthony Bernardus Schaghen een schuinmarcheerder is, zie in dit stukje. Er was op een gegeven moment ook iets - heb ik nu niet nagezocht – met diefstal door Schagen van kolonisten, maar wat het ook zij: hij ligt eruit.

Zijn echtgenote schrijft deze dagen als ‘een bedrukte vrouw wiens boesem overstolpt is met droefhijd’. Ze smeekt, mede namens haar ‘tiental kinderen’ om hun ‘gewisse ondergang’ te voorkomen.Ze schetst de armoede en het gebrek waaraan zij zullen zijn overgeleverd, alleen al de reis met het grote gezin en al hun goederen stelt hen voor kosten die ze niet kunnen opbrengen.

Zulke wanhopige brieven zijn tamelijk standaard, meestal als een staflid ontslagen wordt volgen er dergelijke smeekbrieven. Niet onterecht, werkloosheidsuitkeringen bestaan nog niet, het komt regelmatig voor dat een ontslagen employé aan de andere kant van de scheidslijn terechtkomt en tot de rangen der bedelaars afdaalt.

Maar interessant is dat een van de leden van de permanente commissie de envelop van die brief heeft gebruikt om alle geplande maatregelen met betrekking tot het tweede etablissement op een rijtje te zetten. Het is niet allemaal te lezen, maar achter de naam van Kluvers staat ‘ontslaan’, hetzelfde (zie onder) achter de naam van Schagen en ook wel duidelijk is wat ze bedoelen als ze achter de naam van Visser zetten ‘pluimpje’.

Wat ze van plan zijn met onderdirecteur Ente en zaalopziener De Waal kan ik echt niet lezen. Daar mogen jullie me bij helpen:

En dan hebben ze dankzij de informatie vanuit het gesticht van Wouter Visser en Coenraad Hulst vijf kolonisten geïdentificeerd als de aanstokers van het broodoproer. Die worden overgeplaatst naar de Ommerschans en krijgen daar twee weken cachotstraf voorafgegaan door rietjesslagen.

De brieven die directeur Jan van Konijnenburg deze periode stuurt, wekken de indruk dat hij de hele toestand nogal opgeklopt vindt. Het is 8 mei als hij schrijft dat Coenraad Hulst eigenlijk snel weer terug moet naar Huize Welgelegen ‘zoo uit hoofde der tegenwoordige ziekelijke gesteldheid zijner vrouw, als omdat hij in zijne eigene betrekking, mede bezwaarlijk lang kan worden gemist’.

En hij wil een eind aan de ‘onbestemdheid van den persoon van Kluvers’. Moet die eruit of moet die er niet uit? Mocht de permanente commissie Kluvers op zijn post laten, en Van Konijnenburg voegt daar nadrukkelijk aan toe ‘waarvoor nog al veel te zeggen zoude zijn en waarop ik voor mij, geen bepaalde bedenkingen zoude te maken hebben’, dan zou de onderdirecteur Ente beter vervangen kunnen worden. Van Konijnenberg vindt Abraham Bernhard Ente ‘een zacht man, van te weinig veerkracht en voorkomen, voor het onmiddellijk opzigt over de huishouding van een bedelaars-gesticht’. Er kan beter een onderdirecteur komen die al eerder ervaring heeft opgedaan met het temmen van bedelaars en dan denkt hij aan Cornelis Wilhelmus Rensing.

Niet dat Ente wat Van Konijnenberg betreft helemaal weg moet. Er is bij het tweede gesticht geen boekhouder en Ente zou ‘in afwachting van een ander emplooi, met behoud van tractement, als boekhouder kunnen blijven en het salaris van onderscheidene schrijvers en andere kleinere emploijés kunnen besparen’. Mocht de permanente commissie er wel toe besluiten Kluvers te ontslaan, dan zou Van Konijnenberg hem graag zien als onderdirecteur bij een van de wezenetablissementen, ‘als hoedanig hij steeds zeer voldaan heeft’.

