2. hoe zet ik mijn onderzoek voort?

Behalve de informatie uit de akten van de burgerlijke stand en de doop-, trouw- en begraafboeken, zijn er nog meer bronnen die u kunt gebruiken voor het reconstrueren van familierelaties. Denk bijvoorbeeld aan bevolkingsregisters, testamenten, huwelijkscontracten en migratielijsten.

Bevolkingsregister, persoons- en gezinskaarten

De bevolkingsadministratie is voor de negentiende en twintigste eeuw een belangrijke bron. Na de algemene volkstelling van 1849 besloot men de toen verkregen gegevens te blijven verzamelen en bij te houden. Elke gemeente legde bevolkingsregisters aan, waarin de registratie-eenheid het woonadres of het gezin was. Overigens was een behoorlijk aantal gemeenten al eerder begonnen met het aanleggen en bijhouden van een bevolkingsregister.

In 1920 kregen de gemeenten toestemming om het bevolkingsregister op een kaartsysteem over te brengen, waardoor mutaties beter konden worden verwerkt. Zo ontstonden de gezinskaarten (alfabetisch op naam van het gezinshoofd). In 1938 tenslotte werd dit systeem weer vervangen door de persoonskaarten (alfabetisch op naam).

Anders dan de registers van de burgerlijke stand geven de bevolkingsregisters meer samenhangende informatie: de geboorte-, huwelijks-, overlijdens- en vertrekgegevens van alle gezinsleden staan bij elkaar op één blad of kaart.

Het bevolkingsregister was meestal niet alfabetisch ingericht, maar wijksgewijs en vervolgens op straatnaam. Van elk adres werden de volgende gegevens geregistreerd: van alle bewoners (inclusief dienstboden en knechten) de voor- en achternamen, het geslacht, de geboortedatum en -plaats, de kerkelijke gezindheid, de burgerlijke staat en het beroep, de relatie van elke bewoner tot het gezins- hoofd, de huwelijksdatum van het gezinshoofd (ontbreekt vaak), de datum waarop men op een adres is komen wonen, de verhuisdatum en het nieuwe adres en soms de overlijdensdata van de bewo- ners. Huisnummers kwamen niet overeen met kadastrale nummers en wisselden regelmatig. Er werd slechts één beroep ingevuld, terwijl velen vroeger meer middelen van bestaan hadden. Als zich veranderingen voordeden (bijvoorbeeld verhuizingen), werden die ook in het bevolkingsregister genoteerd.

Omdat de gegevens bij de invoering van de gezinskaarten per gezin gerangschikt werden, geven de kaarten geen volledig beeld meer van wie er op een bepaald adres woonachtig waren. Dit hiaat werd opgevangen met behulp van woonregisters, die werden geordend naar de volgorde van de adressen; zij verwijzen naar de gezinskaarten. De gemeenten zijn in 1938 begonnen de persoonsgegevens van elke inwoner van de gemeente op te nemen op een persoonskaart en vanaf 1 oktober 1994 zijn alle gegevens gedigitaliseerd in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA). De gegevens zijn niet altijd correct vermeld, zeker als in een plaats veel verhuizingen plaatsvonden. Ook zijn wijzigingen niet altijd aan de gemeente doorgegeven. Vergelijking met de gegevens van de burgerlijke stand is daarom noodzakelijk.

De gemeente Gieten was een van de Drentse gemeenten, waar al oudere registers bestonden. Deze oudere bevolkingsregisters geven bijna altijd slechts een momentopname van de bevolking. Verhuizingen of andere mutatie werden na het aanleggen niet bijgehouden. Een bijzonder bevolkingsregister was het dienstbodenregister. Hierin werd al het mannelijk en vrouwelijk personeel genoteerd, met vermelding van geboorteplaats en -datum en burgerlijke staat.

Beschikbaarheid

De Drentse bevolkingsregisters zijn te vinden op alledrenten.nl. U kunt zoeken op naam en u kunt de scans gratis downloaden. Let op: de bevolkingsregisters die destijds door de ambtenaar al alfabetisch

zijn bijgehouden, zijn niet te vinden via het zoekveld op alledrenten.nl! U moet hiervoor naar de knop ‘Bladeren door bronnen’. Daar vindt u een overzicht van alle Drentse bevolkingsregisters en kunt u zien of de registers van een bepaalde gemeente op naam doorzoekbaar zijn. Zo niet, dan moet u de scans doorbladeren totdat u de juiste naam gevonden heeft.

Veel archieven hebben enige jaren geleden de bevolkingsregisters en de gezinskaarten tot 1939 online gezet. Met de invoering van de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) in 2018 zijn deze bronnen nog eens tegen het licht gehouden. Omdat de AVG niet toestaat dat bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen online staan, heeft een deel van de archiefinstellingen de bevolkingsregisters en gezinskaarten van de jaren ’30 offline gezet. Voorbeelden van bijzondere persoonsgegevens zijn gegevens die iets zeggen over iemands gezondheid, ras, godsdienst, strafrechtelijk verleden of seksuele leven. Ook een lidmaatschap van een vakvereniging is een bijzonder persoonsgegevens. In de bevolkingsregisters en gezinskaarten wordt de kerkelijke gezindheid van de inwoners vermeld.

