5. waar vind ik mijn armlastige familie?

Armoede is van alle tijden en ook in Drenthe heeft armoede zich altijd gemanifesteerd. De bestrijding ervan was overwegend een zaak van lokale (veelal kerkelijke) autoriteiten. Pas de algemene werking van het stelsel van sociale wetgeving van ver na de Tweede Wereldoorlog maakte in grote trekken een einde aan structurele ernstige sociale misstanden.

De armoede van onze voorouders levert voor de tegenwoordige genealogische onderzoeker interessante mogelijkheden op om hen te traceren en nader zicht te krijgen op hun leven. Voor wie werkelijk niet in het eigen onderhoud kon voorzien, waren er, variërend per plaats of regio, mogelijkheden om ondersteuning te genieten. Veel moet men zich daar niet van voorstellen, maar de behoeftige kreeg dan een paar stuivers om te kunnen overleven, en soms waren er armhuizen waar men kon verblijven als men zelfs niet in staat was door middel van betaalde arbeid in het eigen onderhoud te voorzien.

Ook bij het thema armenzorg geldt: naarmate men dieper in het verleden duikt worden de gegevens schaarser. Informatie over Drentse armenzorg vinden we vanaf de zeventiende eeuw. Voor wie naar Drentse voorouders zoekt in samenhang met armenzorg is het van belang enig onderscheid te maken tussen de negentiende eeuw vanaf ruwweg 1850, en de periode die daaraan voorafging vanaf ruwweg 1600. In de negentiende eeuw begon armenzorg in toenemende mate gezien te worden als een overheidstaak, terwijl het voorheen vrijwel louter een aangelegenheid was van de plaatselijke diaconieën der kerkelijke gemeenten. Het verschil tussen de periodes voor en na ruwweg 1850 toont zich enigszins in de aard van het bronnenmateriaal.

Plaatselijke armbesturen

Voor de genealoog die op zoek is naar armlastige Drentse voorouders, zijn diaconiearchieven een rijke bron van informatie. Waar elders in Nederland naast elkaar opererende plaatselijke armbesturen van hervormde, katholieke en burgerlijke signatuur niet ongebruikelijk waren, geldt voor Drenthe dat vrijwel elk plaatselijk armbestuur samenvalt met de hervormde diaconie. Pas in de negentiende eeuw ging de overheid zich er in toenemende mate mee bemoeien en ontstond een wisselwerking tussen kerkelijke en burgerlijke armenzorg, maar nog steeds bleef de praktijk van de armenzorg overwegend in diaconale handen.

Diaconieën Tijdens de Republiek was de wijze waarop de armenzorg moest worden verricht vastgelegd in de Kerkenordes van 1638 en 1730. Het Landschapsbestuur had reeds in 1613 bepaald dat de diaconie in elk kerspel de armen moest bedelen, en dat slechts indien de diaconale middelen daartoe ontoereikend waren, er een subsidieverzoek aan de Landschapsoverheid mocht worden gericht (overigens zonder garantie dat zo'n verzoek zou worden ingewilligd). De kerkenordes waren in belangrijke mate een formalisering van deze situatie. Overigens hield het Landschapsbestuur zich ook wel in meer directe zin met armenzorg bezig (door incidentele subsidies), maar voor de genealoog is in het algemeen de diaconale armenzorg van maatgevend belang.

De diaconieën

organiseerden al in de zeventiende eeuw de financiële ondersteuning (ook wel bedeling) van armen (alumni genoemd indien onderhevig aan permanente bedeling), en probeerden in het algemeen een ieder die zich niet zelf in leven kon houden te voorzien van middelen voor voeding, onderdak en dergelijke. We weten bijvoorbeeld dat de diaconie van Coevorden al in 1606 aan specifiek genoemde personen hulp verleende. Ook bezaten sommige diaconieën gebouwen waar de meest weerloze armen onderdak kregen (en soms lichte

werkzaamheden moesten verrichten): armenhuizen. De financiële administratie werd in de praktijk verricht door de diaken-boekhouder. Daar diaconieën vrijwel volledig afhankelijk waren van giften, werd er zoveel mogelijk naar gestreefd de financiën gezond te houden.

Het geven van bijstand aan armen en behoeftigen geschiedde niet zonder controle van de omstandigheden waarin zij verkeerden, waarbij tevens een kritisch oog werd gericht op de levenswandel van betrokkenen. Daarom vinden we in diaconiearchieven niet alleen gegevens over de financiële situatie van mensen, maar zo nu en dan ook gegevens over hun levenswijze. Ook bevatten de diaconiearchieven informatie over de herkomst van personen.