De permanente commissie gaat maar tot op zekere hoogte met de directeur mee. Inderdaad wordt Ente gedegradeerd tot boekhouder van het tweede gesticht met behoud van het loon van een onderdirecteur (500 gulden per jaar), terwijl tegelijk Cornelis Wilhelmus Rensing wordt overgeplaatst en de functie van onderdirecteur bij het tweede gesticht gaat vervullen. Blijkbaar vindt men het geen bezwaar om twee onderdirecteurssalarissen te betalen.

Maar ten aanzien van Jacob Kluvers gaat men niet met de directeur mee. Hij moet verwijnen. Bij de aantekeningen die mevrouw Kloosterhuis eind vorige eeuw gemaakt heeft, staat een citaat over de relletjes waarvan ik de oorsprong niet weet maar dat authentiek genoeg klinkt om echt uit het archief te komen: ‘De heer Kluvers bezat niet de vastheid en de veerkracht benodigd in dergelijke omstandigheden.’ Per 31 mei dient de voormalige kruidenier de kolonie verlaten te hebben. Over zijn verdere omstandigheden is niets bekend, maar Jacob Kluvers zal al vier jaar later te Groningen overlijden.

De nieuwe adjunctdirecteur wordt van buiten aangetrokken. Jan Hendrik Engelbrecht of Engelbregt staat bij zijn aantreden kort voor zijn dertigste verjaardag en is – uiteraard bijna – militair. Dat is toch de achtergrond die je volgens de Maatschappij moet hebben om met een bedelaarsgesticht om te gaan.

Hebben we alleen nog de vraag hoe de Maatschappij van Weldadigheid naar de buitenwereld toe om gaat met dit oproer. Dat komt morgen in het slot van dit feuilleton.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 13
Directeur Jan van Konijnenburg moet altijd rond de 20e van de maand de kopij inleveren voor het Maatschappij-maandblad De Vriend des Vaderlands, want in dat blad vult hij de vaste rubriek ‘Berigten uit de kolonie’. Zo ook 23 mei 1840 en hij neemt dan in zijn tekst een stukje over het paasoproer op:

‘Maakte ik in mijne vorige berigten melding van het goed gedrag der kolonisten, kort daarop ontving ik kennis van eenige wanordelijkheden, welke op den 20e en 21e April in het bedelaars-gesticht te Veenhuizen hadden plaats gehad: Een vijftal kwaadwilligen hadden meer anderen tot onbetamelijke vorderingen, ongehoorzaamheid en verzet opgeruid, dat, aanvankelijk door geen voldoende maatregelen te keer gegaan zijnde, eenige dagen bezorgdheid baarde, maar thans zoo door overplaatsing dier kwaadwilligen naar de Ommerschans, alwaar ze voor hunne bedrijven zullen worden gestraft, als door noodzakelijk bevonden vervanging van eenige ambtenaren, weder is teregt gebragt, zoo dat er voor herhaling van diergelijke voorvallen weinig vrees meer bestaat.’

Maar iemand van de permanente commissie heeft langs deze passage een dikke potloodstreep gezet en daarbij, ook in potlood, geschreven: ‘het aangehaalde niet over te nemen voor de Vriend’.

Ik heb natuurlijk het mei-nummer van de Vriend des Vaderlands (zie ook hier over het blad) er op nagekeken, en inderdaad: de passage staat er niet in.

In andere publicaties van de Maatschappij zul je het ook niet vinden, er is nooit één woord over het paasoproer van 1840 naar buiten gekomen.

Tot dit feuilleton dan.

Slot!

