Door Jan Bruggink en Renske van Donk

Met speciale dank aan Caroline van der Halm en Kristin Herlaar

Op 14 juli 1933 bracht de bekende Belgische hoogleraar en bibliothecaris, Willem Lodewijk de Vreese, een bezoek aan het Rijksarchief in Assen. De Vreese werkte op dat moment aan zijn Bibliotheca Neerlandica Manuscripta, een ambitieus overzichtswerk waarin hij bekende bronnen van het Middelnederlands wilde samenbrengen. Tijdens zijn bezoek viel zijn oog op een prachtig vijftiende-eeuws gebedenboekje dat ook in het Middelnederlands was geschreven. Om het handschrift nader te bestuderen kreeg hij toestemming het boekwerk mee naar huis te nemen. Het had weinig gescheeld of het kostbare gebedenboek was nooit meer teruggekeerd naar Assen.

Een topstuk uit de collectie

Het gebedenboek maakt onderdeel uit van de collectie van mr. Lucas Oldenhuis Gratama. Zijn verzameling is aan het begin van de twintigste eeuw dankzij inspanningen van rijksarchivaris Jan Joosting in de collectie van het Drents Archief terecht gekomen. Hoewel het gebedenboek geen uitgebreide miniaturen heeft, is het wel een topstuk uit de collectie. Op verschillende pagina’s zijn mooie randversieringen aangebracht en zijn de beginletters vaak versierd met blauw, rood en soms zelfs goud. Daarnaast bevat het gebedenboek prachtige pentekeningen. Deze versieringen dienden puur ter decoratie en hebben geen symbolische betekenis, zoals soms wel het geval is bij rijker gedecoreerde gebedenboeken. Al deze prachtige letters zijn met ‘twee handen’ geschreven, wat betekent dat er twee kopiisten aan het boek hebben gewerkt.

Fragment van het gebedenboek uit Zwolle Fragment van het gebedenboek uit de collectie van Lucas Oldenhuis Gratama

Het boekje is slechts 14,5 centimeter lang en dus eenvoudig om mee te nemen. En dat was ook precies de bedoeling van een gebedenboek. Men moest op elk moment van de dag een gebed kunnen uitspreken. Daarnaast bevat het een kalender met de feestdagen van heiligen en andere kerkelijke vieringen. De gebedenboeken werden in de middeleeuwen daarom ook wel getijdenboeken genoemd.  

Het gehele gebedenboek is inmiddels gedigitaliseerd en online in te zien.

Dit getijdenboek is geschreven in het Middelnederlands en was daarom interessant voor De Vreese. Waarom kreeg De Vreese toestemming om een kostbaar vijftiende-eeuws boek mee naar huis te nemen?  Wat waren de regels voor het uitlenen van archiefstukken in deze tijd? 

Een bladzijde uit het uitleenregister van 1933. Onderaan de uitleen van De Vreese. (Collectie Drents Archief)
Een bladzijde uit het uitleenregister van 1933. Onderaan de uitleen van De Vreese. (Collectie Drents Archief)

Regels voor het uitlenen van archiefstukken?

Artikel 12 van de ‘Instructie voor de archivaris’ uit 1858 (ook geldend voor het Rijksarchief Drenthe) bepaalde dat een archivaris archieven en boekwerken mag uitlenen aan ‘alle bij hem bekende en vertrouwde personen, die in het algemeen belang nasporingen wenschen te doen’.  Een nogal relatieve maatstaf, maar wanneer de archivaris twijfelde, kon de bezoeker worden doorverwezen naar de Gedeputeerde Staten. Verder was de archivaris bij machte om een uitleen als ’niet raadzaam’ te bestempelen en deze te weigeren. Wie wel een archiefstuk meekreeg, werd ingeschreven in een register, waarin de uitgeleende en teruggebrachte stukken werden bijgehouden. Met een handtekening van zowel de lener als de archivaris werd de uitleen bezegeld. Uiteraard moesten de stukken in goede staat worden teruggebracht, maar er waren geen specifieke regels over hoe er met de stukken moest worden omgegaan.

Van 1863 tot grofweg 1971 zijn, met enkele hiaten, de uitleenregisters van het Rijksarchief Drenthe bewaard gebleven. Ze laten zien welke archiefstukken of boeken werden uitgeleend, hoe lang en aan wie. Zo kregen niet alleen imposante hoogleraren met indrukwekkende snorren en zware wenkbrauwen stukken mee naar huis. Ook aan onderwijzers, studenten en artsen werden boeken en archiefstukken uitgeleend. Daarnaast leenden ook instellingen zoals de Openbare Leeszaal in Assen, het algemeen Rijksarchief in Utrecht, de Drentsche Courant en de Rijksuniversiteit van Leiden stukken van het archief.  Over het algemeen keerden de meeste stukken na enkele weken of dagen weer terug. Dit gebeurde overigens niet altijd in persoon: soms werden stukken ook per post teruggestuurd. Af en toe kwam het voor dat een werk niet geretourneerd werd.

