Een tijd van verandering en vernieuwing in het Drents Archief
Door Rozemarie Fokkema
De jaren zeventig was een tijd van veel verandering voor het Rijksarchief in Assen. Na 24 jaar had rijksarchivaris Egbert Werkman het stokje overgegeven aan Jan Heringa. Onder Heringa brak er een tijdperk van vernieuwing uit. Het Provinciaal Museum verhuisde, het archiefgebouw werd gereorganiseerd en uitgebouwd, de bezoekers- en personeelsaantallen schoten omhoog en er was een opleving van nieuwe bezoekersgerichte activiteiten in het archief. Deze blog neemt je mee in de vele veranderingen van de jaren 1970 die tot de dag van vandaag het archief nog steeds vormgeven.
Tijdperk Jan Heringa
Met de aanstelling van Jan Heringa als rijksarchivaris in 1970 ging het rijksarchief van Drenthe een nieuwe tijd tegemoet. Heringa had in tegenstelling tot zijn voorganger, Egbert Werkman, geen diepgaande ervaring in het archiefwezen. Voor zijn proefschrift moest hij het een en andere aan archiefonderzoek doen, maar tot 1970 was Heringa voornamelijk werkzaam in het onderwijs. Voorafgaand aan zijn aanstelling tot rijksarchivaris was hij rector van het Praedinius Gymnasium in Groningen.
Zijn ervaring als rector nam hij ook mee in zijn werk als rijksarchivaris. "Het lijkt mij een boeiende zaak om schooljeugd, mensen van volkshogescholen, eigenlijk iedereen, kennis te laten nemen van de waardevolle historische schatten die in een rijksarchief liggen opgeslagen", stelde Heringa in een artikel voor de Drentsche en Asser Courant. Hij was vastbesloten het archief van zijn stoffige en saaie imago te ontdoen en het toegankelijker te maken voor belangstellenden. Zo heeft hij onder andere een serie succesvolle cursussen oud-handschrift opgezet. Mede door deze inspanningen stegen de bezoekersaantallen in de jaren zeventig explosief.
Ook had Heringa veel belangstelling voor de provinciale geschiedenis. Plannen voor een wetenschappelijk, maar ook publiekstoegankelijk, handboek over de Drentse geschiedenis werden al in 1974 gemaakt. Het boek werd in 1985 gepubliceerd onder de titel Geschiedenis van Drenthe en was een groot succes. Een jaar daarvoor had Heringa het stokje van rijksarchivaris officieel al overgegeven aan Frank Keverling Buisman. Jan Heringa overleed in 2010.
De beruchte archiefwet van 1962
Heringa kreeg na zijn aanstelling als rijksarchivaris gelijk te maken met een groot probleem. De nieuwe archiefwet van 1962 veroorzaakte namelijk een dringend ruimtetekort bij het archief. Deze wet stelde regels vast voor het beheer, het behoud en de omgang met overheidsdocumenten. Met deze nieuwe wet was het Drents Archief verplicht om binnen een periode van tien jaar alle archiefstukken ouder dan vijftig jaar van betrokken overheidsorganen, zoals Rijkswaterstaat, over te nemen en te bewaren.
Dit leidde ertoe dat het archief, dat al met een groot ruimtegebrek kampte, in ernstige problemen raakte. Het rijkarchief zat namelijk in die tijd nog knus met het Provinciaal Museum in hetzelfde gebouw. Het museum had beschikking over de benedenverdieping en het archief gebruikte de kelder en de bovenverdieping.
Door het enorme ruimtetekort moest het archief volgens rijksarchivaris Heringa minstens verviervoudigen in ruimte. Daarnaast waren er niet genoeg personeelsleden om te inventariseren, te ordenen en het toegankelijk maken van de archiefstukken. Het archief kwam hierdoor voor grote problemen te staan.
Als tijdelijke oplossing werden grote delen van het depot overgebracht naar de kelder van het kantoorgebouw van de N.V. Waterleidingmaatschappij Drenthe aan de Overcingellaan. Dit was echter een kortetermijnoplossing. Daarom maakte het archief begin 1970 plannen voor een grote verbouwing. Het Provinciaal Museum zou verhuizen naar de griffie van het voormalige provinciegebouw, waardoor het archief meer ruimte en mogelijkheden kreeg.
Dit gebeurde ook. Vanaf 1973 is het Provinciaal Museum in een aantal etappes verhuisd naar het voormalige provinciehuis aan de Brink. Dit was een einde van een tijdperk want het Provinciaal Museum en het Rijksarchief hadden ruim 71 jaar onder een dak gewoond. Voor beide instanties betekende deze verhuizing een nieuwe fase met meer mogelijkheden.
De verbouwing
Het gebouw van het Rijksarchief moest vernieuwd en uitgebouwd worden. Niet alleen moest er een veel groter depot komen, maar ook moesten de al bestaande ruimtes functioneler worden ingericht. In 1970 kreeg het architectenbureau Tauber uit Alkmaar de opdracht voor de verbouwing en uitbreiding.
De verbouwing vond plaats in twee fasen. De eerste fase die in 1975 klaar was, bestond uit een grondige interne verbouwing. Kantoorkamers werden uitgebreid, er kwam een grotere studiezaal, een kantine voor bezoekers en personeel, de oude leeskamer werd veranderd in werkkamers en er werd een speciale restauratiekamer ontwikkeld. Kortom het gebouw werd veel functioneler.