 

 

De strijd om de bakkerij op de Ommerschans, deel 1

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Ook een manier om te proberen aan een baan te komen: je vader eruit wippen. Maar laat ik bij het begin beginnen. Johannes Hermanus de Bruijn is 42 jaar en heeft in het verleden gewerkt als broodbakker als hij in maart 1824 vanuit Middelburg wordt geplaatst in de vrije kolonie Wilhelminaoord. Echtgenote is Clasina Landsdouw, het stel heeft vijf kinderen. Adriana Johanna is de oudste, zij is geboren in 1809. Dan volgen een dochter en een zoon en dan speciale aandacht voor zoon Martinus Johannes, bij aankomst op de kolonie nog geen vijf jaar oud, hij zal later in het verhaal een belangrijke rol gaan spelen. En tenslotte is er nog een dochtertje dat bij aankomst drie jaar oud is.

De oudste dochter Adriana Johanna krijgt in de loop van 1827 verkering met Arie Groen. Hij is een zoon van de Vlaardingse koloniste Cornelia Cordia weduwe van Cors Groen. Die laatste, dus Arie's vader, is ooit in 1814 als zeeman uitgevaren en als zovele zeelui nooit weerom gekomen. Arie is een paar jaar terug, in 1825, op 20-jarige leeftijd van de kolonie ontslagen. Bij die gelegenheid schrijft de directie over hem: 'Deeze jongeling is gezond, sterk en zeer goed bekwaam om door eigen handen arbeid zich een bestaan te verschaffen.'

Maar hij blijft wel in de buurt, blijkbaar bezoekt hij regelmatig zijn moeder in Wilhelminaoord. Want een half jaar na zijn ontslag probeert een andere kolonieweduwe, Grietje Klaas Jongens weduwe Muis, de kolonie te ontvluchten. De reden is dat zij 'eene te gemeenzame verkering had gehouden met Arie Groen, waarvan wellicht het gevolg kon zijn, dat zij zwanger was'. Ze verklaart dat zij, om aan straf te ontkomen, zich op de avond van 21 februari 1826 'met hare kinderen had begeven naar Steenwijk en den volgenden dag naar Zwartsluis, ten einde met eenen veerman over te varen; doch ongelukkiglijk in laatstgemelde plaats door de policie gevat en vervolgens naar de kolonie getransporteerd was geworden'.

Omdat Arie niet meer tot de kolonie behoort, kan hij hier niet voor gestraft worden. De weduwe Muis wel, ze wordt met haar kinderen verbannen naar de strafkolonie op de Ommerschans. Daar baart zij acht maanden later een zoon en die laat ze dopen 'Arie'.

Vervolgens is daar een paar jaar later dan Adriana Johanna de Bruijn en haar trouwplannen met Arie Groen. 'Haar vader had reeds eene keet met eenig land voor haar gekocht, dat zij zouden betrekken, zoodra zij haar ontslag van de kolonie zoude bekomen hebben.' Maar als op 5 januari 1828 de moeder van Adriana Johanna aan de Maatschappij het ontslag voor haar dochter aanvraagt, krijgt ze dat niet. Want men vertrouwt het niet. Men kent de pappenheimers.

Inderdaad geeft Adriana Johanna een maandje later toe dat ze zwanger is. Arie Groen vervult inmiddels zijn militaire dienstplicht en is dus nog steeds ongrijpbaar voor de koloniale tuchtrechtspraak. Adriana Johanna wordt wel gestraft, ze wordt verbannen naar de strafkolonie op de Ommerschans. Daar baart zij vijf maanden later een zoon en die laat ze dopen 'Arie'.

Maar ze zit niet moedertjelief alleen op de Ommerschans. Want al heel kort na haar verbanning trekt het hele gezin De Bruijn ernaartoe. Vader Johannes Hermanus heeft in juni 1828 de functie van 'bakkersbaas' voor de schans geaccepteerd. Vanaf dan bakt hij elke dag (aardappel)brood voor de hele populatie en dat is niet niks: per 1 juli 1828 bijvoorbeeld zo'n 900 bedelaars, 100 strafkolonisten, 100 bewoners van de grote hoeven op het land rond de schans en zo'n 100 leden van ambtenarengezinnen. Dat zijn heel wat broden! Volgens mij doet hij het goed, want terwijl er vanuit Veenhuizen af en toe klachten komen over niet helemaal gaargebakken brood, heb ik die geluiden vanuit de Ommerschans nooit gehoord.