Uytgave an vremde armen ende passanten
Den 23 Mayus 1654 gegeeven an een man die seeck (ziek) uyt die Kuynder quam van sijn arbeit - 8 stuivers
Den 30 Mey an een pastoors weduwe - 1 gulden 4 stuivers
Den 7 Junii an een arm man met een ventien (zoontje) uyt Vrieslant - 6 stuivers
Den selven dito an een hogeduytse vrouw - 6 stuivers
Den 18 dito gedaen an een arm man die nae Hamborch reysede - 5 stuivers

(Archief Hervormde gemeente Assen, uitgavenboek van de diaconie, inv.nr. 183)

De wet van 1818

Pas in de negentiende eeuw ging de rijksoverheid zich feitelijk met de armenzorg bemoeien. In 1818 maakte het nog jonge Koninkrijk de armenzorg tot staatszaak, zonder echter zelf verplichtingen aan te gaan waarvoor de staat diep in de buidel zou moeten tasten. De Wet van 28 November 1818, houdende bepalingen tot aanwijzing der plaats waar de Behoeftigen in den algemeenen onderstand deelen kunnen (in de wandeling de `Wet van november 1818' genoemd) bepaalde dat in beginsel iemands geboorteplaats de plaats was waar steun verkregen kon worden, en verder gold dat indien iemand tenminste vier jaar ononderbroken in een bepaalde gemeente had gewoond en daar alle belastingen had betaald, die gemeente verantwoordelijk was voor de bedeling van betrokkene indien deze tot armoede was vervallen. De nieuwe regels lieten veel ruimte aan armbesturen om mensen te verwijzen naar hun plaats van herkomst; voor de genealoog kan de hieruit voortvloeiende (en soms zeer uitgebreide) correspondentie van belang zijn.

Burgerlijke armbesturen

De directe bemoeienis van burgerlijke gemeenten werd geregeld in 1834, toen van overheidswege het provinciale Reglement op de invoering van Burgerlijke Arm-besturen in de Provincie Drenthe werd ingevoerd. Hierin was vastgelegd dat ook de gemeentelijke overheden een taak hadden in de armenzorg. Weliswaar bleef in beginsel de steun aan armen en behoeftigen in handen van de kerkgenootschappen waartoe zij behoorden, maar wanneer diaconieën onvoldoende financiële middelen zouden hebben, zouden ze een beroep mogen doen op de kas van de gemeentelijke overheden.

Daar de diaconieën hun verantwoordelijkheden niet graag uit handen gaven, meldden ze zich niet snel bij de gemeenten; pas vanaf het einde van de jaren '40 van de negentiende eeuw (toen het aantal armen substantieel bleek te stijgen) kreeg de gemeentelijke bemoeienis meer inhoud. Weliswaar probeerden de diaconieën zoveel mogelijk financiële invloed te houden in de armenzorg, maar de stijging van het aantal armen (tussen 1829 en 1844 was hun aantal met 60% gegroeid) noodzaakte hen in toenemende mate een beroep op de gemeenten te doen.

De toenemende financiële druk van het aantal armen leidde ertoe dat in sommige gemeenten burgerlijke armbesturen werden ingesteld, en tevens probeerden zowel diaconieën alsook gemeenten hun verantwoordelijkheden af te schuiven. De genealoog moet hiermee terdege rekening houden, want diaconieën en gemeenten verwezen nu steeds vaker naar de wet van 1818.

Overigens is het bepaald niet zo dat de diaconieën na ruwweg 1850 uit beeld verdwenen; de gemeentelijke betrokkenheid nam weliswaar toe, maar nog gedurende de gehele negentiende eeuw (en zelfs tot in de twintigste eeuw) bleven de diaconieën actief in de armenzorg. Het is hier voor de genealoog van belang te weten dat burgerlijke armbesturen in Drenthe bepaald niet als paddestoelen uit de grond schoten; tot ver in de negentiende eeuw was hun aantal zo gering dat een uitgebreide omschrijving van hun werking hier niet op zijn plaats is; de genealoog wordt aangeraden het bestaan van een burgerlijk armbestuur in een voor hem relevante gemeente zelf te controleren; de burgerlijke armen-administratie. Ook hier geldt: notulen en correspondentie van diaconieën en gemeenten kunnen gegevens bevatten over behoeftige voorouders voor wie men de financiële zorg wilde afschuiven of verrekenen.

