Uw zoekacties: Blader door de toegangen Heren van Hoogersmilde
 0602 Heren van Hoogersmilde
 
 
Zoek in deze archieftoegang
Uitgebreid zoeken
 
 
 
 
 
0602   Heren van Hoogersmilde
1.1.  Geschiedenis van de heerlijkheid
In 1615, wanneer Adriaen Pauw, heer van Heemstede en pensionaris van Amsterdam, participant wordt in de Hollandse compagnie van de acht parten *  , is er nog geen sprake van enig goed functionerend bestuur over de Dieverder en Leggeler Smildervenen. Binnen de compagnie is ook nog maar weinig georganiseerd; de schaarse initiatieven komen van de afzonderlijke participanten. Pas in 1618 komt hierin verandering *  en wordt over de compagnie en de Dieverder en Leggeler Smildervenen gaandeweg een beter bestuur gevoerd. Vooral met de komst van Pieter Serwouters in 1629 *  lijkt dat aan de voornaamste doelstelling van het octrooi is voldaan. De venen zijn tot ontwikkeling gekomen en worden bevolkt door een kleine groep van veenarbeiders en veenmeiers, die genieten van de voordelen van het octrooi. De verlenging van het octrooi in 1633 moet dan ook louter worden gezien als een tweede stimulans door Ridderschap en Eigenerfden gegeven aan de Hollandse (maar ook andere!) participanten, ditmaal om de ontwikkeling van de Smildervenen en de groei van de bevolking ervan te continueren *  .
Blijkbaar was deze verlenging voor de Landschap niet voldoende, immers op dezelfde dag van de prolongatie van het octrooi wordt de heerlijkheid Hoogersmilde in het leven geroepen. Het grondgebied van de heerlijkheid is volkomen identiek met het gebied dat door de compagnie geëxploiteerd werd en men wenst kennelijk niet dat een uitsluitend op winstbeluste compagnie het bestuur over de venen op zich zou nemen, maar een lagere overheid in de gedaante van een heerlijkheid *  .
Dat de lagere overheid over de Smildervenen een heerlijkheid wordt en niet een uitsluitend aan het Landschapsbestuur onderhorig schultambt is het gevolg van de (politieke) situatie in die tijd. Holland was toen het machtigste gewest in de Republiek en het aanzien van Drenthe zou verstevigd kunnen worden indien Hollanders warm zouden kunnen lopen voor Drentse belangen. Dit was mogelijk als ze zelf ook belangen in Drenthe hadden. Het is bekend dat aanzienlijke Hollanders bij de verveningen in de Smildervenen betrokken waren (o.a. burgemeesters van Amsterdam), maar slechts één leek door zijn hoge functie de man bij uitstek: Adriaen Pauw. Deze was in 1631 raadspensionaris van Holland, Zeeland en West-Friesland geworden *  . Hij zou voor de specifieke Landschapsaangelegenheden zijn invloed kunnen doen gelden *  .
Er is van hem bekend dat hij in latere tijd een inbreng had in de oplossing van het conflict tussen de Landschap en de heerlijkheid Ruinen (1644-1645) *  en van de moeilijkheden rondom George Nijkerk (1652) *  . In 1633 speelden echter andere zaken een rol zoals de wens van Drenthe zijn eigen Drost te kiezen, vertegenwoordiging in de Staten-Generaal of verlaging van de quota *  . Hoe het ook zij, er speelden bij het ontstaan van de heerlijkheid en de keuze van Adriaen Pauw als eerste heer van Hoogersmilde een aantal uiteenlopende belangen en beweegredenen een rol. Voor Adriaen Pauw zelf waren er ook voordelen, hij had immers ook belangen in de Smildervenen, die door zijn belening met Hoogersmilde nog beter behartigd konden worden.
1.1.01.  1634-1653: Adriaen Pauw
Op 11 februari 1634 wordt Adriaen Pauw door de Landschap Drenthe (als leenheer) met de heerlijkheid Hoogersmilde beleend *  . Zijn rentmeester Hendrick de Goyer had namens hem om belening verzocht en ten overstaan van de leenmannen Johan van Welvelde te Klenke en Roelof van Echten tot Echten eed en leenhulde gedaan en het heergewaad betaald. Omdat geen van de opeenvolgende heren van Hoogersmilde in Hoogersmilde woonde maar in Amsterdam, verleenden ze aan de schulte een mandaat om namens hen beleend te vorden. In 1634 moest de schulte nog aangesteld worden en trad de rentmeester van Adriaen Pauw op namens hem.
Bij zijn belening volgens Stichts recht bepaalden Ridderschap en Eigenerfden dat Adriaen Pauw bij uiterste wil (bijv. testament) over de heerlijkheid kon beschikken *  . Zijn erfgenaam moest echter binnen drie maanden eed en leenhulde doen, terwijl de heerlijkheid niet verdeeld mocht worden. In de beleningsakte werd bepaald dat de heer van Hoogersmilde het recht van de hoge jurisdictie had, hetgeen betekende dat er in de heerlijkheid naast de civiele ook criminele rechtspraak uitgeoefend mocht worden en daar gebruikmaking van dit recht meestal gepaard ging met plaatsing van een galg werd de heer ook wel halsheer genoemd; zo ook de heer van Hoogersmilde. Verder was deze gerechtigd om keuren en ordonnantiën uit te vaardigen, moest hij de rechtspraak laten administreren en mocht hij de opbrengst van de boeten genieten. De souvereiniteit bleef bij de Landschap waar men ook in hoger beroep kon gaan. Bij zaken die de vijftig caroliguldens overschreden moest men een borgsom betalen.
Op dezelfde dag van de belening had Hendrick de Goyer namens Adriaen Pauw de Staten van Drenthe nog een verzoekschrift aangeboden dat betrekking had op de compagnie *  . Adriaen Pauw was bang dat zijn medeparticipanten zaken konden pretenderen, die ook aan hem vergund waren. In de beleningsakte hadden Ridderschap en Eigenerfden wel simpel aangeduid dat hij met de participanten in "gemeenschap" zijn gezag over de venen moest voeren, maar hij voorzag dat zijn macht door het aan de compagnie verleende octrooi wel eens gekortwiekt kon worden. Het antwoord van de Staten was dat de participanten binnen zes maanden hun pretenties kenbaar moesten maken, hetgeen zij echter pas enkele jaren later gedaan hebben.