Dochter Adriana Johanna mag na een jaartje van de schans af en dan is Arie Groen blijkbaar klaar met zijn militaire dienst, want ze trouwen in 1829, zie ook de genealogische kaart van Arie Groen op bonmama. Ze blijven daar in de buurt wonen en krijgen onder andere zoons die ze naar hun respectieve vaders noemen.

Maar we verlaten Adriana Johanna en keren terug naar het broodbakken. Het verhaal gaat verder in het najaar van 1846. Vader Johannes Hermanus de Bruijn is inmiddels 64 jaar en het gaat allemaal niet zo vlot meer. Directeur Jan van Konijnenburg noemt het op 25 september 1846 'ontwijfelbaar, dat de oude man niet meer in staat is, om het opzigt der broodbakkerij te houden'. Volgens hem is Johannes Hermanus 'sterk aamborstig' zodat hij '’s winters vooral, maanden achtereen het huis niet kan verlaten'. Het broodbakken voor de Ommerschans gebeurt dan 'meerendeels, zoo niet eeniglijk, door zijnen zoon Martinus Johannes oud 27 jaren'.

Die zoon verlangt nu 'ook in naam baas te mogen worden'. Martinus Johannes wil aan zijn eigen toekomst bouwen, hij wil trouwen en de bakkerij overnemen. Volgens Van Konijnenburg zou dat best kunnen, hij meldt dat Martinus Johannes 'zijne zaak best verstaat en uitmuntend waarneemt'.

Maar wat moeten vader, zijn echtgenote en twee nog thuis wonende dochters dan? Vader Johannes Hermanus pakt de pen om te protesteren dat hij 'daar door buijten bestaan zou komen het welk mijn Groote Zielsmart zou veroorzaken Ja zelf mijne gezondheijd zou ondermeijnnen en mijne levensdagen zou verkorten'.

Pikant! Gevoelig. Dit wordt absoluut familie-hommeles. 