Persoonskaarten

De persoonskaarten werden na het overlijden (via het Centraal Bureau voor de Statistiek) opgestuurd naar het CBG | Centrum voor familiegeschiedenis. Het CBG beheert de persoonskaarten van (bijna) iedereen die tussen 1939 en 1994 in Nederland is overleden en de digitale gegevens van mensen die daarna zijn overleden. Tegen betaling kunt u een uittreksel van een persoonskaart aanvragen. De gemeente Assen is al in 1930 overgegaan op persoonskaarten. Deze kaarten bevinden zich in het gemeentearchief van Assen en zijn nog niet raadpleegbaar.

Woningkaarten

Toen in 1920 de gezinskaarten werden geïntroduceerd, had de overheid geen goed overzicht meer van de opeenvolgende bewoners van een bepaald adres. Daarom werden er door gemeenten woningkaarten of woningregisters aangelegd. Per adres wordt daarin informatie gegeven over de bewoners, eventuele verhuizingen en inwonende personen. Voor het raadplegen van Drentse woningkaarten kunt u contact opnemen met het desbetreffende gemeentearchief. De woningkaarten van de gemeente Assen worden bewaard in het Drents Archief. Ze zijn niet openbaar omdat ze bijzondere persoonsgegevens bevatten.

Bevolkingsadministratie voor 1811

In de Bataafs-Franse tijd heeft de overheid getracht - voor verschillende doeleinden - een beter inzicht in de bevolking te krijgen. Zo werd er in 1795 voor het eerst een volkstelling gehouden met het oog op de volksvertegenwoordiging. Vanaf 1806 gold er in Nederland één belastingstelsel. Voor een goede uitvoering van de belastingwetten waren correcte kohieren nodig, waarin alle belastingplichtigen stonden. In 1811 was bovendien de dienstplicht ingevoerd, wat ook tot een administratie van daarvoor in aanmerking komende mannen leidde. Dit nieuwe beleid maakte het noodzakelijk een goede bevolkingsadministratie op te zetten.

Opgaven omtrent de gesteldheid der inwoners

In 1807 wilde koning Lodewijk Napoleon op de hoogte worden gebracht van ‘de gesteldheid der ingezetenen'. Deze wens was vooral bedoeld om rechtvaardig belastingen te kunnen heffen. De landdrosten (een soort commissarissen van de koning) van elk departement moesten van alle gemeenten registers laten vervaardigen. Elk register bevatte de hoofden van de huisgezinnen, hun beroep, burgerlijke staat, personeel, kinderen, bezit aan vee en grond en tenslotte de belastingverplichtingen. De registers zijn voor een groot deel bewaard gebleven in OSA (Oude Staten Archieven), inventarisnummer 1623, en bevatten een schat aan informatie. De scans zijn online te raadplegen via Archiefstukken.

In het register van Odoorn vinden we bij voorbeeld dat J. Nijenhuis in 1807 boer was, gehuwd, met een kind en twee werkboden inwonend. Zijn (belastbaar) bezit bestond uit twee paarden, twaalf koeien (hoornbeesten), veertig schapen en een zekere oppervlakte aan bouw- en weiland.

Registres civiques of burgerregisters 1811

In 1811 werd het Franse kiesstelsel ingevoerd. Stemgerechtigd waren de mannelijke inwoners van 21 jaar en ouder, die hun burgerrecht (droit civique) verworven hadden en zich hadden laten inschrijven in de zogeheten burgerregisters, ook wel registres civiques genoemd. De ingeschrevenen kregen een bewijs van hun inschrijving, de zogenoemde 'carte civique', die bij deelname aan de verkiezingen overlegd moest worden. De registers bevatten de datum van inschrijving, de voor- en achternaam, het beroep, de geboorte- of doopdatum en de geboorteplaats van de betrokkene.

Het register van Gasselte vermeldt de in het vorige hoofdstuk beschreven Harm Jans Hiddingh. De verdere informatie is zijn beroep (boer), zijn geboortedatum (26 oktober 1749, eigenlijk zijn doopdatum) en zijn woonplaats (Gasselte).

De gegevens in de burgerregisters zijn niet altijd correct of volledig. Allereerst werd slechts één beroep ingevuld, terwijl toch velen, zoals in die tijd gebruikelijk was, meer middelen van bestaan hadden. In de tweede plaats was de bevolking bevreesd dat de lijsten ook gebruikt zouden worden voor de beruchte conscriptie voor de Napoleontische legers en zal men daarom soms geprobeerd hebben de inschrijving te ontduiken. De originele exemplaren kunt u raadplegen in het Drents Archief. Ze zijn onderdeel van de Oude Staten Archieven (OSA), inventarisnummers 1673-1674.

Literatuur

J.L. van Zanden, De Volkstelling van 1807/08. De Registres Civiques 1811 (1812, 1813) (Den Haag 1987) becommentarieert beide registers op hun bruikbaarheid.

Weerbare mannen (1665-1689, 1797-1798)

In tijden van politieke spanning ging het gewestelijk bestuur van Drenthe er verschillende keren toe over om voorbereidingen te treffen `dat alle d'ingesetenen deser landtschap op het geweer werden gestelt ende goede wachten gehouden'. Men zette als het ware een burgerwacht op. Dat was het geval ten tijde van de oorlogsdreiging in 1665, 1672 en 1689.