De hongerjaren

Rond het midden van de negentiende eeuw heerste er zo'n omvangrijke armoede (die nog door slechte oogsten werd verergerd), dat de rijksoverheid nu een einde wenste te maken aan de afschuifstrategieën van gemeenten en diaconieën. Dit resulteerde in 1854 in de Wet tot regeling van het Armbestuur (in de wandeling de `Armenwet 1854' genoemd). Hierin werd iemands plaats van onderstand ondubbelzinnig gedefinieerd als iemands geboorteplaats. Aangezien de uitleg van die wet in de praktijk nog steeds betekende dat burgerlijke armbesturen alleen steun behoefden te verlenen als geen enkele kerkelijke instantie zich om een persoon bekommerde, bleef diaconale zorg maatgevend. Dit werd versterkt door het in 1857 van kracht geworden Synodaal Reglement voor de Diaconieën der Nederlandsche Hervormde Kerk, dat bepaalde dat diaconieën zorg moesten dragen voor de armen die in het kerkelijk ressort van hun gemeente woonden. Anders gezegd: het probleem van de afschuif-strategieën van de verschillende instanties werd gecontinueerd, met als gevolg dat opnieuw de diaconale en gemeentelijke notulen en correspondentie voor de genealoog van belang kunnen zijn om gegevens te verkrijgen over armlastige voorouders. Pas in het begin van de twintigste eeuw kwam armenwetgeving waarmee de rijksoverheid zelf structureel geld beschikbaar stelde voor armenzorg.

Literatuur

Voor uitgebreid inzicht in de archivalische omgang met diaconiearchieven wordt aangeraden: H. Gras, Diaconiearchieven als bron: een gids voor historisch onderzoek samengesteld op basis van archivalia en inventarissen van de Hervormde gemeenten in Drenthe (Assen 1988). Zie over de organisatie van de armenzorg H. Gras, `Het rendementsprincipe in de Drentse armenzorg', Ons Waardeel (1985) 26-32. De moeilijke jaren halverwege de negentiende eeuw zijn beschreven door H. Gras, `De hongerjaren', Ons Waardeel (1988) 14-19.

Bronnen

Aangezien ook Drenthe in de loop der eeuwen veel armen heeft gekend, kan de genealoog met een beetje geluk vruchtbaar onderzoek doen in diaconie-archieven. Overigens kan het voorkomen dat diaconale stukken `afgedwaald' zijn en bijvoorbeeld deel uitmaken van een kerkeraadsarchief. Voor wie op zoek is naar minvermogende voorouders is niet het complete archief van een diaconie van belang. U doet er verstandig aan diaconale notulen en brievenboeken door te nemen om een algemeen beeld van de werkzaamheden van de diaconie te krijgen (waarbij men de kans heeft te stuiten op gegevens over voorouders). Vervolgens kunt u zich concentreren op stukken die specifiek op de diaconale armenzorg betrekking hebben: borgstellingen, insinuaties, stukken die betrekking hebben op wat tegenwoordig wel lastenverlichting wordt genoemd, alsook bedelingsregisters en uitbestedingsregisters.

  1. Notulen en correspondentie kunnen gegevens bevatten over armlastige voorouders die financiële steun van een diaconie of een burgerlijke gemeente genoten. Notulen ofwel handelingen geven inzicht in wat er tijdens vergaderingen besproken en eventueel besloten is. Helaas zijn uitgebreide notulen van diaconale vergaderingen schaars in de Drentse diaconie-archieven. Beknopte notulen kunnen wel een aantal malen worden aangetroffen. Van verschillende Drentse gemeenten kunnen de notulen van het college van Burgemeester en Wethouders voor de genealoog van belang zijn. Het belang van notulen is dat daarin in beginsel, hoe uitgebreid of beperkt ook, alle werkzaamheden van een diaconie of gemeente teruggevonden moeten kunnen worden. Evenals in notulen kan ook in de correspondentie van een diaconie of gemeente over bedeelden gesproken worden. De genealoog doet er dus verstandig aan te zien of er brievenboeken zijn: brieven die ontvangen of verzonden zijn, bijeengevoegd tot bundels of boeken.
  2. Borgstellingen, ook wel akten van borgtocht of akten van indemniteit genoemd, werden in 1775 door het Landschapsbestuur verplicht gesteld. Niemand mocht een huis, erf, woning of kamer verhuren aan personen of gezinnen van buiten de Landschap zonder de plaatselijke diaconie een akte van borgtocht te bezorgen. Daarin garandeerde de diaconie van herkomst dat indien betrokkene binnen zes jaar tot armoede zou vervallen, diezelfde diaconie van herkomst voor bedeling zou zorgdragen. Werd zo'n borgstelling niet ingeleverd dan moest de verhuurder zelf voor de borg instaan: 300 gulden voor een gezin en 150 gulden voor één persoon. Bij het ontbreken van een borgtocht moesten de diakenen deze zelf binnen zes maanden invorderen. Weigerde de verhuurder te betalen dan werden zijn huurders van overheidswege over de landschapsgrens gezet, op kosten van de weigerachtige verhuurder. Een voor de genealoog belangrijke vuistregel is dat waar een diaconie of een verhuurder geen middelen had of wilde geven, de diaconie van herkomst (dit heet wel: domicilie van onderstand) aansprakelijk was voor de bedeling van de armlastige voorouder. In 1818 werd het systeem van de akten van borgtocht afgeschaft. De akte van borgtocht geeft dus ook informatie over woonplaats, herkomst en gezinssamenstelling. De diakenen van Oosterwolde verbinden zig mits dezen aan de diakenen van Norgh, om Japik Lutis, scheper te Langelo, en zijne huisvrouw Aaltje Wigbolts met hunne kinderen, in cas van onverhoopte armoede, onder de diakonie van Oosterwolde als alumnen aan te nemen en, zonder bezwaar van de diakonie van Norgh, met nodig onderhoud te voorzien. Oosterwolde, den 12 Junii 1787. Roelof Roelofs als diakens, Jannes Luttis als diakens. (Archief Hervormde gemeente Norg, inv.nr. 16).
  3. Insinuaties inzake armlastigheid waren ambtelijke aanzeggingen namens een diaconie aan andere diaconieën of aan particulieren, waarin deze aansprakelijk werden gesteld voor het onderhoud van personen indien die tot armoede zouden vervallen. Soms werd een insinuatie ook wel `exploot' genoemd. Het opmaken en ondertekenen van een insinuatie behoorde formeel tot de taken van de schulte, maar in de praktijk was het de pander, de assistent van de schulte, die speciaal was belast met het uitbrengen van dagvaardingen en zonodig de inbeslagname (`panding') van goederen; de pander is op dit punt dan ook vergelijkbaar met de hedendaagse deurwaarder.

