Tekst: Hannelief Schipper en Rozemarie Fokkema

Op 19 januari 1826 besloot de gouverneur van Drenthe om “De heer Jean Samuel Magnin aan te stellen, tot adjunct-commies van de 1e klas, ten bureau van het provinciale gouvernement.”i De benoemde adjunct-commies, Jean Samuel Magnin, kreeg kort hierna de opdracht om de oude Staten Archieven te inventariseren. Met deze opdracht werd hij de eerste ‘archivist der provincie Drenthe’. In de jaren vanaf zijn aanstelling tot zijn gedwongen pensioen in 1858 beheerde Magnin de archieven van de provincie. Dat was geen eenvoudige klus en vereiste daarom alle toewijding van de archivaris. De aanstelling van Magnin was tweehonderd jaar geleden en kan worden beschouwd als het begin van het huidige Drents Archief. Wie was Jean Samuel Magnin en wat heeft hij betekend voor het Drents Archief?  

Jean Samuel Magnin werd in 1796 in Amsterdam geboren. Hij was de zoon van de Zwitser Gabriël Magnin en de Nederlandse Geesje Kok. Rond 1808, toen Magnin twaalf jaar oud was, ging hij werken bij mr. Johannes Engelenberg, een belastinggaarder in Meppel. Tot zijn vertrek naar Assen in 1826 bleef Magnin bij Engelenberg. Hiervoor had de jonge Magnin alleen lager onderwijs gevolgd. Daarom had hij, toen hij werd aangesteld bij de provinciale griffie, geen ervaring met archieven of met geschiedschrijving. Hij was een autodidact en leerde zichzelf onder andere middeleeuws Latijn. Dit was nodig om de eeuwenoude archiefstukken te kunnen lezen.  
Toen Magnin in Meppel woonde, trouwde hij met de Drentse Grietien Wildeboer. Samen kregen zij negen kinderen. Het grote gezin vormde voor Magnin een zware economische last. Hij wilde zijn zes zoons namelijk allemaal een goede opleiding geven, en dat bracht hoge onderwijskosten met zich mee. Hoewel Magnin een flink salaris ontving en inkomsten haalde uit zijn historische werken, verkeerde hij voortdurend in financiële moeilijkheden. 

(tekst gaat verder onder de foto)

Houtsnede van Jean Samuel Magnin, vervaardigd ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum van zijn benoeming tot rijksarchivaris. (Collectie Drents Archief)

Archivist der provincie Drenthe 

Magnin vond werk als archivaris, een beroep dat aan het begin van de negentiende eeuw opkwam. Vanaf 1800 ontstond er een groeiende vraag naar archivering van overheidsdocumenten in Nederland. Voor een overheid is een goed archiefsysteem een vereiste, zodat afspraken tussen ambtenaren, machthebbers en burgers eenvoudig terug te vinden zijn. Niet alleen het archiveren van stukken na 1795 werd belangrijk bevonden, in 1827 verzocht administrateur D.J. van Ewsch alle provinciale besturen om ervoor te zorgen dat “de Nederlandsche Geschiedenis, zoo veel mogelijk, uit de nog aanwezige oorkonden, nader worde opgehelderd.”ii Ook in Drenthe moesten de archiefstukken geordend en geïnventariseerd worden.  

In Drenthe was veel werk aan de winkel; door de oorlogsdreiging in de Franse tijd waren de oude landschapsarchieven meerdere malen op chaotische wijze verhuisd, waardoor de documenten door elkaar waren geraakt. De archieven bevonden zich op dat moment op de zolder van het oude Landschapshuis aan de Brink, in verschillende kisten en kasten. Hier was het erg koud en vochtig en daarom was het niet de beste plek om de kwetsbare archieven te bewaren. 

Toen archivist en indexmaker Johan Philip Wilhelm Friedrich Steinmetz ontslag nam in september 1827, nam Magnin zijn taken over. In 1829 voltooide Magnin de eerste inventarisatie en ordening van de oude archieven. Voor deze grote bijdrage werd Magnin geprezen tijdens een vergadering van de Gedeputeerde Staten: “Waarmede in het bijzonder Adjunct Commis der 1e klasse de Heer J. S. Magnin die daaraan, ook op buitengewoone tijden, veel moeijte en arbeid heeft besteed.”iii 

Doordat Magnin veel tijd doorbracht in het archief, vergaarde hij diepgaande kennis over de Drentse geschiedenis. In de negentiende eeuw waren archivarissen vaak ook historici. Naast geschreven bronnen waren archeologische objecten voor Magnin van onschatbare waarde. Daarom maakte hij zich zorgen over de toenemende ontginning, omdat hij vreesde dat mogelijke archeologische vondsten verloren zouden gaan. Ook de herverdeling en verkoop van ‘woeste gronden’ vormden een groot gevaar. Om de vernietiging van Drents erfgoed te voorkomen, schreef Magnin een verzoekschrift aan de koning, waarin hij voorstelde om van hunebedden tot staatseigendom te verklaren. Als schrikbeeld beschreef hij de vernietiging van een grafmonument in Drenthe: een hunebed was daar voor 24 gulden verkocht aan een particulier en werd vervolgens vernietigd.  De stenen werden in een dijk gebruikt. Hij kreeg echter geen antwoord op zijn verzoek. Uiteindelijk bracht Magnin enige bescherming van hunebedden via de Drentse Gedeputeerde Staten tot stand.  