Na de omwenteling van 1795 werd het nodig geacht een gewapende burgermacht in het leven te roepen. Deze burgermacht had tot taak `het doen eerbiedigen der wetten, het beveiligen van personen en eigendommen, het tegengaan van oproer en geweld en het beschermen van de vrijheid en onafhangelijkheid van het vaderland', aldus het reglement. Alle manspersonen tussen 18 en 45 jaar werden verplicht, wanneer nodig, de wapenen op te vatten. Deze - naar het schijnt overgeorganiseerde - burgerbewapening verdween in 1801 al weer van het toneel.

Bronnen en beschikbaarheid

Bij de oorlogsdreiging in de tweede helft van de zeventiende eeuw werd aan alle plaatselijke besturen gevraagd op te geven welke weerbare mannen beschikbaar waren en welke vuurwapens deze in bezit hadden. De lijsten hiervan zijn (grotendeels) bewaard gebleven in OSA (Oude Staten Archieven), inventarisnummers 1329-1331. De documenten zijn in origineel te raadplegen in het Drents Archief.

In 1797 werden de plaatselijke besturen verplicht lijsten aan te leggen van degenen die in aanmerking kwamen voor de gewapende burgermacht. Deze lijsten bevinden zich in OSA, inventarisnummer 1383. De scans zijn online te vinden onder Archiefstuken. Daarnaast bevat een enkel kerspelarchief gegevens over de burgerbewapening uit die tijd.

Burgerboeken (circa 1590-1809)

Burgers waren die inwoners die deelden in de voorrechten die hun stad had gekregen, bijvoorbeeld vrijstelling van tolgelden, lidmaatschap van een ambachtsgilde of berechting door de stadsrechtbank. Men verwierf het burgerrecht niet zomaar. Meestal moest er voor betaald worden. Het burgerrecht verkreeg men door geboorte uit burgers, huwelijk met een burger of burgeres of door het burgerrecht te kopen.

Tegenover de sociale en economische voordelen stonden verplichtingen. Te denken valt aan de betaling van de stadsbelastingen, deelname aan de beveiliging van de stad en de verplichting om daadwerkelijk in de stad te wonen. Hiertegenover stonden ook rechten, zoals het gebruik van een stadsweide. Het burgerschap kon worden afgenomen als men teveel schulden maakte, zich aan bepaalde misdrijven schuldig maakte of zich elders als burger liet registreren.

De namen van nieuwe burgers werden genoteerd in de burgerboeken. In het algemeen bevatten de inschrijvingen de volgende genealogische gegevens: familienaam of patroniem van de nieuwe burger, herkomst (geboorteplaats en/of vorige woonplaats) en het beroep.

Beschikbaarheid

Drenthe kent slechts twee plaatsen die in het verleden stadsrechten hebben gekregen en als gevolg daarvan hun burgers registreerden. Deze plaatsen zijn Coevorden, met burgerboeken van circa 1590 tot 1809, en Meppel, met burgerboeken van 1644 tot 1809. Assen werd pas in 1809 tot stad verheven, maar toen werd geen burgerboek meer aangelegd.

De burgerboeken bevinden zich in de stadsarchieven van Coevorden en Meppel, die in het Drents Archief worden bewaard. De scans staan nog niet online, maar naamsindexen en kopieën van de registers zijn aanwezig in de Digilounge van het Drents Archief. Het burgerboek van Coevorden is door de Stichting Voorouderonderzoek Drenthe uitgegeven in een handig boekje.

Migratie

Een lastig aspect van genealogisch onderzoek is het vinden van voorouders die niet erg honkvast geweest zijn. Een familie die eeuwenlang op dezelfde boerderij gewoond heeft, levert weinig problemen voor uw onderzoek. Maar voorouders die regelmatig verhuisden, op een schip voeren, uit het buitenland kwamen of daarnaartoe gingen, zijn veel moeilijker te achterhalen. Voor de negentiende en twintigste eeuw zijn de bevolkingsregisters een nuttige bron, omdat daarin herkomst en bestemming vermeld staan. Maar er zijn voor speciale groepen migranten nog andere mogelijkheden.

De trek naar Amerika

In de jaren veertig van de negentiende eeuw werd, om zowel godsdienstige als economische redenen, de belangstelling voor emigratie naar de `Nieuwe Wereld' steeds groter. In 1845-1847 waren al meer dan 300 Drenten overgestoken naar Amerika. Vanaf 1 januari 1848 waren de gemeenten verplicht jaarlijks aan het provinciaal bestuur op te geven welke personen uit hun gemeente waren geëmigreerd. Deze gegevens werden verwerkt in provinciale lijsten die werden opgestuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken. De Commissaris des Konings en vanaf 1860 het Bureau van Statistiek van de provincie Drenthe verzamelden de jaarlijkse lijsten met namen van landverhuizers en de gemeenten van waar zij vertrokken.

Plaatselijke informatie over landverhuizers kunt u ook aantreffen in het bevolkingsregister. Soms zijn aparte registers bijgehouden van ingekomen en vertrokken personen. Een index op alle emigranten uit de bevolkingsregisters staat op alledrenten.nl.

`Zucht naar meerdere vrijheid van godsdienst en naar verbetering van bestaan' waren de motieven voor de meesten die in 1847 naar Michigan (Noord-Amerika) vertrokken. Albert Vredeveld uit Beilen vertrok naar zijn zeggen om onder ‘de drukkende belastingen' uit te komen. De meeste emigranten waren ‘christelijk afgescheidenen' en warm gemaakt door de predikant van Sleen, ds. van Raalte. Jan Willems Nijzing uit Smilde gaf als reisbestemming op: ‘Naar de door Ds. van Raalte in N. America te stichten stad, verder onbekend.' (Archief Gouverneur, inventarisnummer 3 doos 1157, d.d. 27 maart 1848, nr. 1829).