    De diakonen van Norgh laten door dezen insinueren aan de diakonen van Peise, om Barelt Doedis, nu woonagtig te Westervelde, met zijne vrouw en kinderen, in cas van onverhoopte armoede, in dien staat en in dat getal zo alze zig dan zullen bevinden, weder in hun carspel en zo nodig aan hun armcasse aan te nemen ... Bovenstaande insinuatie is door mij schultes aan Steven Ebbinge als boekhoudende diaken van Peyze geinsinueerd. Bij wien copie is versogt. Peyze den 29 September 1791. J. Willinge, schultes. (Archief Hervormde gemeente Norg, inv.nr. 19)
  4. Remissie van het hoofdgeld is een vrijstelling (i.e. remissie) van de impost (i.e. belasting) op het gemaal. Deze belasting werd in Drenthe in 1600 ingevoerd; eenieder die granen liet malen moest daarvoor een belastingsom voldoen. In 1630 werd het mogelijk om deze impost op het gemaal af te kopen, en deze belasting in de vorm van een vaste afkoopsom noemen we `hoofdgeld'. Iedere Drentse ingezetene boven de leeftijd van één jaar (vanaf 1748 vanaf 12 jaar) moest dit hoofdgeld voldoen, en per kerspel zijn er dan ook zgn. hoofdgeldregisters die inzicht geven in 's mensen financiële situaties. Armen konden het hoofdgeld veelal echter niet voldoen en hadden dan de mogelijkheid om een rekest tot vrijstelling in te dienen bij de Landschapsoverheid. Een bewijs van vrijstelling van het hoofdgeld gaf tevens vrijstelling van het haardstedegeld (een soort onroerend- goedbelasting). Zodoende treft men in de haardstederegisters geregeld de aanduiding `heeft remis' aan. De genealoog op zoek naar financieel-economische informatie doet er dus verstandig aan, ook hoofdgeldregisters en haardstedegeldregisters te bestuderen. Niet zonder uitzondering werden rekesten tot vrijstelling van het hoofdgeld door de diaconieën ingediend namens armlastigen, waarvan in de diaconale correspondentie soms dus brieven kunnen worden aangetroffen.

    In 1709 bepaalden Ridderschap en Eigenerfden, de Staten van Drenthe, specifiek dat vrijstelling van het hoofdgeld voor alumni der diaconieën zou eindigen wanneer de bedeling voor die personen was stopgezet, hetgeen in 1759 nog eens werd bevestigd. Voor de genealoog betekent dit dat het zoeken van armlastige voorouders in registers van hoofdgeld en van haardstedegeld teneinde een verbinding te kunnen maken met diaconale armenzorg na 1709 veelal weinig en na 1759 geheel niet zinvol zal zijn. In het begin van de negentiende eeuw werd landelijk een nieuw belastingstelsel ingevoerd, waarbij remissie van de impost op het gemaal en de turf niet meer mogelijk was voor individuele ingezetenen. Wel konden instellingen van armenzorg om vrijstelling vragen, maar gegevens over specifieke armlastigen treft de genealoog daarin niet aan.

