9. was mijn voorvader militair?

Het is mogelijk om een militair aan te treffen in de familie. Misschien via een aanwijzing in de doop- en trouwboeken of in de burgerlijke stand, omdat bij geboorte of huwelijk stond vermeld dat de vader of de bruidegom een militaire functie had. Of als bijlage bij de huwelijksakte van een voorvader een certificaat van de Nationale Militie, waaruit bleek dat hij in dienst was geweest. Maar ook zonder zo'n aanwijzing kunnen we ons afvragen of er onder onze voorouders militairen voorkwamen.

MILITIE (na 1813)

De eerste regeling voor een nationale militie - na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 - werd op 20 december van dat jaar vastgesteld: het Reglement van Algemene Volkswapening, Landstorm en Landmilitie. De Nederlandse strijdmacht werd samengesteld uit een landstorm, die kon worden ingezet bij de verdediging van de eigen omgeving, en een landmilitie voor de verdediging van het vaderland. Naast de landmilitie kende men nog de armee die voor offensieve actie in het buitenland kon worden ingezet en waarin - naast Nederlanders - ook veel buitenlanders dienst deden. De Grondwet van 1814 bracht, naast de oprichting van schutterijen, een reorganisatie. Dit systeem bleef, met enige wijzigingen, tot 1922 gehandhaafd. Op elke 100 inwoners zou namelijk één militielid worden aangewezen. Om een geregelde aanvulling te garanderen werd Nederland verdeeld in militiedistricten met elk ongeveer 100.000 zielen. Ieder militiedistrict was weer opgedeeld in tien kantons van 10.000 inwoners. Gewoonlijk was het binnen een kanton niet mogelijk het vastgestelde contingent manschappen te rekruteren uit vrijwilligers. Het aantal rekruten werd dan aangevuld met lotelingen. Op een vastgestelde datum werd daartoe in de hoofdplaats van het kanton geloot. De ingeschrevene of zijn vertegenwoordiger trok dan een nummer. De personen met de laagste num- mers vulden het contingent aan totdat het voltallig was.

Op 27 februari 1815 verscheen de eerste Militiewet. Hierbij werd Nederland verdeeld in militiedis- tricten en -kantons. De landmilitie heette nu nationale militie en bestond uit 22.000 man, in beginsel vrijwilligers, ongehuwde mannen tussen de 18 en 22 jaar. De dienstplicht duurde vijf jaar. De rege- ring stelde het quotum per provincie vast.

Bij de Militiewet van 2 februari 1912 werden keuringsraden ingesteld. De militieraden, die tot dan toe de keuring van lotelingen verrichtten, werden nu beroepsinstantie voor uitspraken van de keuringsraden. Op 1 maart 1922 werd de Dienstplichtwet van kracht, waardoor de nationale militie werd opgeheven en de dienstplicht voor land- en zeemacht werd ingevoerd. In deze nieuwe wet bleef de procedure van inschrijving en loting van dienstplichtigen vrijwel gelijk. Het lotingssysteem werd pas geheel afgeschaft op 21 februari 1938. De dienstplicht is per 31 augustus 1996 afgeschaft, zodat de krijgsmacht weer uitsluitend uit beroepsmilitairen bestaat.

Bronnen

1. Militieregisters

Ieder jaar legde het gemeentebestuur een inschrijvingsregister aan van mannen die in aanmerking kwamen voor de nationale militie. In beginsel moest iedere mannelijke Nederlander of niet-Nederlandse ingezetene tussen 18 (later 19 en 20) en 23 jaar zich laten inschrijven. Van deze inschrijvingsregisters werden vervolgens alfabetische naamlijsten gemaakt, waarvan een afschrift naar de commissaris des Konings ging en het origineel in het gemeentehuis bleef.

In elke provincie had de gouverneur (later commissaris des Konings) de zorg voor alle zaken betreffende de lichting van de militie, terwijl elk militiedistrict een militiecommissaris en een militieraad had voor zaken van loting en vrijstelling. De militiecommissaris had de leiding van de loting en woonde de zittingen van de militieraad bij. Deze raad was belast met de beoordeling van redenen van vrijstelling, het onderzoek van plaatsvervangers en de goedkeuring van nummerverwisseling. De militieraad werd geassisteerd door een `geneesheer' en een `heelmeester'.

Tot de militieregisters behoren de inschrijvingsregisters, de alfabetische lijsten, naamlijsten en - registers, alsmede de lotingslijsten en -registers, welke gedurende 1815-1922 werden gebruikt bij de inschrijving en loting voor de nationale militie.