Bronnen

In emigratielijsten vindt u gegevens over de achtergrond van de geëmigreerde families: naam, leeftijd, beroep, godsdienst en welstand van het gezinshoofd, de gezinssamenstelling (inclusief meereizende dienstboden), reden van vertrek en beoogde plaats van vestiging. Ze zijn te vinden in de verbalen van de Gouverneur/Commissaris des Konings (toegangnummer 0040) en vanaf 1860 in de ingekomen stukken van het Bureau van Statistiek (toegangnummer 0042). In de indices verwijst de rubriek `landverhuizers' naar de betreffende stukken. U kunt deze stukken aanvragen in de studiezaal van het Drents Archief.

Beschikbaarheid

Naast de genoemde lijsten in het archief van de Commissaris des Konings en het Bureau van Statistiek zijn ook in het Nationaal Archief in Den Haag lijsten met landverhuizers uit de jaren 1848- 1877 aanwezig. Op de website van het CBG staat een uitgebreide zoekwijzer voor het onderzoek naar emigranten.

Vroegere migratie

Maar ook al eerder was er sprake van emigratie naar de overzijde van de oceaan. In de zeventiende eeuw, en vooral rond 1660, zijn Drenten weggetrokken om zich in Amerika te vestigen. De bekendste en meest beschreven emigratie is die uit het plaatsje Voorhees bij Ruinen. De huidige nazaten zijn wijd verspreid in de VS, maar vormen een actieve familievereniging, de `Van Voorhees Association'. J. Folkerts deed onderzoek naar de migratie in de zeventiende eeuw en publiceerde daarover zijn Emigration from Drenthe to America in the seventeenth century (Zwolle 1988). In Ons Waardeel 1986, 73-92, schreef hij `Drentse emigratie naar Amerika in de zeventiende eeuw'.

Het is over het algemeen niet eenvoudig deze vroegere migranten te vinden of te volgen. Men is vaak afhankelijk van toevallige vermeldingen in trouwboeken, aantekeningen over de herkomst van een persoon in een gerechtelijke akte of over diens vertrek in een lidmatenregister. Niet zelden loopt een genealogisch onderzoek vast, omdat men niet kan vinden waar de gezochte persoon vandaan komt of waar deze zich vestigde. Vanouds heeft er migratie plaatsgehad van het graafschap Bentheim naar Drenthe. In de zeventiende en achttiende eeuw trouwden minstens duizend Bentheimers in Drenthe. De meeste kwamen uit de kerspelen Emlichheim, Veldhausen, Nordhorn en Ulsen. De Drentse plaatsen, waar men zich vestigde, waren vooral Meppel, Coevorden, Dalen, Emmen en Schoonebeek. Opvallend was de trek van Nordhorn naar Meppel en het grote aantal Bentheimse meisjes dat in Coevorden trouwde. In 1980 verscheen een speciale aflevering van het genealogisch tijdschrift Spint Arwt'n, dat geheel gewijd was aan `huwelijken van Bentheimers in Drenthe in de 17e en 18e eeuw'. Alle huwelijken tussen Bentheimers en Drenten, voor zover voorkomende in de Drentse trouwregisters, zijn er alfabetisch in opgenomen. Een index op de Bentheimse doop-, trouw- en begraafboeken is aanwezig in de Digilounge van het Drents Archief.

Huwelijksrecht, erfrecht en voogdij voor 1811

De voor een onderzoeker belangrijke gebeurtenissen in het leven van zijn voorouder, zoals huwelijk en overlijden, brachten vaak rechtshandelingen met zich mee die op papier werden vastgelegd door officiële instanties. Het betrof het huwelijksrecht, het erfrecht en de voogdij, drie terreinen die nauw aan elkaar verwant zijn. Wij zullen in deze paragraaf laten zien hoe de papieren neerslag hiervan voor genealogisch onderzoek van nut kan zijn.

Na 1811 vinden we in de notariële archieven verschillende soorten akten die van belang kunnen zijn, zoals testamenten, huwelijkscontracten, contracten van plaatsvervanging (voor militaire dienst), akten van zakelijke aard enz. Voor het opbouwen van de genealogie zijn deze akten meestal van minder belang, omdat de burgerlijke stand al in de gegevens daarvoor voorziet. Wel bieden de notariële archieven een schat aan gegevens met betrekking tot het bezit van onroerend goed. (zie verder het hoofdstuk over bezit).

Schulten

Vóór 1811 kende Drenthe geen notarissen bij wie men terecht kon voor het laten opmaken van een akte. Daarvoor gingen de inwoners van de provincie naar de schulte. In het vorige hoofdstuk kwam deze functionaris al ter sprake. Anders dan de notariële archieven zijn de archieven van de schultengerechten (toegangsnummer 0102) van groot belang voor het opstellen van een genealogie. De gegevens uit deze archieven zijn vaak onmisbaar om familierelaties vast te stellen als de doop- trouw- en begraafboeken de onderzoeker in de steek laten. Daarnaast geven de archieven van de schultengerechten, net als de notariële archieven, veel informatie over onroerend goed. De schulte, in de zeventiende en achttiende eeuw aangesteld door de Staten van Drenthe, speelde een rol in verschillende rechterlijke procedures en voerde opdrachten van het gewestelijk bestuur uit. Minstens zo belangrijk was zijn taak in de ‘vrijwillige rechtspraak’. Hiermee bedoelen we de functie van de schulte bij rechtshandelingen, zoals het opmaken van testamenten, akten betreffende voogdijzaken, huwelijkscontracten, akten van eenkindschap, boedelscheidingen en etc.