Hendrik de Goyer had tijdens zijn verblijf in Drenthe in februari van dat jaar 1634 nog een opdracht van zijn heer die uitgevoerd moest worden en dat was de aanstelling regelen van de eerste schulte van Hoogersmilde *  . Kandidaat voor dit ambt werd Zeger Ketel, de toenmalige schulte van Meppel, Kolderveen en Nijeveen. Deze werd op l4 april 1634 door Adriaen Pauw aangesteld en op 7 september verkondigde hij zijn benoeming aan de (kleine) bevolking van de Smildervenen, nu heerlijkheid Hoogersmilde. Hij bleef echter in Meppel wonen, omdat hij zijn ambt als schulte aldaar behield.
Een jaar later stelt Adriaen Pauw een tweede functionaris aan in de heerlijkheid: Emmerick Jans, veenmeester van de compagnie (!) die met de titel "pluimgraaf en wildschut" de verantwoording voor de jacht in Hoogersmilde ten behoeve van zijn heer gaat dragen *  .
In 1637 komt de in dat jaar aangestelde schulte *  mr. Cornelis Jansen (chirurgijn te Diever) in conflict met de compagnie. In opdracht van zijn heer laat hij de pander van Hoogersmilde de plakkaten van de compagnie verwijderen, waarmee de participanten de orde en de rust op de venen willen handhaven. De veenheren van de compagnie voelen zich in hun recht van uitvaardiging van keuren bedreigd en protesteren bij Ridderschap en Eigenerfden, echter drie jaar te laat *  . Een jaar na de eerste conflicten stelt de compagnie het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Hoogersmilde aan, een regelrechte provocatie van de heer van Hoogersmilde, waardoor het conflict op de spits wordt gedreven *  .
Hoewel alle betrokkenen in dit conflict uit Holland afkomstig waren, diende het geschil volgens het heersende Landrecht in Drenthe uitgevochten te worden. Daardoor moesten de partijen in Drenthe een plaats kiezen waar zij, althans hun vertegenwoordigers, de gerechtelijke aanzeggingen (insinuaties) in ontvangst konden nemen: het "domicilium citandi". Door de compagnie werd het huis van de veenmeester Jan Jans aangewezen, terwijl de heer van Hoogersmilde het huis van mr. Cornelis Jansen in Diever koos. Later werd het huis van de advocaat Johan van Alten door de heer aangewezen *  . Toch viel de uiteindelijke beslissing (uiteraard) in Amsterdam, waar in 1642 een overeenkomst werd gesloten, die in 1643 door het Landschapsbestuur werd bekrachtigd. De compagnie zou buiten de aangelegenheden de verveningen betreffende, geen aanspraken meer maken op enige jurisdictie, terwiji de heer zich alleen zou bemoeien met zaken als rechtspraak en algemeen bestuur in de heerlijkheid *  . Het recht van het uitvaardigen van keuren of ordonnantiën bleven beide partijen behouden, echter ieder op zijn eigen terrein *  .
In 1642 had de Drost al het wapen en zegel van Hoogersmilde goedgekeurd *  . Gerard Pauw, een zoon van Adriaen Pauw, stuurde daarop het zilveren zegel naar de schulte in Diever, die het op 31 augustus 1642 in zijn bezit kreeg.
De schulte van Hoogersmilde hield zich niet alleen met specifieke heerlijkheidszaken bezig; voor de heer behartigde hij ook diens particuliere belangen in Drenthe. Op de eerste plaats hield hij hem op de hoogte van de ontwikkelingen rond de compagnie, o.a. tijdens de conflicten tussen de marke van Hijken en de participanten *  . Maar ook komen we zijn naam tegen bij de pogingen van Adriaen Pauw om zijn grondbezit in Drenthe uit te breiden, o.a. Eemster *  en de Hijkermarke *  , maar ook in Friesland, o.a. Appelscha *  . Daarbij probeerde een der verkopers, jr. Johan van Ensse, munt te slaan uit de vereiste aanwezigheid van Pauw bij de vredesbesprekingen tussen de Republiek en Spanje in Munster: door hem uit te nodigen op een eventuele doorreis door Drenthe de venen te komen bezichtigen welke verkocht zouden worden *  . Maar dit heeft geen doorgang gevonden.
In 1651 overlijdt de schulte mr. Cornelis Jansen *  . Tijdens een rondgang door de venen krijgt hij een beroerte waardoor hij valt en op zijn hoofd in een turfkuil terecht komt. Enige tijd later wordt hij door voorbijgangers dood aangetroffen. Meteen daarna worden kandidaten voor de opengevallen plaats voorgedragen van wie Jacob Pietersen Lansel gekozen wordt, die in 1652 als schulte wordt beëdigd *  . Voordien was hij een der voornaamste vertegenvoordigers van de compagnie in Drenthe en had hij zich de afgelopen twintig jaren ingezet voor de aankoop van venen die tot dan toe in het bezit waren van Drentse participanten *  . De eerste opdracht die Lansel krijgt is van Michiel Pauw, de oudste zoon van Adriaen Pauw, die hem opdraagt om bij de weduwe van mr. Cornelis Jansen, de overleden schulte, het zilveren zegel met de officiële papieren die betrekking hebben op het schultambt, op te halen *  . Michiel Pauw noernt zich hierbij al heer van Hoogersmilde, terwijl zijn vader, die officieel de titel nog op zijn naam heeft staan, nog in leven is! Maar een jaar later sterft Pauw in zijn woning op de Herengracht in Den Haag en wordt hij in Heemstede, waar hij ook heer was, begraven *  .
1.1.02.  1654-1659: Michiel Pauw
Op 21 februari 1654 wordt Michiel Pauw met de heerlijkheid Hoogersmilde beleend *  . Ten overstaan van de leenmannen Johan van Echten tot Echten en Bartholomeus de Coninck tot Peize voldoet de schulte Jacob Pietersen Lansel aan de verplichtingen. Op 31 oktober wordt ook aan Michiel Pauw toegestaan om bij uiterste wil over de heerlijkheid te beschikken *  .