De mogelijkheid bestond zich bij de inloting door remplaçanten (plaatsvervangers) te laten vervangen, waarvoor bedragen van enkele honderden guldens aan de vervanger moest worden betaald. Remplacering geschiedde op basis van een bij notariële akte gesloten contract.

Uit een huwelijksbijlage, het militiecertificaat, blijkt dat Gerardus Slomp uit Meppel aan zijn dienstplicht heeft voldaan door een plaatsvervanger te stellen. Blijkens het lotingsregister van Meppel van 1846 is Roelof Jonker zijn remplaçant geworden. Hij trad op 25 maart 1846 in dienst en verliet deze weer op 10 maart 1851 (Drents Archief, Archief Gouverneur, toegangsnummer 0040, inventarisnummer 45). De afspraak die Slomp en Jonker maakten over de plaatsvervanging, werd vastgelegd in een contract. Daarvoor waren zij op 22 april 1846 naar notaris H.H. van Lier in Assen gegaan. Uit de notariële akte blijkt dat Jonker 300 gulden kreeg voor de plaatsvervanging (Archief notaris H.H. van Lier Assen, toegangsnummer 0114.07, inventarisnummer 6, akte 63).

Een tweede mogelijkheid was de dienst te laten waarnemen door een nummerwisselaar; een vrijgelote dienstplichtige met een lotingsnummer hoger dan het getal dat aan het district opgelegde contingent groot was, nam dan de plaats in van een ingelote dienstplichtige met een lager lotings- nummer, uit dezelfde lichting en gemeente. Door de invoering van de persoonlijke dienstplicht bij wet van 2 juli 1898 werd het systeem van remplaçanten afgeschaft. Na inloting werd de loteling, remplaçant of nummerwisselaar opgemeten en gaf hij eventueel redenen van vrijstelling op. Naast het lotelingsnummer werden verder de geslachts- en voornamen, geboortedatum en -plaats, namen en beroep van ouders/voogd in het lotingsregister vermeld. De lotingsregisters werden daarna naar de militieraad (later keuringsraad) verzonden, die zich bezighield met de beoordeling van de redenen van vrijstelling, het onderzoek naar de plaatsver- vangers en nummerwisselaars. Vrijstelling kreeg men bij lichamelijke gebreken, indien men de enige wettige zoon was of gevangen zat. Nadat de militieraad in twee verplichte zittingen de beoordelingen had voltooid, werden de lotingsregisters, de alfabetische naamlijsten en de registers van plaatsvervangers en nummerwisselaars ingeleverd bij de gouverneur/commissaris des Konings. Het dubbel ging naar burgemeester en wethouders.

Beschikbaarheid De militie- en lotingsregisters zijn te vinden in verschillende archieven. Ten eerste is er het gemeentearchief, waar de inschrijvingsregisters en alfabetische naamlijsten te vinden zijn. In het Drents Archief zijn vervolgens de bemoeienissen van de commissaris des Konings met de militie terug te vinden in zijn archief (toegangnummer 0040). De stukken over 1814 berusten in het archief van de Commissaris van het arrondissement Assen (Oude Staten Archieven, toegangsnummer 0001 inventarisnummers 1700-1705). Over de gehele periode tot 1922 zijn de lotingsregisters bewaard gebleven. In het archief van Militieraad en Militiecommissaris zitten de stukken betreffende loting en vrijstelling (toegangnummer 0041).

2. Stamboeken

Was de dienstplichtige ingedeeld bij een regiment, dan werd hij ingeschreven in een militair stamboek. Gegevens over militairen die in de periode 1813-1924 deel uitmaakten van de strijdkrachten, vindt u voornamelijk in de stamboeken van officieren, onderofficieren en soldaten, die berusten in het Nationaal Archief. Het Centraal Bureau voor Genealogie beschikt over microfiches van deze stamboeken.

Wie op zoek is naar gesneuvelde militairen in 1815 (Slag bij Waterloo) kan het zogenoemde Fonds 1815 raadplegen dat berust in het Stadsarchief te Amsterdam. Deze bron is via hun website in te zien.

Voor militaire gegevens na 1924 moet u zich wenden tot het persoonsarchief van het ministerie van Defensie. Via hun website zijn kosteloos militaire stamkaarten aan te vragen.

3. Keuringsregisters

Naast de militieraad fungeerde sinds de Militiewet van 1912 een keuringsraad, die aan de hand van de lotingslijsten de keuringen verrichtte. In de daarbij aangelegde keuringsregisters staan de volgende gegevens vermeld: de naam, geboortedatum en -plaats, beroep en gemeente waar zij staan ingeschreven voor de militie, de lengte, het gezichts- en gehoorvermogen, geuite klachten en de beslissing van de raad over geschikt- of ongeschiktheid voor inlijving.