Wat is er te vinden in de archieven van de schultengerechten? De schulten waren verplicht een aantal registers - protocollen - ten aanzien van de vrijwillige rechtspraak bij te houden:

  • sinds 1671 een protocol van ‘verzegelingen', dus gezegelde akten: van schuldbekentenis, verkoop en overdracht e.d.; het werd vaak ook register van vrijwillige rechtspraak of protocol van vrijwillige zaken genoemd;
  • sinds 1698 een protocol van testamenten;
  • sinds 1751 een protocol van aangifte van collaterale successie (vererving in de zijlinie) en van vrijwillige verkopingen van onroerend goed ten behoeve van de belastingheffing;
  • sinds 1802 een protocol van ‘ter leen' gegeven goederen en vee (als onderpand voor schulden);

Daarnaast treffen we in de meeste schultambten aan:

  • momberprotocol, register van akten in voogdijzaken;
  • protocol van aangiften van admissie tot de jacht en visserij (jacht- en visvergunningen dus);
  • protocol van ‘contentieuse' zaken (de uitoefening van rechtspraak in vooral kleine schuldzaken door schulte en keurnoten). Overigens zijn niet altijd afzonderlijke protocollen aangehouden; vaak registreerde de schulte de diverse akten in één protocol.

Voogdijzaken Voogdij kwam vroeger vaak voor. Voogden werden toen momberen genoemd. De voogd die belast

werd met de administratie en het bewind van de goederen van de pupil, werd voormomber genoemd. De rechtshandelingen in voogdijzaken waren:

  • aanwijzing bij testament van mombers. Mocht dat niet gebeurd zijn, dan was de naaste verwant aan vaderszijde verplicht ervoor te zorgen dat binnen zes weken na het overlijden voormombers gesteld werden. Lukte ook dat niet, dan deed de schulte (van de plaats van overlijden) dat.eedsaflegging door de voormomber en drie mombers;
  • opstelling van de inventaris van de goederen, nagelaten door de overledene, opgemaakt door de schulte in drievoud: één voor de schulte zelf, één voor de voormomber, één voor de familie;
  • rekening, door de mombers afgelegd van hun administratie bij de meerderjarigheid van de pupillen en geprotocolleerd door de schulte.

Beschikbaarheid

Deze rechtshandelingen zijn in principe te vinden in de momberprotocollen in het archief van de schultegerechten. Alle scans van de schultegerechten zijn online beschikbaar op drentsarchief.nl. De inventaris is ingedeeld in dingspelen en vervolgens in schultambten. De schulten hebben destijds vaak zelf een alfabetische index aangelegd op de namen van de overleden ouder(s). Deze indexen zijn te vinden voorin of achterin het register (dus digitaal doorbladeren totdat u de index tegenkomt). een aantal historische verenigingen is actief geweest met het maken van indexen op de momberprotocollen. Deze indexen staan niet online, maar zijn beschikbaar in de Digilounge van het Drents Archief.

Als voorbeeld behandelen we de nalatenschap van Hendrik Barringe en Wemmechien Prakken te Wijster. Op 15 maart 1757 legden de momberen over hun minderjarige kinderen de eed af. Hoofdmomber was Hendericus Hendriks te Beilen, mombers waren Hendrik Willems van Diever, Jan Prakken van Eemster en Jan Hilberts van Leggelo. Op 1 mei 1757 maakte de schulte van Beilen op verzoek van de momberen inventaris van de boedel op. De goederen bestonden uit een boerderij in Wijster met bijbehorende landerijen, `tilbare goederen' als kleding, kasten, een bed en linnengoed. Vervolgens waren er enkele vorderingen op anderen en enige schuldbekentenissen en nog niet betaalde rekeningen. De eedsaflegging en de inventaris staan in het eerste `prothocol van momboirsaken' van Beilen. In het tweede deel zien we op blz. 28-36 de rekening die de hoofdmomber op 21 april 1761 aflegt van zijn beheer. De ontvangsten, voortkomend uit de verkoop van vooral rogge en boekweit en uit loon van de pupillen, bedragen 419 gulden. De uitgaven wegens kleding, vervoer van rogge en boekweit, dorsloon en betalingen aan particulieren bedragen 482 gulden. De schulte van Beilen en de medemomberen ondertekenen de rekening (Schultegerechten, inventarisnummer 120, blz. 479-481).

Akten van eenkindschap

Eenkindschap was een in Drenthe regelmatig voorkomende rechtsvorm. Wanneer een weduwnaar of een weduwe, achtergebleven met kinderen, opnieuw wilde trouwen met een andere weduwe of weduwnaar die ook kinderen had, dan kregen de man en de vrouw ieder er een of meer stiefkinderen bij (`voorkinderen' in de terminologie van toen). De kinderen van de man en die van de vrouw werden elkaars stiefbroers en -zusters. Bovendien konden uit het nieuwe huwelijk ook kinderen geboren worden, die halfbroers en -zusters van de voorkinderen zouden zijn. Dat kon tot vele moeilijkheden leiden, bijvoorbeeld bij vererving. Om deze te voorkomen bestond in Drenthe de mogelijkheid een contract van eenkindschap te sluiten. De opnieuw huwende man en vrouw sloten een overeenkomst, waardoor kinderen uit een eerder huwelijk gelijk gesteld werden met die uit een latere echtverbintenis. Kinderen uit de verschillende huwelijken werden volle broers en zusters van elkaar. Een dergelijk contract van eenkind-, eenzuster- en eenbroederschap moest worden verleden voor de schulte en bovendien worden goedgekeurd door de Etstoel, het gerechtshof. Bovendien schreef het Drentse landrecht voor dat er mombers, voogden, gesteld moesten worden over de voorkinderen.