De tweede fase van de verbouwing bestond uit uitbreiding. Het depot moest behoorlijk worden uitgebreid. In de eerste plannen zou het archief worden uitgebouwd tot aan de Oostersingel. Maar al snel werd er gekozen voor een ondergrondse optie. Naast ruimte voor het nieuwe depot moest er een heel nieuwe vleugel gebouwd worden. Deze nieuwbouw zal voor enorm veel problemen zorgen in de jaren die volgen.
De puist aan het gezicht van Assen
De bouwtekeningen werden namelijk in 1975 op het laatste moment afgekeurd. Er was namelijk veel ophef ontstaan rond de plannen. In eerste instantie zou de nieuwe vleugel een eigentijdse uitstraling krijgen en geheel wit zijn. Op dit initiële ontwerp kwam enorm veel tegenspraak. De monumentenraad en de gemeenteraad van Assen waren van mening dat het eigentijdse ontwerp totaal niet paste in het historische gedeelte van Assen. Daar kwam nog bij dat het bekende museumlaantje voor onbepaalde tijd afgesloten werd. Er werden hekken en borden geplaatst met 'eigen weg'. Assenaren vreesde dat deze afsluiting definitief zou zijn en dat hierdoor het mooiste en authentiekste stukje van Assen verloren zou gaan.
Door de enorme tegenspraak werd de bouw stopgezet en werd er een nieuw ontwerp gemaakt. Hierin werd geprobeerd meer stilistische aansluiting te krijgen met de rest omgeving. Er werd gekozen voor lichtbruine baksteen in plaats van het witte beton uit de eerste tekening. Toen deze tekening wel werd goedgekeurd kon er helaas nog niet gebouwd worden.
Door het stilzetten van de verbouwing was het beschikbare geld van de gemeente naar andere projecten gegaan. Pas in 1978 kon de bouw weer volledig van start gaan. Toen in het najaar van 1980 de verbouwing bijna klaar was, en mensen een idee kregen hoe het archief er definitief uit ging zien, waren ook hier de reacties veelal negatief. Reacties op de nieuwbouw waren veelal in de trant van 'foeilelijk' en 'de puist aan het gezicht van Assen'. Hoe je het ook wendt of keert, het gebouw is veel groter en functioneler geworden. De depots onder de archieftuin bieden nu plaats aan elf kilometer archief. Ook kwam er meer ruimte voor het groeiende aantal personeelsleden en bezoekers. Ondertussen is zelfs de ‘bunker aan de Oostersingel’, zoals de nieuwbouw wel werd genoemd, in de loop der jaren gaan passen in het stadsbeeld van Assen.

Uitbreiding van het personeel
De archiefwet van 1962 zorgde ervoor dat het Drents Archief in haar huidige toestand niet lang meer kon functioneren. Tot de jaren 1970 had het archief maar maximaal vier personeelsleden. De naoorlogse rijksarchivaris Werkman stond er zelfs een hele tijd alleen voor. Tijdens Heringa's aanstelling waren er vier personen vast in dienst bij het archief. De rijksarchivaris was van plan om dit in korte tijd uit te breiden naar twaalf. Dit plan werd ook serieus nagestreefd. In het begin van 1972 was het aantal personeelsleden al opgelopen naar zeven. Ruim een halfjaar later waren dat al 14 personen. Daarnaast werd er steeds meer gebruik gemaakt van vrijwilligers. Heringa onderkende het belang van vrijwilligers en zette zich actief in om mensen bij het archief te betrekken. Hij probeerde geïnteresseerden enthousiast te maken voor het werken met historische bronnen en het ondersteunen van de werkzaamheden van het archief. Anno 2026 werken er maar liefst 30 personeelsleden en meer dan 50 vrijwilligers in het archief.
Explosie van bezoekers

Niet alleen de personeelsaantallen stegen in de jaren zeventig, ook wisten steeds meer bezoekers het archief te vinden. Deze bezoekersaantallen kwamen mede door de nieuwe bezoekersgerichte activiteiten, zoals de handschriftencursussen, opgezet in deze periode en betere inventarisatie.
Ondanks de verbouwing kwamen in 1974 maar liefst 2900 bezoekers naar het archief. Dit was een meer dan een verdubbeling dan de 1200 van twee jaar eerder in 1972. Vaak kreeg de bezoeker die ervoor zorgde dat een bepaald grensaantal was gehaald een cadeau aangereikt. De gelukkige studente die in november 1974 als 2500ste persoon het Drents Archief bezocht kreeg een gipsafdruk van het zegel waarmee het landschap Drenthe in 1613 rechtskracht gaf aan zijn akten. Begin jaren 1980 was het bezoekersaantal al gestegen naar boven de 5000.
Ontstaan Drentse Genealogische Vereniging
Het grootste gedeelte van deze bezoekers waren geïnteresseerd in stamboomonderzoek. Opvallend genoeg bestond er tot 1972 geen genealogische vereniging in Drenthe. Daar wilde archiefmedewerkers Paul Brood, later rijksarchivaris, en Jan Ennik een verandering in maken. Zij richtte in november 1972 de Drentse Genealogische Vereniging op. Het aantal leden groeide in de jaren 70 tot bijna 400. De vereniging verzorgde ook de uitgave van een tweemaandelijks tijdschrift, getiteld Spint Arwt'n, genoemd naar de Drentse uitdrukking dat men wel een "spint (inhoudsmaat) arwt'n (erwten)" nodig heeft om zijn familiebetrekkingen uit te leggen.
In 1981, ging de Drentse Genealogische Vereniging met de Historische Vereniging Drenthe samen tot de Drentse Historische Vereniging. Het tijdschrift Spint Arwt'n is opgegaan in Waardeel. Zowel de Drentse historische Vereniging als Waardeel zijn nog steeds actief.