4. Certificaten van militie

Zijn door de gouverneur/commissaris des Konings afgegeven verklaringen, waaruit blijkt dat betrokkene in de registers van de Nationale Militie staat ingeschreven, of hij al of niet in dienst is geweest en zo ja, bij welk legeronderdeel. Vaak bevat het ook een beschrijving van het uiterlijk van de loteling. Dit certificaat zit vaak als bijlage bij de huwelijksakte. Als de loteling bij zijn huwelijk zijn volledige diensttijd nog niet had vervuld, dan treft men vaak een bijlage aan, waarin de commandant - met vermelding van het legeronderdeel - zijn toestemming verleent aan de militair om te trouwen. De betrouwbaarheid van de gegevens is vrij groot. De inschrijvingsregisters werden namelijk door de gemeente met de gegevens uit de registers van de burgerlijke stand vergeleken. Dit gebeurde voornamelijk om na te gaan of ook inderdaad iedere mannelijke ingezetene van achttien jaar of ouder zich had ingeschreven. In de bewijsstukken dat aan de Nationale Militie was voldaan staat, wanneer de bruidegom voor de militaire dienst was afgekeurd, doorgaans alleen de verwijzing naar een nummer en niet een precieze omschrijving van de reden(en) van ongeschiktheid. Toch is die reden te achterhalen. In het Nieuw reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de krijgsdienst te land en te water (Staatsblad 1862, no 34) staan namelijk nummergewijs (1-357) nauwkeurig de ziekten of gebreken genoemd die aanleiding gaven tot afkeuring.

Beschikbaarheid

De certificaten van militie bevinden zich in het in de bijlagen bij de huwelijksakten. Deze zijn digitaal beschikbaar.

Literatuur

C.J. van Maanen (red.), Verzameling van wetten en besluiten betreffende de Nationale Militie (Utrecht 1862-1909) en Recueil Militair, bevattende de wetten, besluiten en ordres, betreffende de Koninklijke Nederlandsche Landmagt 1813-1914 ('s-Gravenhage-Amsterdam 1815-1914). Zie hierover ook: `Militaria', Gens Nostra (1972) 353-398 en `Nogmaals Militaria', Gens Nostra (1973) 29-60. Over remplaçanten en nummerverwisseling schreef E.W.R. van Roon, `De dienstplicht op de markt gebracht. Het fenomeen dienstvervanging in de negentiende eeuw', Bijdragen en Mededelingen be- treffende de Geschiedenis der Nederlanden 109 (1994) 613-637. De militieregisters worden uitgebreid behandeld in B. Koerhuis en W. van Mulken, De Militieregisters 1815-1922 (Den Haag 1986), waarin ook verdere literatuur is vermeld. Over het `Fonds 1815': Ph.M. Bosscher, Honderdvijftig jaar Fonds 1815 (Bussum 1965), en P.J.M. Wuisman, `De registers van het z.g. 'Fonds 1815'', Gens Nostra 28 (1973) 54-56. Tenslotte wijzen we hier op J.H. Kompagnie, Soldaten overzee, Aanwijzingen voor het doen van onderzoek naar onderofficieren en minderen bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en bij het leger in West-Indië (Den Haag 1996).

Schutterij (1814-1901)

Ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1594-1795) bestonden er al schutterijen, die zorgden voor de plaatselijke veiligheid en het handhaven van rust en orde. Bij grondwet van 1814

werden - op uniforme wijze georganiseerde - schutterijen opnieuw ingesteld, die in tijd van oorlog konden dienen als versterking van het leger. Men kende, volgens de wet van 1827, in de steden (van tenminste 2.500 inwoners) dienstdoende en in de overige steden en op het platteland rustende schutterijen. De wet stelde de sterkte van beide schutterijen vast op 600 man voor elke 20.000 inwoners. Alle mannelijke Nederlanders tussen 18 en 50 jaar (in 1827: tussen 25 en 34 jaar) kwamen voor de dienst in dienstdoende of rustende schutterij in aanmerking. De diensttijd was vijf jaar. Het gemeentebestuur was verantwoordelijk voor de dienstdoende schutterij, de militiecommissaris voor de rustende. Bij oorlogsdreiging werden beide schutterijen tot een mobiele schutterij samengevoegd. Dit is slechts éénmaal gebeurd, namelijk tijdens de Belgische Opstand (1830-1839). Toen werden de schutterijen opgenomen in de krijgsmacht, waardoor zij landelijk werden ingezet. Na de afscheiding van België (1839) werd de mobiele schutterij ontbonden en werden de dienstdoende (in de steden) en rustende (op het platteland) schutterijen heropgericht. Steeds vaker bleek echter dat het de schutterij ontbrak aan goed kaderpersoneel en adequaat materieel. Tevens werd hoe langer hoe duidelijker dat naarmate de politie beter functioneerde, de schutterijen taken verloren. Vele gemeenten bleven ook in gebreke schutterijen op te richten. Op 24 juni 1901 werden de schutterijen officieel opgeheven en vervangen door de landweer.