Nog hetzelfde jaar krijgt Lansel opdracht tot het plaatsen van een galg en grenspalen, waarvan we in het archief de tekeningen aantreffen *  . Rond 1656 blijken de grenspalen er te staan want enkele palen die de grens met de marke van Diever markeren, worden door de schulte van Havelte en Vledder uit de grond getrokken *  . Hij had hiertoe opdracht gekregen van de Drost, die op zijn beurt was aangesproken door de markegenoten van Diever, die het met de grensscheiding niet eens waren. De galg moet rond 1657 geplaatst zijn *  .
Tijdens zijn korte periode als heer van Hoogersmilde besloot Michiel Pauw dat de lottingen (rechtszittingen) de eerste augustus gehouden moesten worden. Om de lottingen te administreren werd Pieter Lansel als landschrijver aangesteld *  .
Michiel Pauw had evenals Adriaen Pauw bezittingen in de heerlijkheid, die omdat hij heer was het stempel "allodiale goederen" opgedrukt kregen. In 1658 breidt hij zijn bezit uit door van de makelaar Jeronimus de Lacroix een twaalfde part, gelegen in lot nr. 4, te kopen *  . Diverse personen, waaronder de pander van Hoogersmilde Jan Jacobs, hadden zorg gedragen voor de turfgravingen die ten behoeve van hem gedaan werden *  .
1.1.03.  1659-1666: Anna Maria Fascijn
Michiel Pauw sterft in 1659 en wordt opgevolgd door zijn weduwe Anna Maria Fascijn die op 3 maart 1659 wordt beleend. Ten overstaan van de leenmannen Rutger van den Boetzelaer tot Toutenburg, heer van Batinge en drost van Coevorden en de landschap Drenthe, en Hendrik Munster Willem van Bernsaw, heer van Ruinen, voldoet de schulte Lansel aan de verplichtingen *  .
Van de zeven jaar dat Anna Maria Fascijn vrouwe van Hoogersmilde is geweest is niet veel bekend. In het archief is alleen een door de compagnie aan haar gerichte brief aanwezig, betreffende de verlenging van het octrooi en de grenzen van de heerlijkheid *  . Verder is nog bekend dat ze haar allodiale bezittingen in de heerlijkheid verkocht. Deze waren voorheen in het bezit van Michiel Pauw geweest en kwamen nu in handen van Thyman Hinloopen, die tot dan toe haar belangen in de compagnie had behartigd. De erfgenamen van Thyman Hinloopen verkochten dit part in de Smildervenen in 1678 aan Cornelis Varlet *  .
1.1.04.  1666-1687: Johan Pauw
Op 14 augustus 1666 wordt Johan Pauw, minderjarige zoon van Michiel Pauw en Anna Maria Fascijn, door Drost en Gedeputeerden met de heerlijkheid beleend *  . De schulte Jacob Pietersen Lansel had hierom namens zijn heer, die immers in Amsterdam woonde, gevraagd en ten overstaan van dezelfde leenmannen als in 1659 aan de verplichtingen voor de belening voldaan.
Tot 1666 waren het Ridderschap en Eigenerfden die de heer van Hoogersmilde beleenden en de akte met hun zegel bekrachtigden, terwijl de schulte tegenover twee leden van de Ridderschap eed en leenhulde moest doen. Vanaf 1666 bezegelen Drost en Gedeputeerden de akte van belening en voldoet de schulte aan de verplichtingen ten overstaan van de Drost en een gedeputeerde, twee gedeputeerden, of assessoren van de Etstoel. Op 22 maart 1670 volgt Pieter Lansel als schulte op *  . Hij was voorheen enige jaren landschrijver van Hoogersmilde geweest *  .
Ridderschap en Eigenerfden behandelen op 26 februari 1684 de klacht van enkele ingezetenen van Hoogersmilde, dat er geen lottingen meer in de heerlijkheid worden gehouden. De Staten schrijven de heer aan dat hierin spoedig verandering moet komen, anders zouden zij inbreuk in zijn rechten moeten doen om de rechtspleging doorgang te laten vinden *  .
Johan Pauw verkoopt in 1679 de laatste allodiale bezittingen in de heerlijkheid aan Cornelis Varlet, Hollands participant van de compagnie van de twaalf parten, hetgeen illustreert hoe weinig belang de heerlijkheid voor hem had *  .
1.1.05.  1687-1711: Adriaen Pauw
Nadat we over een periode van bijna dertig jaar over de heerlijkheid zelf weinig te weten zijn gekomen belanden we in de tijd dat Adriaen Pauw, broer van Johan Pauw, heer van Hoogersmilde is. Deze was op 8 maart 1687 beleend, waarbij de schulte ten overstaan van Johan de Sichers ter Borch, assessor van de Etstoel, en Rudolph van Echten eed en leenhulde had gedaan, voor zijn heer die in Amsterdam op de Nieuwe Herengracht (omtrent de uiterste straat) woonde *  . De schulte Pieter Lansel had al in 1683, dus vlak na de dood van Johan Pauw, de gelegenheid aangegrepen om bij Adriaen Pauw verhoging van zijn inkomen af te smeken, waarbij hij zijn medeleven betuigde over de dood van diens overleden broer! * 
In 1689 raakt Lansel in een conflict gewikkeld met Cornelis Varlet, de Hollandse participant die spoedig alle macht binnen de compagnie aan zich zelf zou trekken. Varlet beschuldigt Lansel ervan zijn dochter Sara beledigd te hebben en verlangt van de heer van Hoogersmilde en van Drost en Gedeputeerden dat de schulte afgezet wordt, mede omdat naar de mening van Varlet de schulte partijdig is geweest in bepaalde (niet nader omschreven) rechtszaken *  . Het gevolg is dat Pieter Lansel in eerste instantie Arnolt Frankena als waarnemend schulte naast zich krijgt en in 1693 wordt ontslagen als schulte van Hoogersmilde. Hij wordt opgevolgd door Dominicus Winsemius, secretaris van de Drost, die na een jaar in Groningen gaat wonen *  . Hij blijft echter aan als schulte van de heerlijkheid, terwijl Adriaen Pauw een assistent-schulte benoemt in de persoon van de ex-schulte Pieter Lansel *  . Zo treffen we in de jaren 1694-1697 drie schulten naast elkaar: de schulte Winsemius te Groningen, de assistent-schulte Pieter Lansel te Hoogersmilde, en de waarnemend schulte Arnolt Frankena te Diever. De laatste wordt in 1696 aangesteld als schulte te Coevorden en opgevolgd als waarnemend schulte van Hoogersmilde door Richard Ketel, de nieuwe schulte van Diever *  .