Omdat eenkindschap veel verwantschap met voogdij heeft, bevinden de contracten en de eindafrekening door de voogden zich in de momberprotocollen die de schulten bijhielden (of in de losse stukken over dat onderwerp). Alle scans van de schultegerechten zijn online beschikbaar op drentsarchief.nl.

Op 3 oktober 1760 verschenen voor de schulte van Gasselte de mombers over het dochtertje Trijntien van wijlen Jan Schuiling en Gebbegien Alberts te Gasselte, alsmede de mombers over de twee kinderen van Jan Lamberts en wijlen Henderkien Jacobs uit Eext, geheten Fennegien en Lubert. De weduwe Gebbegien Alberts wilde hertrouwen met de weduwnaar Jan Lamberts. De huwenden en de voogden sloten een contract van eenkindschap, eenzuster- en eenbroederschap. In het contract lezen we dat de drie voorkinderen gelijkgerechtigd zouden zijn met de eventueel uit dit nieuwe huwelijk voortkomende kinderen ten aanzien van de nagelaten goederen van de overleden ouders. Bovendien zouden al deze kinderen op elkaar vererven ‘alsof deselvige uit een bedde en van een en deselvige ouders gesproten waren'. Als speciale bepaling werd toegevoegd dat Trijntien Jans de bijbel met zilveren sloten van haar overleden vader zou krijgen. Fennegien en Lubert Jansen kregen het door hun moeder nagelaten zilveren oorijzer. De voogden zouden deze kostbaarheden bewaren totdat de kinderen ze zelf konden bewaren of gebruiken. Deze akte, ondertekend door de huwenden en alle mombers, laat prachtig zien hoe uit twee onvolledig geworden gezinnen één nieuw gezin gevormd wordt met volledig gelijkberechtigde leden (Schultegerechten, inventarisnummer 320d). Op dezelfde derde oktober 1760 staat in het protocol van de schulte ook de eedsaflegging door de momberen ingeschreven (Schultegerechten, inventarisnummer 319, deel 3, blz. 342). Helaas is een inventaris en later een momberrekening niet in het protocol ingeschreven.

Huwelijks- en erfrecht

In een agrarische gemeenschap was het vanouds van belang het familiale erfgoed bijeen te houden en niet op te splitsen door bijvoorbeeld vererving onder meerdere kinderen. Versnippering van goederen verminderde de economische waarde. Dat vereiste een goede regeling op de risicovolle momenten. Deze momenten waren het huwelijk en de dood. Het huwelijksgoederenrecht en het erfrecht hadden in Drenthe nauwe verwantschap. In de huwelijkscontracten, de regeling tussen de families van de huwenden, werden afspraken gemaakt over de al of niet in de huwelijksgemeenschap in te brengen goederen. Bij testament kon de testateur beschikken over wat er na zijn overlijden met zijn goederen zou gebeuren. Was er geen testament, dan trad de regeling van het in het Drentse landrecht voorgeschreven erfrecht in werking.

Het Drentse recht bepaalde dat vanaf het ogenblik van de huwelijkssluiting er gemeenschap van roerende en van aangewonnen goederen optrad. Dat wil zeggen dat huisraad gemeenschappelijk was, evenals tijdens het huwelijk verworven goederen. Werd een kind geboren, dan trad daardoor algehele gemeenschap van goederen in. Ook de overige goederen van de echtelieden werden dan dus gemeenschappelijk. Overleden de kinderen vóór de ouders, dan hield deze algehele gemeenschap op te bestaan en was weer sprake van gemeenschap van roerende en aangewonnen goederen. De opzet hiervan was te voorkomen dat goederen van de ene familie dan in een andere familie terecht zouden komen.

Huwelijkscontract

In normale gevallen was de gang van zaken dat, wanneer uit een huwelijk kinderen geboren waren, het ‘erfgoed' - de ouderlijke boerderij - aan de zonen toekwam (‘bij de stamme blijft'). De andere kinderen, de dochters, werden door de ouders afgekocht, daarvoor schadeloos gesteld, ‘afgeboelt'. Waren de ouders overleden, dan deden de broers dat. Vaak werden deze afspraken vastgelegd in een huwelijkscontract.

Huwelijkscontracten zijn te vinden in het archief van de schultegerechten. De scans staan online op drentsarchief.nl.

Kijk per schultambt of er of er een protocol bestaat waarin huwelijkscontracten geregistreerd zouden kunnen zijn. Vervolgens kunt u in dit protocol kijken of omstreeks de huwelijksdatum een huwelijkscontract is opgetekend. Als van de betreffende familie een familiearchief in het Drents Archief wordt bewaard, zou zich hierin de originele akte kunnen bevinden, maar dit komt in de praktijk weinig voor.