Bronnen

Volgens de Wet op de Schutterij van 1815 moesten de gemeenten alle mannen tussen achttien en vijftig jaar inschrijven in een register. Verschillende commissies selecteerden uit het register schutters voor actieve en rustende dienst. De wet op de schutterij van 1827 verplichtte de gemeenten tot de aanleg van diverse registers. Alle mannelijke inwoners die na 1 januari van een bepaald jaar 25 werden, moesten zich laten inschrijven in het inschrijvingsregister. Na het sluiten van dit register (op 1 juni) werd hiervan een alfabetische lijst gemaakt. Van deze lijst maakte men vervolgens een lotingslijst. Een lotingscommissie, bestaande uit twee leden van de gemeenteraad en een lid van de schutterij, hield toezicht op de loting. Het door de loteling getrokken nummer werd op de alfabetische en op de lotingslijst ingevuld. Aan de hand van de lotingslijst deed een commissie van onderzoek uitspraak over eventuele vrijstelling, waarvan aantekening werd gemaakt op de lijst. De lotingscommissie maakte daarna een algemene lijst op, zonder de vrijgestelden. Op deze lijst werden naar volgorde van lotingsnummer eerst de ongehuwden en weduwnaars geplaatst, daarna de overigen. Ten slotte werd de bijzondere rol opgesteld waarop, in gelijke volgorde als op de algemene rol, zoveel namen werden geplaatst als er nieuwe schutters nodig waren. De commandant zorgde ervoor dat de manschappen werden ingelijfd. Als een schutter in de loop van het jaar verhuisde of kwam te overlijden, dan werd de eerstvolgende op de lijst ingelijfd. Het systeem van nummerwisseling werd ook bij de schutterij toegepast.

Beschikbaarheid

In de gemeentearchieven bevindt zich de registratie van schutters, met de correspondentie die dienaangaand gevoerd is. In het Drents Archief zijn stukken over schutterijen, waaronder correspondentie, keuringen, staten van manschappen, registers van officieren en lijsten van dienst- plichtigen te vinden in de archieven van de dienstdoende en rustende schutterijen (toegangsnummer 0150.01, 0150.02 en 0150.03). In het archief van de Gouverneur van Drenthe (toegangnummer 0040) zijn de stukken (inclusief de controleregisters) van de Drentse Mobiele Schutterij uit de jaren 1830- 1839 te vinden. Het archief van het ministerie van Binnenlandse Zaken (1813-1911) bevat stukken over de schutterijen (Nationaal Archief, afdeling nationale militie en schutterijen).

Literatuur

Voor de organisatie van de schutterijen ten tijde van de Republiek in het algemeen kan dienen: Paul Knevel, Burgers in het geweer, De schutterijen in Holland, 1550-1700 (Hilversum 1994). Een ouder

maar nog bruikbaar werk is: C.J. van Maanen en L.F.G.P. Schreuder, Handleiding ter uitvoering van de Schutterijwet (Utrecht 1869). Over beroepsprocedures: L.M. Koenraad, Bescheiden met betrekking tot beroepsprocedures bij Gedeputeerde Staten op grond van publiekrechtelijke wetten, 1815-1850: Militie en schutterij ('s- Gravenhage 1994).

Landweer en landstorm (1901-1922)

De landweer werd in 1901 opgericht ter vervanging van de plaatselijke schutterijen. Zij bestond uit dienstplichtigen en vrijwilligers en kon in geval van oorlog(sdreiging) onmiddellijk worden ingedeeld bij de korpsen van de nationale militie. Naast de landweer werd in 1913 de landstorm (her)opgericht, die werd gevormd door ingezetenen die niet tot de militie of landweer behoorden, dat wil zeggen, iedereen die vrijstelling had voor de militie of zijn dienst bij de nationale militie of landweer had volbracht. Net als de landweer werd ook de landstorm alleen ten tijde van oorlog ingezet. Beide organisaties werden in 1922 opgeheven toen een geheel nieuwe regeling van kracht werd. In de nieuwe regeling van de dienstplicht werd iedere mannelijke Nederlander opgeroepen in het jaar dat hij negentien werd. Gedeputeerde Staten konden vrijstelling van dienstplicht wegens broederdienst geven, vrijstelling op grond van andere gronden was aan de Minister van Oorlog voorbehouden. Vanaf 1902 fungeerde ook een aantal weerbaarheidsverenigingen, vrijwillige korpsen ter bevordering van de weerbaarheid van het land. Jaarlijks deden zij verslag aan Gedeputeerde Staten.