    Vertoonen Ued. Mog. seer reverentelijk Grietien Janssen en Grietien Barelts, hoe dat door siekten en andere lichaamsongemakken so seer in armoede sijn vervallen, dat door de diaconije moeten worden versorgt, gelijk Ued. Mog. uit de nevenskomende attestatie ... willen gelieven te ersien, sulks dat ook de supplianten niet in staat sijn het hooftgeld te konnen betalen, waaromme sij genootsaakt sijn geworden sig bij desen te adresseren aan Ued. Mog. met seer ootmoedig versoek. Dit rekest, gericht aan Drost en Gedeputeerden van Drenthe, werd op 11 februari 1727 ingewilligd. (Archief Hervormde gemeente Norg, inv.nr. 14)
  5. Registers van uitbestede armen zijn overzichten van armen die tegen een door de diaconie betaalde vergoeding onderdak kregen bij particulieren. Lang niet alle diaconieën hielden dergelijke registers apart bij; wanneer deze ontbreken verdient het aanbeveling de algemene diaconale financiële administratie door te nemen. De criteria die door diaconieën werden gehanteerd voor uitbesteding konden per kerspel verschillen, maar in het algemeen werden alleen armen uitbesteed die niet voor zichzelf konden zorgen, zoals bijvoorbeeld jonge kinderen, geestelijk of lichamelijk gehandicapten, en bejaarden.

    Antekeninge der bestedinge van die armen door die diakenen in het jaar 1782 en door mij Boele Harms angetekent. Den 27 Maai Aaltyn Jans besteet bij Jannes Harms tot Roon voor 22 gulden kostgelt. Neemt sijn anvank Maaj 1782 tot Maai 1783. Op den 30 Junii 1782 Berent Meints besteet bij Abel Karst tot Norgh en hij sal verdienen 12 gulden 10 stuver geld en 10 stuver toe, een hantpenink, 2 hemden, 2 paar schoenen en soo veel want tot een buys en een broek. Neemt zijn anvank maai 1783 tot maai 1784. (Archief hervormde gemeente Norg, inv.nr. 62)
  6. Bedelingsregisters, zowel kerkelijk als burgerlijk, zijn voor de genealoog bijzonder nuttige overzichten: ze bevatten lijsten van personen die onderstand genoten, alsook omschrijvingen van het type en de hoogte van de genoten steun. Een uniforme bedelingsadministratie was er niet; de wijze van administratie kon van diaconie tot diaconie of gemeente verschillen, maar over de periode vanaf ruwweg 1800 zijn bedelingsregisters een gebruikelijk onderdeel van de financiële administraties van diaconieën, en vanaf ruwweg 1850 van gemeenten. Veelal bevatten bedelingsregisters voorin of achterin een alfabetische index op de namen van bedeelden; dit vergemakkelijkt het werk van de genealoog aanmerkelijk. Vóór ruwweg 1800 zal men bij het ontbreken van bedelingsregisters veelal zijn toevlucht moeten nemen tot de meer algemene registers van inkomsten en uitgaven van diaconieën.
  7. Armen(werk)huizen zijn er in een beperkt aantal Drentse gemeenten geweest. Het waren gebouwen waarin armen die niet (meer) voor zichzelf konden zorgen werden gehuisvest, al dan niet permanent. Het fenomeen was afkomstig uit Engeland, waar het als een nuttig instrument ter opvoeding en disciplinering van de armen werd gezien. De opbrengsten van in het armenwerkhuis vervaardigde producten verminderde tevens de financiële druk van de bedeling. Armenhuizen c.q. armenwerkhuizen konden beheerd worden door een diaconie of door een burgerlijke gemeente. Het fenomeen deed vooral opgang vanaf het midden van de negentiende eeuw (zo werden er o.a. in Assen, Zweeloo, Borger en Odoorn armenhuizen opgericht), maar het bestond al langer. We weten bijvoorbeeld dat er in Hoogeveen en Meppel in het laatste kwart van de achttiende eeuw al armenhuizen waren. Als vuistregel voor de genealoog mag gelden dat armenhuizen van vóór ca. 1850 van diaconale signatuur waren en derhalve in de diaconale financiële administratie kunnen worden aangetroffen, en dat armenhuizen van na ca. 1850 enigerlei band met de burgerlijke gemeente hadden. Diaconale armenhuizen kunnen worden aangetroffen in een totnutoe niet genoemd hoofdonderdeel van de diaconale administratie, namelijk het beheer van bezittingen. Informatie over burgerlijke armenhuizen kan worden aangetroffen in de notulen of de brievenboeken van Burgemeester en Wethouders van een gemeente, en tevens kan een gemeentelijke administratie jaarverslagen inzake armenzorg bevatten. Duidelijk geïndiceerd in relatie tot armhuisbewoners zijn de diaconale en de burgerlijke administraties niet, en het verdient dan ook aanbeveling, armenhuizen niet als startpunt van een zoekstrategie te laten fungeren.
  8. Register van lidmaten of kortweg lidmatenregister is het door een Hervomde gemeente bijgehouden overzicht van diegenen die officieel als lid van de betreffende hervormde gemeente waren geregistreerd. Dit kan voor de genealoog van belang zijn, aangezien toenemende financiële druk de diaconieën er vanaf de jaren '40 van de negentiende eeuw toe bracht de bedelingscriteria aan te scherpen; wie geen lidmaat was kon van kerkelijke bedeling worden uitgesloten.
  9. Subsidies van de Staten van Drenthe. Regelmatig deden ingezetenen een beroep op het gewestelijk bestuur om de financiële nood te lenigen. De verzoekschriften waarop positief gereageerd werd, bevinden zich bij de rekeningen van hetzij de landschapssecretaris, hetzij de rentmeesters van Assen en Dikninge, die de opdracht tot uitbetaling van de subsidie kregen (OSA, inv.nrs. 1778-1780).