Ook heeft Magnin een aantal historische bijdragen geleverd aan de Drentse geschiedenis die van grote betekenis zijn geweest. Zijn eerste boek De voormalige kloosters in Drenthe geschiedkundig beschouwd uit 1835 werd goed ontvangen en bezorgde hem een aardig zakcentje. Het succes van zijn eerste boek spoorde Magnin aan om een verzoek in te dienen bij het provinciaal bestuur voor de titel ‘gewestelijk archivarius in Drenthe’, waar natuurlijk een verhoogd salaris bijhoorde, maar het provinciebestuur weigerde dit. Uiteindelijk werd Magnin pas in 1844 benoemd tot ‘Archivist der provincie Drenthe’. In de jaren die volgden schreef Magning een vijfdelige boekenserie getiteld Geschiedkundig Overzigt van de besturen, die vóór de herstelling van Nederland in 1814 elkander in Drenthe zijn opgevolgd. Voor lange tijd was deze serie een belangrijk naslagwerk voor de Drentse geschiedenis. 

Financiële problemen  

In 1858 moest Magnin gedwongen met pensioen. De officiële verklaring van dit ontslag was “wegens ligchaams gebreken”, namelijk Magnins verslechterende gezichtsvermogen.iv Het waren echter zijn financiële problemen die ten grondslag lagen aan het ontslag. Vermoedelijk had hij al schulden sinds 1838. Hoewel Magnin een fors salaris had, op het hoogtepunt in 1845 zo’n 1900 gulden per jaar, bleven de schuldvorderingen zich opstapelen. De schuldeisers waren voornamelijk winkeliers in Assen en om zijn schulden te voldoen werden bedragen ingehouden op Magnings salaris. Vanaf 1849 werd hij steeds meer gekort op zijn salaris, waardoor de geldproblemen bleven aanhouden. Uiteindelijk, in januari 1853, stuurde de minister van Binnenlandse Zaken, Thorbecke, een rekest aan de rijksadvocaat in Assen, Hendrik Vos, met de conclusie dat Magnin beter uit zijn functie gezet kon worden. Hij stelde hierin "(...) dat ambtenaren wier finantiële zaken dermate als bij den heer Magnin het geval is, in de war zijn, ook bij het publiek geen vertrouwen genieten.” Jaren later werd Magnin inderdaad ontslagen. Voor hem was het toen zaak om een pensioen te bemachtigen. In 1858 waren mensen in een dergelijke functie pas pensioengerechtigd als ze veertig jaar gewerkt hadden, of minstens 65 jaar waren. Magnin kon daarom nog geen aanspraak maken op een pensioen. Daarom werd uiteindelijk het lichamelijke probleem, de verslechtering van zijn zicht, aangewend als reden waarom hij zijn functie niet meer kon vervullen. Op 2 maart 1858 werd zijn pensioenaanvraag bevestigd. Magnin was toen al met zijn familie naar Amsterdam vertrokken en keerde niet meer terug naar Assen. Hij overleed in 1888 op 92-jarige leeftijd in de omgeving van Amsterdam.  

Het archief na Magnin

Onder Magnins negen opvolgers is het archief enorm veranderd. Het archief is verhuisd van de zolder van het oude Landschapshuis naar de huidige locatie aan de Brink. De archieven zijn gegroeid van enkele kasten en kisten naar het huidige elf kilometer lange archief in de depots. Daarnaast worden veel archiefstukken digitaal bewaard en komen er jaarlijks honderden bezoekers om onderzoek te doen op de studiezaal. Ook na deze veranderingen blijft Magnin, twee eeuwen na zijn aanstelling, herinnerd en hangt zijn in hout gesneden beeltenis in de Laarwoudzaal van het Drents Archief.  

Voetnoten 

I Drents Archief (DA), toegangsnr. 0040, inv. nr. 3, verbalen aanvr. 300315, 29 januari 1826, nr 23. 
 
II D.J. van Ewsch, “Aanschrijving, tot het opgeven van oorkonden en verdere archiven en stukken, tendiensten der zamenstelling van de Nederlandsche Geschiedenis”, in Bijvoegsel tot het Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden: Volume 1, 1827 (Gorinschem: Jacobus Noorduyn, 1828), 755. 
 
III DA, toegangsnr. 0180.01, inv.nr.  68, kopie besluit gouverneur 22 december 1829. 
 
VI DA, toegangsnr. 0048, inv. nr. 2015, volg. nr. 52.