In het doopboek van Schoonebeek is vermeld dat Fennigjen, dochter van Geert Ellen, op 18 augustus 1754 is gedoopt. Om erachter te komen wie haar ouders waren moeten we in het huwelijksregister kijken. Maar dat vertoont hiaten, juist over deze periode. Kan een huwelijkscontract dan uitkomst bieden? In het protocol van akten in voogdij- en huwelijkszaken van het schultambt Coevorden en Schoonebeek treffen we inderdaad een dergelijk contract aan, op 31 maart 1753 gesloten tussen Geert Ellen, van Schoonebeek, en Hilligien Schoenmakers, van Barthoorn. Geert wordt omschreven als oudste en erfgenaam van de boerenplaats Ellen, Hilligien wordt bijgestaan door haar vader Jan Schoenmakers en door Egbert Schoenmakers. Overeengekomen wordt dat de bruid van de ouderlijke boedel wordt afgekocht voor een som van 550 gulden, welk bedrag door haar vader in drie termijnen wordt betaald. Als verdere uitzet krijgt zij mee twee bedden en een koe. De bruid belooft het geld, de genoemde roerende goederen en eventueel uit de zijlinie te erven goederen in te brengen in het huis van de familie Ellen. Mocht de bruid het eerst overlijden zonder kinderen na te laten, dan zal de helft van de ingebrachte goederen ten voordele van de bruidegom komen. Mocht de bruidegom eerst overlijden zonder kinderen, dan mag de bruid op de plaats Ellen blijven en hertrouwen. Het contract wordt ondertekend door Geert Ellen, Jan Geersen en Fennegien Ellen (waarschijnlijk de ouders van Geert), Harm Ellen, Jan en Egbert Schoenmakers. Hilligien zet een kruisje in plaats van haar handtekening. Bovendien ondertekenen de schulte en twee keurnoten (getuigen) de akte (Schultegerechten, inventarisnummer 11).

Testament

Een andere manier om de bestemming van (huwelijks)goederen te regelen was het testament. Deze uiterste wilsbeschikking legde men meestal op latere leeftijd vast, vooral wanneer men zijn einde voelde naderen. Vaak werd er het vruchtgebruik door de langstlevende in geregeld. Geregeld werden testamenten geregistreerd door de schulte in zijn protocol. Na 1811 was de notaris de bevoegde instantie, voor wie men een testament kon maken. Maar vanzelfsprekend vinden we testamenten ook in familiearchieven.

De schulte van Norg registreerde in 1780 het testament van Hindrik Egberts en Rensien Roelfs, echtelieden in het dorpje Westervelde. Zich bewust van de zekerheid des doods en de onzekerheid van tijd en uur daarvan legden zij vast dat de langstlevende het vruchtgebruik en de eigendom van de tilbare en aangewonnen goederen kreeg. Wat er na de dood van de langstlevende overbleef, werd half-half verdeeld tussen de wettige erfgenamen. Bovendien legateerden zij een bedrag van 15 gulden aan de diaconie van Norg. (Schultegerechten, inventarisnummer 225, blz. 89).

Boedelscheiding

Een veel voorkomende situatie, zeker na 1800, was ook dat na het overlijden van de ouders de kinderen de gemeenschappelijke boedel moesten scheiden. Vaak deden de erfgenamen dat onderling en legden zij de scheiding en deling vast in een onderhandse akte. Dan vindt men deze hooguit terug in een familiearchief. In de protocollen van de schulten zijn weinig boedelscheidingen te vinden.

Meer dan eens werden de erfgenamen het niet eens en kwam de rechter er aan te pas. Kwesties rond huwelijksgoederen en erfenissen kan men dus ook aantreffen in de lottingsprotocollen van de Etstoel (zie over deze rechtbank het hoofdstuk over burgerlijke rechtszaken).

Een index op de lottingsprotocollen staat nog niet online, maar is wel beschikbaar in het Drents Archief (met dank aan Cor de Graaf en Hans Homan Free).

Op 5 december 1747 stonden de erfgenamen van Berent Jans en Annegien Cornelis uit Wapserveen voor de Etstoel. Aan Cornelis Jans en Roelofien Jans uit Wapse, voor twee vijfde gerechtigd tot de boedel, werd door de overige erven gevraagd mee te werken aan de vereffening van de boedel. In 1725 hadden Berent Jans en Annegien Cornelis een testament gemaakt, waarin de langstlevende alle aangewonnen en roerende goederen zou verkrijgen. De gedaagden zeiden dat eerst maar eens een boedelinventaris gemaakt moest worden om enig inzicht te krijgen, omdat er sprake zou zijn van goederen in Overijssel en obligaties. De Etstoel besliste bij tussenvonnis dat een commissie uit haar midden eerst met de strijdende partijen om de tafel zou gaan zitten. Drie dagen later kon al uitsluitsel worden gegeven. De aangewonnen vaste goederen zouden tussen partijen ieder voor de helft verdeeld worden en er zou een inventaris gemaakt worden van de boedel. Daarmee werden de gezamenlijke erfgenamen naar huis gestuurd. (Archief Etstoel, inventarisnummer 14, dl. 49, fol. 53 en 60).

Omdat onroerend goed doorgaans over meer generaties in de familie bleef, leveren ook de andere bronnen die daarop betrekking hebben, zoals belastingregisters, indirect waardevolle informatie voor het reconstrueren van familierelaties. In hoofdstuk 4 worden deze bronnen verder besproken.