Het zijn ook in de heerlijkheid verwarde jaren. De compagnie bestaat niet meer, het octrooi wordt niet verlengd, Cornelis Varlet voert proces na proces voor de gerechten van Diever en Hoogersmilde, terwijl Ridderschap en Eigenerfden voor de eerste keer sinds 1613 de belastingen in de heerlijkheid verpachten *  . Wanneer de schulte Winsemius dit laatste aan de heer mededeelt antwoordt Adriaen Pauw dat hij wel oog heeft voor een octrooi op de inning van de belastingen, hetgeen hem aanzienlijk meer inkomsten zou geven dan nu uit de schaarse rechtszittingen of van het geschoten wild in de heerlijkheid. Maar omdat in 1694 het octrooi van belastingvrijheid (voor de derde maal) verlengd wordt, verdwijnt de belangstelling van Pauw *  .
In een andere brief aan de heer beschuldigt de schulte Winsemius de ex-schulte Lansel ervan een onecht kind verwekt te hebben bij een oude vrouw uit Hoogersmilde, hetgeen uiteraard door Lansel hardnekkig ontkend wordt *  .
Na 1693 vernemen we niets meer van de schulte Dominicus Winsemius. Slechts een enkele keer weet Pieter Lansel iets over hem te weten te komen: dat de schulte in de Hardingenstraat te Groningen woont. En een andere keer schrijft hij dat hij van de herbergier Wijbe Jacobs had vernomen dat Winsemius een trouw bezoeker van de herberg "de bruine ruiter" was. In 1697 komt Lansel tenslotte met de mededeling dat Winsemius in Groningen in de gevangenis is beland *  .
Het is ook het jaar waarin Pieter Lansel als schulte wordt gerehabiliteerd *  en nieuwe ambtskleding krijgt. Twee jaar later lezen we uit de missives dat de schulte probeert zo weinig mogelijk lottingen te houden om zijn heer de kosten te besparen *  . In 1699 vermeldt de schulte Pieter Lansel dat de heer van Rechteren plannen heeft om de heerlijkheid te kopen, hetgeen echter geen doorgang vindt *  .
De schulte schrijft in deze jaren veel over de jacht in Hoogersmilde die hij ten behoeve van zijn heer beoefent, en stuurt grote aantallen korhoenders, patrijzen en hazen, die hij persoonlijk in de heerlijkheid heeft geschoten, naar Amsterdam. Eenmaal vermeldt hij dat hij bij de jacht zijn been heeft verzwikt toen hij over een sloot sprong en dus geen wild kan sturen *  .
Vanwege zijn hoge leeftijd wordt in 1701 Meyerhof Gijsen aangesteld als assistent *  . Drie jaar later overlijdt de schulte Lansel. Met een onderbreking van drie jaar is hij 34 jaar schulte van Hoogersmilde geweest en daarmee degene die het langst in de heerlijkheid dit ambt heeft uitgeoefend. Nog jaren lang worden de gemoederen bezig gehouden doordat Lansel een schuld had aan de heer, die pas in 1707 door zijn erfgenamen afbetaald wordt *  . Als nieuwe schulte dragen de eigenerfden van Hoogersmilde een zoon van de schatbeurder Wolter Jans van Veen voor *  , maar uiteindelijk wordt het Richard Ketel, schulte van Diever en aanbevolen door Rudolph van Echten tot Echten *  . Hij wordt op 14 november 1704 aangesteld door Adriaen Pauw. Tot de benoeming van Ketel blijft Meyerhof Gijzen aan als schulte van Hoogersmilde en ontvangt op bevel van zijn heer, uit handen van Elisabeth Lansel, de zuster van de overleden schulte, het zegel en de officiële papieren *  . Uit de ambtsperiode van Richard Ketel is niet veel bekend. In 1706 deelt hij zijn heer mee dat het octrooi van belastingvrijdom door Drost en Gedeputeerden is verlengd *  .
1.1.06.  1711-1713: Adriana Pauw
Wanneer Adriaen Pauw sterft verzoekt de schulte Ketel binnen drie maanden om de belening van Adriana Pauw, weduwe van Frans van Marselis, met de heerlijkheid. Zij is de zuster van de vorige heren van Hoogersmilde, Adriaen en Johan Pauw. Ten overstaan van de drost Rudolph van Echten tot Echten en de gedeputeerde Joan Sichterman voldoet de schulte aan de verplichtingen *  .
1.1.07.  1713-1728: Frans van Marselis
Wanneer Adriana Pauw in 1713 sterft, verdwijnt de familienaam Pauw om plaats te maken voor de familie Marselis. De zoon van Adriana Pauw, Frans van Marselis, wordt op 28 oktober 1713 beleend, nadat de schulte Lambert Wijntjens aan de verplichtingen voor de belening had voldaan, ten overstaan van de Drost van Echten tot Echten en de gedeputeerde Justus de Coninck *  . Uit deze periode is alleen bekend een door de schulte afgekondigd jachtverbod in de heerlijkheid Hoogersmilde *  .
1.1.08.  1728-1748: Antonia Muyssart, namens haar dochter Adriana Margaretha van Marselis
Na de dood van Frans van Marselis ontstaan er moeilijkheden rondom de erfopvolging in de heerlijkheid. Na de inwinning van adviezen van diverse advocaten in Holland en Drenthe *  wordt op 5 november 1728 de weduwe van Frans van Marselis, Antonia Muyssart, namens haar minderjarige dochter Adriana Margaretha van Marselis met de heerlijkheid beleend *  . De advocaat Arent Dannenbergh had, vanwege de afwezigheid van de schulte Ketel, om de belening verzocht en de gebruikelijke formaliteiten afgehandeld ten overstaan van de drost Van Echten tot Echten en de gedeputeerde Wolter Kymmell. Pierre Ketel, schulte van Diever, is dan al een tijdje schulte, tengevolge van het overlijden van Lambert Wijntjens. Omdat hij niet officieel is aangesteld, verzoekt Ketel om een aanstellingsakte van de vrouwe van Hoogersmilde. Hij verwijst hierbij merkwaardig genoeg naar de aanstellingsakte van zijn vader Richard Ketel, alsof het ambt van schulte erfelijk was *  .