Bronnen en beschikbaarheid In het Drents Archief kunt u in het archief van Gedeputeerde Staten (toegangnummer 0031) verschil- lende stukken over de landweer en landstorm aantreffen (zie de index op de verbalen). Het betreft hier voornamelijk uitvoeringsvoorschriften en vrijstellingen voor beide organisaties. Daarnaast berusten stukken over deze organisaties in de gemeentearchieven. De archieven van de bijzondere vrijwillige landstorm berusten bij het Ministerie van Defensie (Archief van de Sectie 1 van het Algemeen Hoofdkwartier).

Literatuur J.C. van der Does, Als 't moet, november 1918 en de Bijzondere Vrijwillige Landstorm ('s-Gravenhage 1959).

Beroepsmilitairen voor 1813

Vóór 1795 bestond het leger uitsluitend uit beroepsmilitairen, voor een groot gedeelte buitenlanders, vooral Schotten, Engelsen, Duitsers en Zwitsers. Tegen betaling namen zij dienst in het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Aan de legerdienst van deze buitenlanders herinnert nog de uitdrukking `geen geld, geen Zwitsers'. De omvang van het leger was niet constant. In de zomer, zeker wanneer er oorlogsdreiging was, telde het vele soldaten. In de winter, wanneer er toch niet gevochten werd, werden de meeste soldaten ontslagen. Slechts een klein deel werd in dienst gehouden om de garnizoenen en vestingen te blijven bezetten. In de omgeving van het leger hield zich een grote schare burgers op, bestaande uit de gezinnen van de soldaten en allerlei kleine koop- en ambachtslieden. Na afloop van hun dienstverband bleven vele buitenlandse militairen hier wonen en werden zo de stamvader van een nieuwe Nederlandse familie. Naast al deze buitenlanders kende het leger natuurlijk ook vele eigen inwoners die beroepshalve dienst namen in het leger. Voor de toenmalige elite waren de officiersplaatsen een gewilde bron van inkomsten. Nogal wat leden van de adel en de patriciërsgeslachten komen we dan ook tegen in de officiersrangen.

Bestuurlijk en organisatorisch kende het leger vóór 1795 vele schijven. De Staten-Generaal, de gewestelijke Staten, de Raad van State, de Stadhouder en de Admiraliteiten hadden elk een aandeel

in de organisatie van het leger. Het oppergezag berustte bij de Staten-Generaal en de gewestelijke Staten. De Raad van State was het uitvoerend orgaan; tegenwoordig zouden we spreken van het ministerie van Defensie. De betaling van het leger verliep grotendeels via de gewestelijke Staten. De Stadhouder was als Kapitein-Generaal de bevelhebber en tevens verantwoordelijk voor de benoemingen van de officieren. Het beheer van de vloot was opgedragen aan de vijf Admiraliteitscolleges te Amsterdam, Rotterdam, Vlissingen, Hoorn en Dokkum. Voor het vinden van gegevens van onze militaire voorouders moeten we de archieven van al deze instellingen raadplegen. Dat kan een hele zoektocht in en langs vele archieven zijn.

Raad van State (tot 1795) Het Staatse leger was, zoals gezegd, een beroepsleger. De troepen stonden `ter repartitie' van de afzonderlijke gewesten, dat wil zeggen dat elk gewest bepaalde troepen moest onderhouden. De feitelijke werving van de soldaten geschiedde door zogenoemde solliciteurs-militair, tussenpersonen tussen het gewest en de legercommandanten, die ook de financiële kant afhandelden. De Raad van State (1588-1795) functioneerde als een uitvoerend orgaan van de Staten-Generaal, vooral op militair terrein. De Raad bestond uit de stadhouder (formeel voorzitter) en twaalf vertegenwoordigers van de afzonderlijke gewesten. Uit deze leden werd de dagelijkse voorzitter benoemd. De Raad was belast met het opstellen van de jaarlijkse staat van oorlog (een soort deelbe- groting met financiële wensen) en een begeleidend stuk, de generale petitie (een soort memorie van toelichting waarin de politieke toestand werd geschetst en mutaties ten aanzien van het jaar daarvoor in de staat van oorlog werden beargumenteerd). Beide stukken werden jaarlijks aan de Staten-Generaal ter goedkeuring voorgelegd. De thesaurier-generaal deed de uitbetalingen. De taak van de Raad met betrekking tot defensie was - naast het opstellen van de begroting - het houden van toezicht via gedeputeerden te velde, de werving, financiering en afdanking van de generaliteitstroepen en de militaire rechtspraak.