Kapitein Onno Lyphart was in dienst van het vaderland in Brazilië gesneuveld. Zijn weduwe, Claesken Langstraet, richtte zich in 1652 tot de Staten van Drenthe met het verzoek haar en haar vier kinderen, die nu geen vader meer hadden, tegemoet te komen met een jaarlijkse subsidie. Ridderschap en Eigenerfden streken de hand over hun hart en gaven eenmalig een bedrag van 100 gulden. (OSA inv.nr. 1779, rekening 1651/52, bijlagen)

Literatuur

Voor uitgebreide informatie over het hoofdgeld en andere vormen van belastingheffing in Drenthe, zie: P. Brood, Belastingheffing in Drenthe 1600-1822 (Meppel 1991). Over armenhuizen, zie: H. Klompmaker, `Opgenomen in het armenhuis', Ons Waardeel (1985) 33-41. Over armensubsidie schreef C. Meynen, `Drentse armen in de achttiende eeuw. Verzoeken om ``onderstand'' aan Drost en Gedeputeerden (1696-1791)', Ons Waardeel (1985) 16-25.

Sporen van een armlastig gezin uit de negentiende eeuw

Om een goed beeld te krijgen van de betekenis van deze bronnen verdiepen we ons in een negentiende-eeuws armlastig gezin.

Eise Pijl werd in 1800 te Smilde geboren als zoon van een arbeider annex binnenschipper, en stierf in 1855 in de strafgevangenis te Leeuwarden. Hij verbleef herhaaldelijk in gevangenissen en zou uiteindelijk een substantieel deel van zijn leven gedetineerd zijn. Zijn vrouw en kinderen, niet in staat om voor zichzelf te zorgen, waren dan ook meestentijds afhankelijk van de bedeling. Nadat Eise Pijl in september 1841 uit armoede een deel van de oogst van een aardappelboer had geroofd, daarvoor gearresteerd werd en vervolgens veroordeeld werd tot zeven jaar tuchthuis, richtte zijn vrouw Adriana zich met haar kinderen tot de diaconie te Leeuwarden voor bedeling. De Leeuwardense diaconie wenste vervolgens van de Assense diaconie de verleende onderstand vergoed te hebben. Waarom Assen en niet Smilde? Omdat een deel van het grondgebied van Smilde (toevallig dat deel waar het geboortehuis van Eise Pijl stond) na een gemeentelijke herindeling bij Assen was gekomen; Assen gold dus als domicilie van onderstand, en derhalve lag er bij de Assense diaconie een onderstandsplicht.

De Assense diaconie zat hier niet om te springen en traineerde de zaak door eerst nadere informatie te vragen over de geboorteplaats van Eise Pijl. Ze kreeg in reactie hierop vanuit Leeuwarden een afschrift van de huwelijksakte van Eise Pijl en Adriana de Bie, waarop Smilde als geboorteplaats stond vermeld. In een notedop laat dit ons zien hoe de genealoog een hoeveelheid nuttige informatie over armlastige voorouders kan traceren: na geboortegegevens uit de burgerlijke stand vinden we in het archief van de Hervormde Gemeente Assen correspondentie die inzicht geeft in de gezinssamenstelling en de hoeveelheid geld die voor onderstand van dit gezin gewenst is.