In 1729 verkrijgt Antonia Muyssart van Drost en Gedeputeerden het octrooi van de windmolen. Enkele ingezetenen van Hoogersmilde hadden namelijk via de schulte Ketel kenbaar gemaakt zulks te willen, omdat de molens in de omliggende marken te ver verwijderd lagen, zodat het vervoer van koren daarheen te veel ongemakken voor hen met zich mee bracht *  .
Rond 1745 schrijft de in 1736 aangestelde schulte Arent Dannenhergh, tevens advocaat te Meppel, een korte geschiedenis van de heerlijkheid, waarin tevens de toenmalige omvang van de bevolking wordt genoemd: 45 huisgezinnen. De schulte vermeldt daarbij dat de bevolking weinig middelen van bestaan heeft en voor het grootste deel op de turfgravingen was aangewezen *  . Vanwege het feit dat de nieuwe schulte in Meppel woont, verzoekt hij om een assistent in de persoon van Egbert de Jonge, tevens schulte van Diever. Diens vader was eigenerfde van Diever en tevens assessor van Hoogersmilde, hetgeen zeker zijn aanstelling bevorderde. De taak van de assistent-schulte was de afhandeling van de mindere rechtszaken (civiele); verder moest hij er toezicht op houden dat niemand inbreuk maakte op het jachtrecht van de vrouwe van Hoogersmilde *  .
1.1.09.  1748-1764: Adriana Margaretha van Marselis en Henry Clifford
Op 11 September 1748 worden Adriana Margaretha van Marselis en haar echtgenoot Henry Clifford beleend met de heerlijkheid. Omdat ze beiden in Amsterdam wonen (op de Herengracht, tussen de Vijzelstraat en de Reguliersgracht) verlenen ze de schulte een mandaat om namens hen om de belening te verzoeken. Egbert de Jonge, assistent-schulte van Hoogersmilde, voldoet wegens de afwezigheid van Arent Dannenbergh aan de verplichtingen bij de belening ten overstaan van de gedeputeerden C. van Dongen tot den Oldengaerden en R.O. van de Clooster tot Rheebruggen *  . Een maand later wordt Egbert de Jonge als nieuwe schulte van Hoogersmilde benoemd *  . In 1749 verzoekt hij om verlaging van de drempel tot het toelaten van keurnoten: volgens het Landrecht van Drenthe moeten ze minimaal 1800 gulden aan vast goed bezitten, maar de schulte vindt dat een grens van 600 gulden meer aanvaardbaar is voor het armoedige Hoogersmilde *  .
De jaren 1750-1753 worden beheerst door een conflict met de marke van Leggelo over de grenzen van de heerlijkheid. Uit deze periode stammen een aantal kaarten welke vervaardigd zijn door de landmeter Meyer Without *  . Ook met het Landschapsbestuur ontstaan er moeilijkheden. Er heerst blijkbaar een verbod op de uitvoer van wild uit de Landschap, want de heer van Hoogersmilde wordt gesommeerd geen wild naar Amsterdam meer te laten opsturen. Deze reageert met de mededeling dat het geschoten wild hem krachtens het jachtrecht toekomt *  .
In 1756 maakt Henry Clifford een reis naar Drenthe en Groningen, waarbij hij uiteraard ook de heerlijkheid aandoet en enige tijd verblijft bij de schulte Egbert de Jonge *  . Opmerkelijk is dat hij de eerste en enige heer van Hoogersmilde is geweest die de heerlijkheid vanuit Amsterdam heeft bezocht.
In 1756 breekt tevens een conflict uit over het windrecht van de heren van Hoogersmilde, hetgeen zijn oorsprong vindt in het octrooi van de windmolen uit 1729. De schulte Egbert de Jonge wilde namelijk een korenmolen laten bouwen in het zuiden van de heerlijkheid, hetgeen Henry Clifford in eerste instantie niet bevalt. Toch vergunt hij de schulte, tegen een geldelijke vergoeding, het recht om een molen te plaatsen, mits deze zelf verantwoordelijk is voor de eventuele consequenties *  . Uiteraard roept de plaatsing van de molen verzet op bij enkele molenaars uit de omliggende marken van Diever en Leggelo die bij het Landschapsbestuur gaan protesteren *  . Het slot van het proces is dat de heer van Hoogersmilde niet in zijn recht van de wind wordt bevestigd, vanwege het feit dat hij zelf niet de verantwoording van de plaatsing van de molen op zich had willen nemen; hetgeen hij naar de mening van het Landschapsbestuur wel had moeten doen, als hij het recht van de wind wilde uitoefenen *  . Tijdens dit proces vond er een brand in Diever plaats, waarna door het Landschapsbestuur collectanten werden uitgezonden in de gehele Republiek om gelden bijeen te zamelen om de getroffenen bij te staan. Ook de heer van Hoogersmilde leverde zijn bijdrage door in Amsterdam een collecte te houden *  .
In deze jaren laat de schulte werkzaamheden uitvoeren aan zijn huis in Diever, ten behoeve van zijn heer in geval deze weer naar Drenthe zou komen. Ook schaft de schulte enige paarden aan. In zijn brieven aan de heer tekent hij voorts nog aan dat een bakker en een brouwer van plan zijn zich in de heerlijkheid te vestigen. In 1756 vinden we voor het eerst vermelding van de diaconie van Hoogersmilde, vermoedelijk een niet-kerkelijke instelling, omdat een band met de kerk van Diever niet blijkt (toendertijd was er nog geen kerk in Hoogersmilde). Deze diaconie was vermoedelijk in het leven geroepen door het Landschapsbestuur in verband met de moeilijkheden tussen Diever en Hoogersmilde over de bijdrage in de armenkas van de diaconie van Diever. Daarbij is nog bekend dat de schulte van Hoogersmilde was betrokken bij de aanstelling van de diakenen en moest hij op zijn beurt de heer op de hoogte houden van de staat van de diaconierekening *  .