Bronnen

  1. In de resolutieboeken van de Raad van State treft men gegevens aan over benoeming en ontslag van militairen, klachten over inkwartieringen en militairen, het verlenen van pensioenen, paspoorten en sauvegardes (paspoorten of vrijgeleiden waarmee militairen een bijzondere rechtsbescherming genoten gedurende het reizen). De resoluties van de Raad van State (1584-1795, met hiaten) berusten in het Algemeen Drents Archief. Deze zijn deels voorzien van een index op persoons-, plaats- en zaaknamen.
  2. In de staten van oorlog te lande werden de vaste lasten van het veldleger, die door de afzonderlijke gewesten worden betaald, provinciegewijs en naar soort opgesomd. Zij geven een overzicht van de sterkte van het officierskorps en de betaling van het krijgsvolk per compagnie. Men vindt er ook betalingen aan ambtenaren in, zoals gerechtsboden, ingenieurs, predikanten en Neder- landse gezanten. Omdat een effectieve controle van de gegevens ontbrak, onder meer omdat de gewesten mutaties niet of nauwelijks doorgaven, is de betrouwbaarheid dienovereenkomstig. Een serie staten van oorlog berust in het Drents Archief Drenthe (OSA, inv.nr. 1816).
  3. Iedere militair moest worden ingeschreven in een stamboek. Naast deze stamboeken werden soms ook recrutenlijsten en rangeerlijsten, conduitestaten en sterktestaten bijgehouden. Zij geven inzicht in het carrièreverloop van de militairen. Ook al zijn er van een bepaald regiment geen stamboeken bewaard gebleven, uit andere lijsten, zoals conduitestaten, valt meestal wel op te maken waar iemand geboren is en of hij als militair voldeed. Stamboeken en recrutenlijsten verstrekken informatie over de staat van dienst van de militair, zijn lengte, leeftijd, geboorteplaats of -streek, beroep, religie, of hij gehuwd of ongehuwd was en de eventuele kinderen. Een conduitelijst bevat informatie over de talen die de betrokkene sprak, of hij voldoende ijver en ambitie bezat, kortom of hij als militair bekwaam was. De conduitestaten werden alleen voor officieren opgemaakt. Een rangeerlijst vermeldt uitsluitend rang, lengte en leeftijd. Gegevens over deze militairen kan men terugvinden in het archief van de Raad van State, dat in het Algemeen Drents Archief in Den Haag berust. Helaas is dit archief zeer onvolledig. Zo zijn er tot 1795 slechts twintig militaire stamboeken bewaard gebleven. In de commissieboeken (1581-1792) van de Raad van State (Algemeen Drents Archief in Den Haag) kunnen aanstellingen van militairen vanaf de rang van kapitein worden teruggevonden (de generaals in het commissieboek van de Staten-Generaal). Naamindices op de commissieboeken zijn in de studiezaal van het Algemeen Drents Archief aanwezig. Gegevens over officieren zijn verder te vinden in de staten van oorlog.
  4. Ten slotte zij hier vermeld dat de aanwezigheid van garnizoenen een andere bron kan opleveren: de registratie van aanwezige militairen was onder meer nodig ter bepaling van serviesgelden, fiscale bijdragen die de militairen aan de stedelijke overheden dienden te betalen. Van de serviesgeldregisters zijn geen complete series aanwezig. In het archief van de vestingstad Coevorden is over de betaling van serviesgelden wel het een en ander te achterhalen (toegangnummer 0116, inv.nrs. 278-329). Men vindt er onder andere namen van aldaar gelegerde militairen, het aantal militairen en de duur van hun verblijf.

Literatuur

Over de onderzoeksmogelijkheden in de Staten van oorlog en generale petities vindt u informatie in A.Th. van Deursen, `Staat van oorlog en generale petitie in de jonge Republiek', Bijdragen en Me- dedelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 91 (1976) 44-55 en P.W. van Wissing, De staten van oorlog te lande en de generale petities (1576-1795) (Den Haag 1990).