In de grafiek is af te lezen hoeveel archiefstukken en boeken er over de jaren zijn uitgeleend. In de jaren twintig van de vorige eeuw was het uitlenen van stukken nog erg populair

In de grafiek hierboven is af te lezen hoeveel archiefstukken en boeken er over de jaren zijn uitgeleend. In de jaren twintig van de vorige eeuw was het uitlenen van stukken nog erg populair. Tegenwoordig worden geen archiefstukken meer uitgeleend aan particulieren. Archiefstukken en boeken kunnen alleen op de studiezaal worden ingezien. Hooguit kan, onder voorwaarden en afspraken, een stuk worden uitgeleend aan een museale instelling.

Jarenlang uitgeleend

Terug naar De Vreese. Nog eenmaal is er contact geweest tussen De Vreese en het archief. Op 21 augustus 1933 stuurde waarnemend rijksarchivaris Brouwer nog een overzicht van de inventaris op (waar De Vreese gelukkig niet nog meer stukken van heeft geleend). Brouwer besloot zijn brief met een bedankje aan De Vreese. Tijdens zijn bezoek had de hoogleraar namelijk opgemerkt dat er achter een gordijn een brandend petroleumstel stond met daarop een keteltje water. Waartoe dit keteltje diende is helaas onduidelijk, maar de hoogleraar had de dienstdoende archiefmedewerker streng op de situatie aangesproken. Het was ‘buitengewoon gevaarlijk’ om dergelijk brandbaar materiaal achter een gordijn te plaatsen, vond De Vreese. Brouwer stemde daarmee in, bedankte De Vreese voor zijn oplettendheid en ondernam de nodige maatregelen.

Na deze correspondentie is er niets meer van De Vreese of het gebedenboek vernomen. Wel weten we dat De Vreese in 1934 in Voorschoten is gaan wonen en dat hij na zijn pensionering zijn studiewerk over de handschriften wilde voortzetten. In 1935 onderging hij echter een zware operatie waar hij nooit helemaal van herstelde. Uiteindelijk overleed Willem Lodewijk de Vreese in 1939 op 68-jarige leeftijd. Het duurde echter nog ruim vijf jaar voordat het gebedenboek terugkeerde naar het archief in Drenthe.

Willem de Vreese in zijn privebibliotheek in Voorschoten.
Willem de Vreese in zijn privébibliotheek in Voorschoten. Stond het gebedenboek al die tijd hiertussen?

De terugkeer in oorlogstijd

De vermissing van het gebedenboek stond niet hoog op de agenda van het archief. Het is zelfs zeer de vraag of het gebedenboek überhaupt werd gemist. In de correspondentieboeken uit de jaren dertig is geen verder briefverkeer gevonden tussen De Vreese en het archief. Ook zijn er geen aanwijzingen dat iemand achter het uitgeleende boek is aangegaan. De vraag is dan ook of dit wel bekend was: in het register staat immers een retourdatum vermeld. Wellicht is deze onverschilligheid ook te wijden aan de tijdsperiode waarin het boek verdween. Het archief had op dat moment geen rijksarchivaris, maar stond onder waarnemend toezicht van de Rijksarchivaris van Groningen. Daarnaast stond de Tweede Wereldoorlog op het punt van uitbreken en de destijds dienstdoende archiefmedewerkers waren druk met hele andere zaken..   

Op 7 november 1943 ontving commies van het Rijksarchief Emilius van Emsteden echter een kleine briefkaart van de zoon van De Vreese. Tijdens het uitzoeken van zijn vaders nalatenschap was er een “hs. [handschrift] tevoorschijn gekomen, dat blijkt toe te behooren tot de Rijksarchieven in Drenthe te Assen, coll. Mr. L. Oldenhuis-Gratama no. 929”.   Het gebedenboek! De Vreese junior stelde voor dat hij het boek, gezien de omstandigheden (mogelijk bedoelde hij de oorlog) zo snel mogelijk aangetekend per post (!) wilde opsturen naar het archief.

Briefkaart van De Vreese jr. aan het Rijksarchief Drente.
De brief van De Vreese junior aan het archief (collectie Drenthe)

En zo geschiedde: een week later keerde het gebedenboek na 10 jaar lang te zijn uitgeleend terug naar het Rijksarchief in Drenthe.

In de begeleidende brief schreef De Vreese junior: ‘Hierbij bericht ik U, dat ik Hs 929 uit de coll. Mr. L. Oldenhuis Gratama heden aangeteekend met een aangegeven waarde van f. 500 aan Uw adres verzonden heb’.  Tot slot verzocht hij het Rijksarchief te laten weten of alles in goede orde was ontvangen. Een dubbelcheck was zeker nodig, omdat het terugzenden per post een gevaarlijke onderneming was. De post werd vervoerd met de trein vanuit Leiden naar Assen en de geallieerde luchtmacht had destijds een overwicht in de lucht. Hun jachtvliegtuigen schoten op alles wat zich bewoog over het water, langs wegen en het spoor. Gelukkig is de trein onderweg niet beschoten. Was dit wel het geval geweest, dan waren mogelijk alle poststukken met daarin ook het kostbare gebedenboek verloren gegaan.

Gerelateerde artikelen