Koningsdag

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Het blijft wennen. Ik heb zo in mijn hoofd zitten 30 april. En dan is het toch wel een hele overstap om aan 27 april gewoon te raken. Maar het is een kleine overstap in vergelijking tot die in de periode die we aan het indexeren zijn.
Koning Willem I is jarig op 24 augustus. In het hele land wordt 'Konings Jaardag' groots gevierd. Ook in de koloniën en, gezien de nauwe band tussen het koningshuis en de Maatschappij van Weldadigheid, misschien wel vooral in de koloniën. Alle koloniale gebouwen zijn uitbundig versierd met slingers en takken, er is 'muzijk', er wordt gedanst, 's avonds staan er brandende teertonnen, voor de jongeren zijn er spelen als 'sprietloopen, aaltrekken, in den zak loopen'.
Weet iemand misschien wat 'aaltrekken' is? Ik kan het niet vinden.
Maar in 1840 treedt Willem I af en wordt hij opgevolgd door zijn oudste zoon. En Willem II is jarig op... 6 december.
Een lulliger dag is er niet te vinden. Zowel vanwege het 'ongunstige jaargetijde' als omdat de dag ervoor het Sinterklaasfeest is.
In het bedelaarsgesticht Veenhuizen-2 besluit de directie om in 1842 de koningsdag dan maar helemaal niet te vieren. De sfeer is er toch al jaren gespannen (over het paasoproer van 1840 volgt binnenkort meer) en adjunctdirecteur Rensing vindt dat men op zijn hoede moet blijven 'op dat geene uitspanning tot uitspatting overslaat'. De dag ervoor was het al bijna fout gegaan, hij meldt dat 'op Sint Nicolaas avond ongeregeldheden zouden hebben plaats gehad indien onze politie dezelve niet gekeerd had'. Hij blaast zowel de oud- en nieuwviering als de koningsdag af.
Theo Zelders wees mij op batch 415 scan 637 met de veroordeling van een bedelaar die al talloze overtredingen op zijn naam heeft staan en toen ik daarop door ging zoeken, kwam ik erachter dat dat een verweer van adjunct Rensing was met betrekking tot koningsdag. Een aantal bedelaars onder aanvoering van ene Andreas Rieborn heeft een klacht bij de koning gedeponeerd 'over het niet vieren van s' Konings verjaardag en het houden van een Raad van Tucht op dien dag'. Dat hen een feestje door de neus geboord wordt is al erg, maar om juist die dag ook nog eens mensen te gaan bestraffen...
En ook niet een beetje bestraffen. Want onder andere staat die dag terecht de bedelaar Johannes Franciscus Schoutelen, die al zes keer eerder is veroordeeld wegens of het verkopen van koloniale kledingstukken of 'opruijing van mede kolonisten om niet te gaan werken' of poging tot desertie. Nu heeft hij weer twee hemden verkocht. Hij wordt veroordeeld tot veertien dagen geboeid in de cel zitten met om de andere dag te water en brood, maar 'aangezien hij een onverbeterlijk en in allen opzichte slegt sujet is, zoo heeft de raad vermeent te beproeven of hij door 15 rietjes slagen ook van zijne verkeerdheden zoude af te brengen zijn'.
Dus publieke tuchtiging in plaats van feest!!
De enige verontschuldiging van Rensing is dat 'de Raad van Tucht nu eenmaal geconvoceerd was'.
Het chagrijn op het tweede gesticht zal nog verder toenemen en een half jaar later leiden tot een grote opstand.
De verjaardag van zijne majesteit niet in december vieren maar ergens in de zomer, is het soort van pragmatische soepelheid dat je in de negentiende eeuw niet hoeft te verwachten.
En de moraal van dit verhaal is dat we boffen dat we niet onder Willem II leven en we morgen onder een zonovergoten hemel kunnen sprietlopen, aaltrekken en in de zak lopen.
 


Herindeling derde gesticht Veenhuizen

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Het is passen en meten eind 1842. Er wonen rond die tijd in de kolonie Veenhuizen iets meer dan 6.000 mensen. Als ik even de cijfers neem van 1 januari 1843 dan zijn het er 6.073. Daaronder 3.042 bedelaars, dus ongeveer de helft, de meeste - 2.747 stuks - ondergebracht op zalen, de overige 295 wonen in gezinsverband in de woninkjes aan de buitenkant van de gestichten. In die woninkjes verblijven ook 487 personen als leden van arbeidershuisgezinnen en 512 als leden van veteranengezinnen. Op de grote hoeves die verspreid over het terrein staan wonen 75 mensen (er staan op het moment enkele hoeves leeg) en er zijn 294 personen lid van een ambtenarengezin. Verder zijn er 15 mensen die van alles kunnen zijn, omdat ze te boek staan als strafkolonist of als gedetacheerde en tenslotte wonen er 1648 weeskinderen.
Die laatsten zijn in de loop van het jaar 1842 samengebracht in het eerste gesticht en het derde gesticht, dat oorspronkelijk ook wezenetablissement was, is nu helemaal voor bedelaars. Afgezien van enkele tientallen weeskinderen die daar nog enkele jaren blijven wonen omdat ze als arbeiders in de stoomspinnerij werken.
Met over de zesduizend bewoners zit de kolonie bijna op zijn top qua bewonersaantal, er zullen de komende jaren nog zo'n tweehonderd bijkomen, maar voor het moment moet er al geschoven worden om iedereen onderdak te krijgen. In alledrie de gestichten zijn de bovenverdiepingen, die in de begintijd vooral voor opslag werden gebruikt, ingericht als woonzalen. In het derde gesticht is men nog bezig die zolder te ‘beschieten’, dwz met schotten af te scheiden, en af te werken.
Ferry kwam met bijgaande plaatjes (batch 408 scan 528) hoe directeur Jan van Konijnenburg denkt in dat derde gesticht extra ruimte te scheppen. Eerst de benedenverdieping:

Stukje 55 - Plaatje A-beneden

Een schaal staat er niet bij, maar we weten dat het gebouw vier zijden heeft van ongeveer 145 meter lang en dat het ongeveer tien meter breed is. In tegenstelling tot wat gebruikelijk is, is de bovenkant van deze tekening het oosten. Onderaan is de hoofdpoort en die is gericht naar het westen, naar de zogenaamde ‘Zesde Wijk’, die de uiterste westgrens van de kolonie vormt. Rond die poort zijn ook de ‘Ambtenaarswoningen’. Aan de ene kant daarvan de school, aan de andere kant het magazijn. Aan de andere drie zijden van het gebouw zijn aan de buitenkant wat hier genoemd wordt de ‘buitenwoningen’, oftewel de luxe appartementen (4.20 bij 4.70 meter) voor de gezinnen van arbeiders, veteranen en bedelaars.
Aan de binnenkant zijn de zalen, genummerd 1 tot en met 12. Links zijn de vrouwenzalen, rechts de mannenzalen. Het probleem zit hem vooral in de huisvesting van mannen, bij de vrouwen zijn november 1842 nog wel zo’n 60 plaatsen vrij. Naast zaal 7 is het katoenmagazijn, wat een heel logische plek is, want de stoomspinnerij ligt kort achter de achterpoort. Van Konijnenburg stelt voor om die zaal, ‘waarin in dit oogenblik slecht eenige weinige balen geborgen zijn, die wel in de fabrijk zelve zullen kunnen geplaatst worden’, als woonzaal in gebruik te nemen. ‘Mogt dan weldra, – gelijk te wenschen is, – de wintervoorraad katoen aankomen, dan zou dezelve in de oude ziekenzaal (N5) waarin de planken vloer hiertoe bijzonder dienstig is, kunnen geborgen worden.’
Naast zaal 6 is een hokje dat ik echt niet kan lezen (iemand suggesties?) plus de woning annex winkel van de winkelier. Zaal 5 is de ‘tegenwoordige ziekenzaal’, maar dat gaat veranderen, die gaat naar de bovenverdieping, zie het volgende plaatje.

Stukje 55 - Plaatje B-boven

De bovenverdieping. Er komen dus twee nieuwe ziekenzalen, allebei met een afgescheiden gedeelte ‘voor scabieusen', voor mensen met schurft. Verder zie je de fabriek of ‘fabrijk’, waar de bewoners spinnen, weven, naaien en breien, met een magazijn erbij. Het kledingmagazijn ligt boven het gewone magazijn, maar beslaat de hele breedte (dus 10 meter) van het gebouw. Verder de timmerzolder en de korenzolder. Plus de in aanbouw zijnde zalen 13, 14 en 15, waarbij 15 een heel lange is. Tussen de zalen 14 en 15 wil Van Konijnenburg een nieuwe zaalopzienerswoning maken. Al met al zou door deze ingrepen het aantal zaalopzieners met 1 toenemen van zes naar zeven. Van Konijnenburg heeft alvast een ‘verdeeling onder de zaalopzieners’ gemaakt:

Stukje 55 - Plaatje C-zaalopzieners

Het volledig benutten van de woninkjes aan de buitenkant van het gebouw is simpeler. Onder de arbeidershuisgezinnen en de veteranengezinnen zijn er een aantal waar een van de ouders overleden is. De overgebleven weduwen en weduwnaars worden gewoon twee aan twee met hun kinderen bij elkaar in huis geduwd. Hoppa. Hadden ze maar geen weduwnaar of weduwe moeten worden.
 


Subcategorieën