Het Drentse gezag

Drenthe had, net als de andere gewesten, een aantal compagnieën te onderhouden en betalen. Het grootste was het regiment infanterie, dat over het algemeen aangeduid werd met de naam `Orange- Drenthe'. Ook anderszins hadden de Drenten te maken met de militairen. De inwoners van de stad Coevorden en van de Drentse dorpen werden regelmatig opgezadeld met de huisvesting en inkwartiering van soldaten. Dat dit tot de nodige moeilijkheden leidde (en dus tot archiefstukken) behoeft geen betoog.

Bronnen

De monsterrollen en sterktestaten van de compagnieën en regimenten `ter repartitie' van Drenthe bevinden zich in OSA, toegansnummer 0001, inventarisnummers 424-431. Deze rollen bevatten de namen en rangen van de militairen over de jaren 1620-1796. In het stadsarchief van Coevorden is een redelijk aantal archiefstukken betreffende militaire zaken te vinden (toegangnummer 0116, inventarisnummers 278-295, 901-981). In de kerspelarchieven vindt men stukken over (de kosten van) inkwartiering van militairen terug.

In de studiezaal van het Drents Archief bevindt zich een klapper op huwelijken van militairen in Drenthe in de periode 1648-1811. Deze index bevat alle Drentse huwelijksinschrijvingen van hen, die als militair genoemd werden.

Bataafs-Franse instellingen (1795-1813)

Het Comité tot de Algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande (de vroegere Raad van State) kreeg na de Bataafse omwenteling opdracht het leger van de nieuwe republiek te organiseren. Zo werd het Bataafse leger in juli 1795 geformeerd. Het bestond uit ruim 34.000 man, voor het merendeel afkomstig van de strijdmacht van voor 1795. Het grootste deel werd gevormd door fuseliers, nu infanteristen geheten, aangevuld met Duitsers. Daarnaast kende het leger jagers en artilleristen, waaronder het Korps Rijdende Artillerie, genie-eenheden, mineurs en sappeurs, pontonniers en enkele Zwitserse infanterieregimenten. Bij het Haags Verdrag (1795) verplichtte de Bataafse Republiek zich de Fransen militair bij te staan. In 1798 kwam de armee onder de verantwoordelijkheid van de Agent (Minister) van Oorlog, die toezicht op en de algehele leiding over leger en landsverdediging kreeg.

Voor militairen was het niet altijd plezierig gelegerd te zijn in vestingstadjes als Coevorden. Maar voor hun echtgenotes, die vaak meegingen, zal het genoegen nog minder zijn geweest. Dan kon het ook gemakkelijk gebeuren dat de vrouw van de korporaal Bassin een ordinaire ruzie kreeg met de vrouw van sergeant-majoor Evers. Aanleiding was de koop van een paar pond boter. Het gevolg van de ruzie was evenwel dat vrouw Bassin de stad werd uitgestuurd. Haar man had tenslotte de laagste rang van de twee. (F.R.C. Burghardt, `Een schandaal uit 1797', Ons Waardeel 1 (1981) 170-172).

Onder Lodewijk Napoleon (1806-1810) werd de naam Bataafse Armée vervangen door die van het Koninklijk Hollandse leger en de sterkte op ruim 22.000 man gebracht. In 1810 ging het Koninklijke Hollandse leger op in het Franse en werd de dienstplicht ingevoerd - de door de bevolking gehate conscriptie - met de mogelijkheid plaatsvervangers (remplaçanten) in te huren. Door loting werd bepaald welke dienstplichtigen zouden worden opgeroepen voor de werkelijke vervulling van hun dienstplicht.

Jan Weurding uit Beilen deed alle mogelijke moeite om onder de dienstplicht uit te komen. Jan was herbergier. Zijn beide ouders waren overleden en hij was nu hoofd van een gezin van vier wezen, waarvan de jongste zeven jaar was. Bovendien had hij zijn grootmoeder van tachtig in huis. Als Jan in dienst moest, dan had het gezin geen broodwinning meer, aldus zijn pleidooi voor vrijstelling. (OSA, inv.nr. 1675) Uit het ontbreken van zijn naam in de trekkingslijst mag worden afgeleid dat Jan Weurding de dans ontsprongen is. (OSA, inv.nr. 1684)

In 1813 werden net als in andere gewesten ook in Drenthe burgers geworven voor de nationale garde, een leger bestemd voor de bescherming van militaire objecten en de binnenlandse verdediging.