In deze tijd treffen we ook weer gegevens aan over de jacht in Hoogersmilde. De schulte maakt melding van het gebruik van een valk en stuurt regelmatig door hem zelf geschoten wild op naar Henry Clifford, heer van Hoogersmilde *  . In 1764 wordt aan Hendrik Hummel, de latere schulte, het jachtrecht in de heerlijkheid verleend, tegen een geldelijke vergoeding. Deze heeft vanaf 1765 bijgehouden hoeveel wild er in de heerlijkheid is geschoten *  .
In de 16 jaar dat ze met haar echtgenoot met de heerlijkheid beleend was, komt Adriana Margaretha van Marselis zelden op de voorgrond en laat ze hem de zaken regelen. In 1763 verzoekt ze, omdat zij de erfgename van Frans van Marselis is, aan het Landschapsbestuur het recht om bij uiterste wil over de heerlijkheid te kunnen beschikken, hetgeen haar wordt verleend. In 1764 sterft ze en erft haar echtgenoot Henry Clifford de rechten op de heerlijkheid *  .
1.1.10.  1764-1787: Henry Clifford
Henry Clifford wordt beleend op 13 november 1764, waarbij de schulte De Jonge aan de verplichtingen bij de belening voldoet ten overstaan van de gedeputeerden Lucas Oldenhuis en Warmolt Lunsing. Na vijftig jaar is de familienaam Marselis verdwenen en komt de heerlijkheidstitel in handen van het geslacht Clifford *  .
Op het eind van zijn leven, in 1766, wordt de schulte Egbert de Jonge er plotseling van beschuldigd zich partijdig te hebben gedragen in enkele rechtszaken, maar hij wordt niet afgezet. In 1769 overlijdt hij en vinden we weer diverse voordrachten voor een opvolger, waarbij persoonlijke voorkeur en onderlinge rivaliteit sterk naar boven komen *  . Als kandidaat wordt o.a. voorgedragen A. van Urk uit Meppel, pas benoemd als commies van de convooien en licenten, en voorgedragen door B. van Haar, hofmeester op het grote admiraliteitsjacht. Van Urk geeft als referentie op zijn schoonbroer, de advocaat H. van Rossen, die wel bereid zou zijn hem te onderrichten voor het schultambt. De schulte van Beilen, mr. Lubbertus Mathias Schukking, wordt kandidaat gesteld door J. van Lier. Deze laatste maakte duidelijk kenbaar, niet zo'n grote dunk te hebben van Hendrik Hummel, een derde kandidaat voor de opengevallen plaats. Ellents daarentegen adviseert Henry Clifford de uit Hoogersmilde afkomstige Hummel te benoemen, omdat hij ingezetene is en geen andere ambten vervult. Schukking, zo vervolgt Ellents, fungeert goed in zijn ambt, maar verdient niet de voorkeur. Een andere kandidaat C.V. Fledderus is bij Ellents niet bekend en komt verder ook niet meer ter sprake. Ook de naburige schulte van Diever dringt zich op de voorgrond; hem staat namelijk een vereniging van het schultambt Diever-Hoogersmilde voor ogen *  . In februari 1770 kan Ellents ten slotte Hendrik Hummel feliciteren met zijn benoeming tot nieuwe schulte van Hoogersmilde, waarbij hij hem mededeelt dat hij altijd op de steun van de Landschapssecretaris Hofstede kan rekenen. In mei laat Hummel de goorspraken afkondigen en bevestigt hij de ontvangst van het koperen zegel van Hoogersmilde *  .
Tot 1778 staat de nieuwe schulte de assessor Helprig Winters ter zijde, die in 1778 wordt vervangen door A. Vos. In 1771 is ook een mutatie opgetreden in het ambt van de waarnemend-schulte: dr. C. Kniphorst wordt vervangen door L. Nijsing, schulte van Diever, naar aanleiding van een missive van Hendrik Hummel aan Clifford waarin hij hem meedeelt dat de naburige schulte moet inspringen in die zaken waar de schulte partijdig zou kunnen zijn *  .
In Henry Clifford (koopman en bankier, firma George Clifford en zonen) *  had Hoogersmilde sedert lange tijd weer een heer, die belangstelling had voor bezittingen in Drenthe. Ging zijn belangstelling in de jaren 1749-1756 uit naar de Haler, Witter en Hijker Smildervenen, in de jaren zeventig stuurde de schulte Hummel aan Clifford stukken die betrekking hadden op de pas gestichte veenkolonie het Kloosterveen. Van aanwinsten van bezittingen is vooralsnog niets bekend *  .
Rond 1776-1778 verzoekt de heer van Hoogersmilde aan het Landschapsbestuur uitleg van de uitgifte van de heerlijkheid volgens Stichts recht. Drost en Gedeputeerden verklaren dat hier het Overstichts of Overijssels recht mee bedoeld wordt. Overigens is het typerend voor het geringe belang dat de heerlijkheid heeft gehad voor de opeenvolgende heren van Hoogersmilde, dat pas na anderhalve eeuw een van hen om uitleg vraagt over deze toch wel vage passage uit de beleningsakte welke sinds 1634 telkens herhaald was *  .
Na de conflicten over het recht van de wind en de grenzen van de heerlijkheid worden de contacten tussen het Landschapsbestuur en de heer van Hoogersmilde gaandeweg beter. Clifford probeert meer op goede voet te komen en stuurt o.a. de Drost Hofstede en de Landschapssecretaris Ellents een zending Malaga-wijn. Van een voorgenomen bezoek van Hofstede aan Clifford in Amsterdam komt echter niets terecht *  . In 1787 sterft Henry Clifford en erven zijn dochter Johanna Clifford en haar man mr. Martinus Alewijn de heerlijkheid.