Adriana Pijl en haar kinderen verhuisden op 5 mei 1842 naar Assen, en ontvingen daar vanaf 9 mei 1842 bedeling. De verhuizing naar Assen blijkt uit de inschrijving in het Bevolkingsregister, en dat zij werden bedeeld blijkt uit opname in de Bedelingslijst. Onderdak kreeg het gezin-Pijl blijkens het diaconie-archief in het Assense armhuis aan de Groningerweg. Ruim was dit niet, want het gebouw was verdeeld in twaalf grotere en kleinere ruimtes, met soms een heel gezin in één kamer. Adriana Pijl baarde verschillende kinderen terwijl haar teerbeminde in het tuchthuis verbleef, hetgeen de diakenen weliswaar moreel zwaar fronsend naar haar levenswandel deed kijken, maar waar ze tegelijkertijd een mogelijkheid in ontwaarden Adriana kwijt te raken; als nu zou blijken dat ze niet eens lid was van een hervormde gemeente, zou haar plaats met goed recht aan een diaconale behoeftige kunnen worden gegeven. Het onderzoek leidde echter tot niets, want Adriana werd later toch als lidmaat van de Asser hervormde diaconie ingeschreven.

Inmiddels had een verdergaande verslechtering van de diaconale financiën tot een nóg strengere toepassing van de bedelingscriteria geleid, met als gevolg dat het gezin-Pijl naar het inmiddels ontstane burgerlijke armbestuur te Assen werd verwezen. Verschillende kinderen-Pijl hadden intussen voor allerlei kleine diefstallen voor de rechter gestaan, en na het bericht van het overlijden van Eise Pijl in de Leeuwarder strafgevangenis zagen de Asser autoriteiten Adriana en haar kinderen in 1855 graag vertrekken; nu gold immers Adriana's geboorteplaats (Fijnaart in Noord-Brabant) als plaats van onderstand.

Voor zover bekend is geen van de kinderen-Pijl in Assen door de diaconie bij een particulier uitbesteed geweest, een praktijk die wel voorkwam om bijvoorbeeld kinderen een vak te laten leren of om bejaarden een wat draaglijker oude dag buiten het armhuis te bezorgen. Gegevens inzake de huur van een lijkkleed door het gezin-Pijl te Assen zijn er niet.

Literatuur

De aan het leven van het gezin-Pijl ontleende voorbeelden en de daarbij gebruikte annotatieve verwijzingen zijn afkomstig uit: H. Gras, Het ellendige leven van Eise Pijl en de zijnen (Assen 1987). Het archief van de hervormde gemeente Assen ligt in het rijksarchief. Inventarisnummer 97: brieven

van de diaconie en afschriften van de bemoeienissen van Burgemeester en Wethouders van Assen en Leeuwarden. In het Gemeentearchief van Assen bevinden zich de bedelingsregisters van het Burgerlijk Armbestuur 1846-1850.

De maatschappij van weldadigheid

Aan het begin van de negentiende eeuw heerste er in geheel West-Europa grote armoede. Ook in Nederland was er onvoldoende werkgelegenheid voor de groeiende bevolking. Vooral in de grote steden waren er steeds meer bedelaars, te vondeling gelegde kinderen en wezen. Arme mensen die niet in staat waren om voor zichzelf te zorgen werden vaak paupers genoemd.

Officier Johannes van den Bosch kwam met een plan voor een structurele oplossing voor de verpaupering. In 1818 kreeg hij toestemming van de Staat voor het oprichten van de Maatschappij van Weldadigheid. De Maatschappij was een particuliere instelling die onder andere gefinancierd werd door contributie van leden uit het hele land. De doelstelling was het stichten van landbouwkolonies waarin paupers gehuisvest werden. Deze paupers konden door het ontginnen van grond een bestaan voor zichzelf opbouwen en zichzelf zo uit de armoede helpen. Hun kinderen moesten worden onderwezen, zodat ook zij succesvol zouden worden in de samenleving. Hoewel het doel was om de gezinnen die geselecteerd waren voor de koloniën aan het werk te zetten, stuurden de subcommissies in de grote steden ook vele personen op die niet in staat waren om te werken. Dit leverde de Maatschappij grote problemen op.

De vrije koloniën – Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord

Op 25 augustus 1818 legde Van den Bosch de eerste steen van de eerste kolonistenwoning in de nieuwe kolonie Frederiksoord. In 1820 volgden Willemsoord en Wilhelminaoord. De koloniën waren verdeeld in wijken van 20 à 30 zogenaamde huisgezinnen, waarover wijkmeesters werden aangesteld. Een kolonist die met zijn gezin in de vrije koloniën aankwam, kreeg een woning met een stuk land, huisraad en gereedschappen. De gezinnen werden vaak aangevuld met weeskinderen of ouderen die, omdat ze bij een gezin in huis woonden, ingedeelden of bestedelingen werden genoemd.

Vrije kolonisten konden hun hele leven lang het land van hun hoeve bewerken tegen betaling van een derde van hun oogst aan de Maatschappij. Kleding en huisraad moesten geleidelijk worden afbetaald. Elke kolonist had zijn eigen rekening en een boekje, waarin zijn schuld aan de Maatschappij stond opgetekend.