Bronnen

In 1806 zijn pogingen ondernomen om door de diaconie bedeelden onder militaire dienst te krijgen. Lijsten van voor het leger in aanmerking komende bedeelden bevinden zich in OSA, inv.nrs. 1493- 1495. Voor de conscriptie zijn in 1811 vele registers van mannelijke ingezetenen aangelegd. Ze bevatten informatie over namen, beroepen, leeftijden en woonplaatsen. De registers bevinden zich in OSA, inv.nrs. 1673-1692. In 1813 legden de maires van Drenthe lijsten aan van degenen die naar hun mening in aanmerking kwamen voor de Garde d'honneur, een erekorps van de Franse keizer. Logischerwijs staan op deze gemeentegewijze lijsten de voornaamsten van elke gemeente vermeld. De registers berusten in OSA, inv.nr. 1670. Stukken over de inschrijving voor de nationale garde in het Keizerrijk kunt u aantreffen in OSA, inv.nr. 1671.

Beschikbaarheid

Via de themawebsite Militairen in de Bataafs-Franse tijd van het Nationaal Archief zijn diverse bronnen te raadplegen, met digitale indexen. Daarnaast heeft het Centraal Bureau voor Genealogie ook een themapagina gewijd aan dit onderwerp.

Het CBG beheert ook de Collectie Wakker, die bestaat gegevens over officieren van het Staatse leger, van wie de namen voorkomen in de commissieboeken en de Staten van oorlog. In enkele grote

bibliotheken, de bibliotheken van het Nationaal Archief, het CBG en bij de Sectie Militaire Geschiede- nis van de Koninklijke Landmacht te Den Haag worden officiersboekjes bewaard over de periode 1725 tot 1989 (met hiaten).

Bij het CBG berust ook de Collectie Wolters. De genealoog H.J. Wolters maakte uittreksels op de ondertrouwregisters uit de periode 1648-1811 uit een groot aantal garnizoensplaatsen betreffende militairen. Hij voorzag de uittreksels van indices op alle in de registers voorkomende namen. Het Nationaal Archief bewaart naamindices op militaire stamboeken, naamlijsten, conduite- en pensioenstaten van militairen uit het leger van de Bataafse Republiek (1796-1806) en het Koninkrijk Holland (1806-1810). Ook is er een index op de overlijdensakten van Nederlandse militairen in Franse krijgsdienst (1792-1815) die in (militaire) hospitalen zijn overleden die ook bij het Centraal Bureau voor Genealogie is te raadplegen. Voor het overige zijn veel gegevens over militairen uit de periode 1796-1813 verloren gegaan.

De staat van dienst van Nederlandse militairen in Franse dienst (1810-1813) werd geregistreerd in Franse stamboeken. Voor schriftelijke informatie kunt u zich wenden tot Service Historique de l'Armée de Terre in Frankrijk (zie de adressenlijst achterin), waarbij u wel het Franse legeronderdeel moet vermelden.

Literatuur

Genealogische problemen bij het zoeken naar militaire voorouders worden behandeld in: J.P.C.M. van Hooff, `Enkele richtlijnen voor het verrichten van genealogisch onderzoek naar militairen, behoord hebbende tot de Nederlandse troepen te land', Gens Nostra 39 (1984) 249-263 en R.A.J. Dix, `Praktische aanwijzingen voor het zoeken naar militairen in het Algemeen Drents Archief (ARA)', Gens Nostra 62 (1987) 21-27.

Algemene informatie over het Nederlandse leger vindt u in W. Bevaart, De Nederlandse defensie, 1839-1874 (Den Haag 1993) en in H.L. Zwitzer, `De Militie van den Staat', Het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden (Amsterdam 1991).

Voor genealogisch onderzoek naar officieren bij de infanterie in de rang van majoor kan dienen: H. Ringoir, Hoofdofficieren der Infanterie van 1568-1813 (Den Haag 1981), terwijl hij in zijn Nederlandse generaals van 1568 tot 1813 (Den Haag 1981) de officieren vanaf de rang generaal-majoor behan- delt. In J.M.G.A. Dronkers, De Generaals van het Koninkrijk Holland 1806-1810 ('s-Gravenhage 1969) staan van 62 opperofficieren de volledige staten van dienst afgedrukt.

Als u alleen de plaats weet waar uw voorvader in een bepaald jaar gelegerd was, dan kan de volgende publicatie u verder helpen: H. Ringoir, Vredesgarnizoenen van 1715 tot 1795 en 1815 tot 1940 ('s-Gravenhage 1980). Hierin staat onder meer per plaats vermeld welk legeronderdeel er gelegen heeft.

Over militairen in de Bataafse tijd: J.P.C.M. van Hoof, 'Militairen in de Bataafs-Franse tijd', Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie 49 (1995) 195-209. Verder is nog vermeldenswaard B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof, 200 jaar Rijdende Artillerie 1793-1993 ('s-Gravenhage 1993).