1.1.11.  1788-1793: Johanna Clifford en mr. Martinus Alewijn
In 1788 verzoekt de advocaat (!) mr. Petrus Hofstede namens Johanna Clifford en haar echtgenoot mr. Martinus Alewijn om de belening met de heerlijkheid en doet hij ten overstaan van R. baron van Echten en T. Kymmel eed en leenhulde *  .
1.1.12.  1793-1795: mr. Martinus Alewijn
Na het overlijden van zijn echtgenote Johanna Clifford wordt mr. Martinus Alewijn met de heerlijkheid beleend. Weer is het mr. Petrus Hofstede die om de belening verzoekt en de verplichtingen hiervoor nakomt, ten overstaan van dezelfde personen als in 1788 *  .
Op 7 augustus 1793 wordt een assistent-schulte aangesteld in de persoon van Mathijs de Vroome (senior). Deze is woonachtig op de Hijkersmilde en schoonzoon van de nog fungerende schulte Hummel, die wegens zijn ouderdom om een assistent had gevraagd. Bij zijn verzoek om een assistent vermeldt Hummel dat hij geen vervanger wil hebben, omdat hij zijn ambt niet wil verliezen, niet vanwege de inkomsten maar om het "honorabele". Wanneer de heer aan zijn wensen tegemoet komt, bedankt hij hem *  .
1.1.13.  Besluit
In 1795 worden de heerlijke rechten afgeschaft *  , maar de schulte Hendrik Hummel blijft tot zijn dood in 1799 *  in zijn ambt gehandhaafd door het toenmalige Drentse bestuur. Zijn opvolger wordt Mathijs de Vroome, die nog vier jaar schulte van Hoogersmilde blijft *  . In 1800 werden er echter door het Departementaal Bestuur van Overijssel al plannen gemaakt om Hoogersmilde in te delen bij de gemeente Hijkersmilde, die verder nog zou 'bestaan uit Haule, Fochtelo, Oosterwolde, Appelscha en Kloosterveen, maar dit heeft geen doorgang gevonden' *  . Op 14 november 1802 komt het Departementaal Bestuur van Overijssel op de zaak terug door af te spreken dat op de vergadering van 6 januari 1803 over de benoeming van een schulte in Hoogersmilde beslist zal worden. Op de bewuste vergadering wordt mr. Lubbertus Mathias Schukking aangesteld als schulte van Beilen, Hijkersmilde, Kloosterveen en Hoogersmilde. Wanneer deze echter a na korte tijd overlijdt wordt op 26 oktober van hetzelfde jaar de schulte van Westerbork aangesteld *  .
Mathijs de Vroome, ex-schulte van Hoogersmilde, blijft nog regelmatig contacten onderhouden met de voormalige heer van Hoogersmilde, mr. Martinus Alewijn, die in Amsterdam woont, maar omstreeks 1800 van de Keizersgracht bij de Binnen-Amstel naar de Herengracht nr. 14 bij de Binnen-Amstel is verhuisd. In de wederzijdse brieven komt herhaaldelijk een eventueel herstel van de heerlijke rechten ter sprake, waarbij de naam van mevrouw Hester van Hogendorp vermeld wordt. Zij is een kleindochter van Henry Clifford, voormalig heer van Hoogersmilde; haar meisjesnaam is Hester Clifford, maar ze is gehuwd met Gijsbert Karel van Hogendorp *  . Op 10 mei 1811 vinden we een eerste voorstel (rapport Van Zuylen) om Hijkersmilde, Hoogersmilde en Kloosterveen samen te voegen in de gemeente Smilde, hetgeen echter geen doorgang vindt. Bij deze gelegenheid wordt Gijsbert Karel van Hogendorp genoemd als eigenaar van de heerlijkheid, zodat het waarschijnlijk is dat Alewijn is overleden *  . In 1815 rijzen er toch weer plannen om Hoogersmilde af te scheiden van de gemeente Smilde, vanwege het feit dat het vroeger ook onafhankelijk is geweest, maar op 14 november van datzelfde jaar worden bij Koninklijk Besluit Hoogersmilde, Hijkersmilde en Kloosterveen bijeengevoegd in de gemeente Smilde *  , met Lambertus Fledderus als schout.
Toch blijven er geruchten de ronde doen dat in 1817 de heerlijkheid Hoogersmilde hersteld zou worden. Lambertus Fledderus stuurt daarom aan Gijsbert Karel van Hogendorp een verzoekschrift om hem aan te stellen als schout van Hoogersmilde in geval de heerlijkheid Hoogersmilde terug zou komen *  . In 1818 was er echter van een eventueel herstel geen sprake meer: in het reglement voor het bestuur van het platteland in Drenthe vinden we in artikel 103 nog wel het volgende met betrekking tot Van Hogendorp: "In de gemeente Smilde zal bij elke derde vacature van het schoutambt, gelijk mede van andere gemeentelijke bedieningen, waaromtrent de eigenaar der heerlijkheid Hoogersmilde te voren regt van voordragt mogt hebben uitgeoefend, dezelve eigenaar bevoegdheid van voordracht hebben" *  . Maar spoedig zou een definitief einde aan het laatste heerlijke recht (van voordracht) worden gemaakt.
Op 23 juli 1825 wordt door een tweede reglement voor het bestuur van het platteland in Drenthe bekend gemaakt dat het bestuur in iedere gemeente zal worden samengesteld uit een burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad *  . Het gevolg is dat Lambertus Fledderus wordt ontslagen als schout van de Smilde.
Het heerlijkheidsarchief blijft in handen van de familie Van Hogendorp. In het begin van deze eeuw werd het overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief in Den Haag en na de Tweede Wereldoorlog werd besloten het archief over te dragen aan het Rijksarchief in Drenthe *  .
1.2.  Verantwoording van de inventarisatie
Nadat het archief was overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, werd het in 1943 voorlopig geïnventariseerd. Na de Tweede Wereldoorlog werd het archief overgedragen aan het Rijksarchief in Drenthe, waar het achtereenvolgens in 1948 en in 1966/67 geïnventariseerd werd door resp. de rijksarchivaris drs. E.J. Werkman en D. van der Vlerk. Werd het archief in eerste instantie aangeduid als het archief van de heerlijkheid Hoogersmilde, de laatstgenoemde bestempelde het als het archief van de heren van Hoogersmilde. Deze titel is na het afsluiten van deze inventarisatie gehandhaafd.