De onvrije koloniën – Ommerschans en Veenhuizen

Al snel na de oprichting van de vrije koloniën vond de Maatschappij het nodig om nieuwe koloniën te stichten. Deze waren bestemd voor het opnemen van personen van 'minder zedelijk en goed gedrag': vrije kolonisten die door de Raad van Tucht waren veroordeeld en bedelaars van buiten de kolonie. Voor het inrichten van een strafkolonie had Van den Bosch een verlaten fort bij Ommen, de Ommerschans, op het oog. In 1819 werd de Ommerschans in bruikleen gegeven door Koning Willem I. In deze strafkolonie werden kolonisten uit de vrije koloniën geplaatst die door de Raad van Tucht waren veroordeeld. In 1822 werd er ook een gesticht voor bedelaars gebouwd. Vanaf dat moment werden er ook bedelaars in de kolonie Ommerschans geplaatst.

Voor de verzorging van wezen en vondelingen kocht de maatschappij in 1822 en 1823 in de gemeente Norg voor 66.000 gulden de buurtschap Veenhuizen, met zo'n 2500 hectare land. Er werd een contract met de regering afgesloten voor de plaatsing van 4000 wezen en vondelingen, 500 huisgezinnen en 1500 bedelaars. In Veenhuizen werden drie grote gestichten gebouwd. Er was veel weerstand in het hele land tegen de opzending van kinderen naar de koloniën en het lukte daarom

niet om 4000 wezen naar Veenhuizen te krijgen. Een van de gestichten te Veenhuizen werd daarom na voltooiing als bedelaarsgesticht in gebruik genomen. Bij de kolonie Veenhuizen hoorde ook het Landbouwkundig Instituut te Wateren, een soort proefboerderij en landbouwschool. Slechts de beste leerlingen onder de bestedelingen en wezen werden toegelaten.

In 1826 kwamen er 178 legerveteranen met hun gezinnen aan de buitenzijdes van de gestichten te wonen, zowel in Veenhuizen als de Ommerschans. Ze werkten als landbouwer of als bewakers van de bedelaars. Arbeidershuisgezinnen in Veenhuizen waren, evenals de vrije kolonisten, volkomen vrij om ontslag te vragen als zij dit wensten. Deze arbeidersgezinnen werden echter niet opgeleid tot het zelfstandig beheren van een hoeve en woonden net als de veteranen aan de buitenkant van de gestichten.

Personeel en toezicht

De koloniën werden bestuurd door de drie commissies: de Commissie van Weldadigheid, de Commissie van Toevoorzigt en de Permanente Commissie, waarvan Johannes van den Bosch voorzitter was. Daarnaast waren er verschillende subcommissies gevestigd in de grote steden. De personeelsleden, die ambtenaren werden genoemd, waren vaak officieren uit het leger. De kolonisten zelf bestuurden vaak de wijken en werden ook ingezet als koks en verplegers. De gestichten kenden een interne rechtspraak die werd uitgeoefend door Raden van Tucht, waarvan elk gesticht er één had.

Na 1859

In 1859 dreigde de Maatschappij failliet te gaan en daarom werden de Ommerschans en Veenhuizen door de staat overgenomen. Vanaf dat moment werden de koloniën Rijkswerkinstellingen. De bewoners bestonden uit verpleegden: bedelaars en landlopers die niet veroordeeld waren voor een misdrijf; en gevangenen. Daarnaast woonden er kinderen van veroordeelden en tot 1863 ook nog wezen. In 1889 werd de Ommerschans gesloten. De verpleegden werden overgebracht naar Veenhuizen.

Op 1 januari 1875 werden de gestichten geplaatst onder het Ministerie van Justitie. Twee van de gestichten in Veenhuizen zijn tegenwoordig nog steeds rijkswerkinstelling en gevangenis, ze heten nu 'Norgerhaven' en 'Esserheem'.

In 1923 begon de Maatschappij van Weldadigheid met het verkopen van de hoeves van de vrije koloniën. Deze werden vaak eerst verhuurd aan zoons van vrijboeren of mensen van buiten de kolonie. Sommige van die huurders kochten hun hoeve van de Maatschappij zodat ze zelfstandig werden. Hierna werd ook een deel de hoeves in Wilhelminaoord verkocht. In 1959 werd de Maatschappij van vereniging omgezet tot stichting. Deze stichting bestaat nog steeds en is gevestigd in Frederiksoord.

Onderzoek in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid en de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen en Ommerschans

Er is een uitgebreide zoekwijzer voor het doen van onderzoek naar ‘kolonisten’ en ambtenaren. Zie hiervoor de zoekwijzer Koloniën van Weldadigheid en Allekolonisten.nl

Literatuur

Wil Schackmann schreef vier boeken over het leven in de Maatschappij van Weldadigheid: De proefkolonie, De bedelaarskolonie, De kinderkolonie en De strafkolonie.