Bij de ordening en beschrijving van de stukken kwam op het eerste oog een tweedeling in het archief naar voren welke in de huidige indeling vastgehouden is: enerzijds het heerlijkheidsarchief en anderzijds particuliere stukken van de heren van Hoogersmilde betreffende hun zakelijke belangen in Drenthe. Voordat echter op de huidige indeling zal worden ingegaan moet eerst een en ander over de oude orde vermeld worden. Op het eind van de 18e eeuw vervaardigde de toenmalige heer van Hoogersmilde, Henry Clifford, enige lijsten van stukken die in het archief aanwezig waren en werden aan de hand van deze lijsten de stukken genummerd. Echter, de lijsten waren chronologisch samengesteld en bevatten slechts een bescheiden deel van de in het archief aanwezige stukken. Daarom was het nodig een nieuwe indeling te maken.
Bij de indeling van de afdeling "Heerlijkheidsarchief'' werden de rubrieken in volgorde van belangrijkheid geplaatst. Achtereenvolgens kwamen zo achter elkaar te staan de rubrieken:
' uitgifte, belening, liquidatie en herstel van de heerlijkheid;
' geschillen om het grondgebied;
' uitoefening van het bestuur;
' uitoefening van de heerlijke rechten;
' stukken betreffende Landschapsaangelegenheden, ontvangen door de heer van Hoogersmilde;
' geschiedschrijving en archief.
Bij de onderverdeling van de "Particuliere Stukken" is van de familienamen uitgegaan, waarbij in het geval van de familie Pauw nog een verdere onderverdeling is gemaakt, in verband met de aard van de stukken. Vandaar de driedeling in stukken van persoonlijke, ambtelijke en zakelijke aard. Verder is door de onderverdeling van de laatste rubriek een onderscheid gemaakt in de zakelijke belangen van de familie Pauw in de compagnieën (= Smildervenen) en in de rest van Drenthe.
Tot slot nog een verklaring van de plaatsing van inv.nr. 149, het landrecht van Drenthe van 1614, onder "aanhangsel". Hoewel niet bekend is wat het belang van dit deel voor de achtereenvolgende heren van Hoogersmilde is geweest, lijkt het meest waarschijnlijk dat het gebruikt werd door de schulte bij de uitoefening van zijn ambt en dat Mathijs de Vroome het opgestuurd heeft naar zijn heer toen het schultambt Hoogersmilde in 1803 zijn onafhankelijkheid verloor. Het is niet geplaatst in de rubriek "Stukken waarvan het verband met het archief niet is gebleken" omdat er wel een (mogelijk) verband valt aan te geven. In de inventaris hoort het ook niet thuis omdat niet kan worden aangegeven hoe het in het archief is terecht gekomen. Een plaatsing in de afdeling "Aanhangsel" leek daarom het meest verantwoord.
De lotgevallen van het archief werden in het voorafgaande (de geschiedenis) beschreven.
1.3.  Bijlage 1: Data van ambtsbekleding in de heerlijkheid Hoogersmilde
1.3.1.  De heren en vrouwen van Hoogersmilde
naam relatie datum van belening
Adriaen Pauw eerste creatie 11 februari 1634
Michiel Pauw zoon van Adriaen P. 21 februari 1653
Anna Maria Fascijn weduwe van Michiel P. 3 maart 1659
Johan Pauw zoon van Michiel P. 27 februari 1666
Adriaen Pauw zoon van Michiel P. 21 april 1687
Adriana Pauw, wed. van F. van Marcelis dochter van Michiel P. 4 juli 1711
Frans van Marcelis zoon van Adriana P. 8 oktober 1713
Antonia Muyssart namens Adriana M. van Marcelis weduwe van Frans v.M. 5 november 1728
Adriana Margaretha van Marcelis samen met haar man Henry Clifford dchter van Frans v.M. 11 september 1749
Henry Clifford wed. van A.M. v.M. 13 november 1764
Johanna Clifford en mr. Martinus Alewijn dochter van H. Clifford 22 augustus 1788
mr. Martinus Alewijn wed. van Joh. Clifford 25 februari 1793
1.3.2.  De schulten van de heerlijkheid, datum van aanstelling
991111  Zijger Ketel
991112  mr. Cornelis Jansen
991113  Jacob Pietersen Lancel
991114  Pieter Lansel
991115  Dominicus Winsemius
991116  Pieter Lansel
991117  Richard Ketel
991118  Lambert Wijntjens
991119  Pierre Ketel
991120  mr. Arent Dannenbergh
991121  Egbert de Jonge
991122  Hendrik Hummel
1.3.3.  De waarnemend schulten
991124  Arnolt Frankena
991125  Richard Ketel
991126  dr. C. Kniphorst
991127  L. Nijsingh
1.3.4.  De assistent-schulten of panders
991129  Jan Jacobs
991130  Pieter Lansel
991131  Meyerhof Gijsen
991132  Egbert de Jonge
991133  Hendrik Roelofs Vos
991134  Arent Schotman
991135  Mathijs de Vroome
991136  Roelof Vos
1.3.5.  De landschrijver of gerechtsschrijver
991138  Pieter Lansel
991139  mr. G.H. van der Woude
1.3.6.  Pluimgraaf en wildschut
991141  Emmerick Jans
 
 
 
 
 
0602   Heren van Hoogersmilde
2.1.  Het archief van de heerlijkheid
2.2.  Particuliere stukken
2.3.  Stukken waarvan het verband met het archief niet is gebleken
2.4.  Aanhangsel
2.5.  Bijlage 2: Akten van belening van de heren van Hoogersmilde, uit het archief "Pauw van Wieldrecht", welke bewaard worden in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag
 
 
 
 
 
0602   Heren van Hoogersmilde
Datering:
  1615-1817
Beschrijving:
  Heren van Hoogersmilde (1615) 1633-1795
Titel inventaris:
  0602 - Heren van Hoogersmilde (1615) 1633-1795
Omvang:
  4 dozen 3 charter(s)
Opmerking:
  Opgenomen in "De Archieven van de Heren van Hoogersmilde".
 
 
 
disclaimer