Literatuur

Over het eenkindschap: S. Gratama, `Het Drentsche een-kindschaps-, een-zuster- en een- broederschapscontract', Drenthsche Volksalmanak 14 (1850), 85-134. E. Oosting, Het eenkindschap, proeve van verklaring van het Drentsche landregt, B. III, art. 8 (Leiden 1868), met name de bladzijden 105-143, waar de Drentse praktijk wordt beschreven aan de hand van enkele casus. De wettelijke regeling van het huwelijksgoederenrecht staat in het derde boek van het Drentse landrecht, vastgesteld in 1614 en herzien in 1712. E. Pelinck heeft hierover gepubliceerd: Geschiedenis van het huwelijksgoederenrecht in Drenthe (Leiden 1879). Een overzicht van de verschillende erfrechtelijke situaties geeft J. Wessels Boer, `Wat leeren de Drenthsche rechtsbronnen omtrent het erfrecht bij versterf?', NDVA (1893) 108-128. Verder E.M. Meyers, Het Friesche en het Drentsche erfrecht en huwelijksgoederenrecht, Akademiedagen 1948, 37-73. De boedelinventarissen geven een prachtig beeld van het dagelijks leven en het huishouden. Zie hierover: H. van Koolbergen, Materiële cultuur: huisraad, kleding en bedrijfsgereedschap (Zutphen 1988) en Th.F. Wijsenbeek-Olthuis, Boedelinventarissen (Den Haag 1995).

Onderzoek naar joodse families

Speciale aandacht is er tenslotte in dit hoofdstuk voor genealogisch onderzoek naar joodse families. In Drenthe kunnen vier plaatsen bogen op een rijk joods verleden: Assen, Coevorden, Hoogeveen en Meppel. De kille (gemeente) van Coevorden werd in 1768 door de Drost van Drenthe erkend, die in Hoogeveen in 1785. Meppel maakte in 1767 zelf een reglement, dat echter geen goedkeuring kreeg. De kille van Assen is van iets jonger datum. In 1811 telde Meppel 225 leden, Hoogeveen 111 en Coevorden 101. Assen (met Rolde en Beilen) had nog slechts 56 leden. Vóór de stichting van de oudste synagoges waren er ook al joden in Drenthe. Rond 1690 is hun aantal echter zeer gering.

Literatuur

Op de website van De Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie staat een uitgebreide literatuurlijst per provincie. De Kring geeft vier keer per jaar het tijdschrift Misjpoge uit, dat geheel gericht is op joodse genealogie.

Wie zijn joodse voorouders na 1795 zoekt, kan in principe de gewone bronnen gebruiken: burgerlijke stand, notariële archieven, successiememories, bevolkingsregisters enz. Omdat veel joden in de handel zaten, zijn de archieven van de Kamers van Koophandel in Meppel, Hoogeveen, Assen en Coevorden (1852-1922) van belang. Vanaf 1922 was er één Kamer in Meppel, die het Handelsregister

bijhield. Dit is een prachtige bron voor onderzoek naar bedrijven (zie verder het hoofdstuk over beroepen). Advertenties van en berichten over bedrijven zijn te vinden in oude kranten. Via Delpher.nl is een groot aantal kranten doorzoekbaar.

De Rolderstraat in Assen was bij uitstek de straat waar joodse winkels gevestigd waren. De familie Behr had er een fietsenhandel en winkels in porselein en glas en in galanterieën. Noach ten Brink handelde in levensmiddelen, L. van Dam, M.Ph. Elshof en Jacob Nijstadt waren slager. Izak Denneboom had er een manufacturenwinkel, evenals S.G. Levie, Aron Mosis, Aron Nijveen en Salomon Wolf. De families Lezer en Magnus waren actief in de veehandel.

Bronnen

Vóór 1795 is de situatie anders. Archieven van de Drentse synagoges zijn niet bewaard. De gemeenten hadden ook geen eigen besnijder (mohel), hoewel daar in Assen in de periode van Andries Lezer aan getwijfeld kan worden. De mohels kwamen uit omliggende provincies. Zo staan in de besnijdenisregisters van de stad Groningen en de plaatsen Oude Pekela en Veendam, evenals in die van de Overijsselse plaatsen Oldemarkt en Zwartsluis vele Drenten. Vast staat dat sinds 1779 besnijdenissen in Coevorden hebben plaats gehad. Dit werd gedaan door Mozes Izak en Salomon Izak van Coevorden, die daarvoor van Groningen naar Coevorden kwamen. Uit hun in Groningen aangelegde besnijdenisboek werden in 1811 twee extracten naar de maire van Coevorden gezonden. Een dergelijk extract is er ook van Hoogeveen. Sinds 1794 zijn de besnijdenissen in Meppel opgetekend door Benjamin Wolf. Overigens verrichtte hij, blijkens zijn bewaard gebleven boek, besnijdenissen tot in de verre omtrek.

Toch vinden we op alledrenten.nl de huwelijken van joden, gesloten in de hervormde kerk, omdat men alleen in de hervormde kerk (de bevoorrechte kerk) mocht trouwen. In de diaconiearchieven treffen we joden aan, die bijstand ontvingen. De oude stadsarchieven van Coevorden en Meppel (die worden bewaard in het Drents Archief) zijn rijke bronnen voor genealogisch onderzoek. In het archief van Coevorden vinden we gegevens over de toelating van joden (inventarisnummers 192-193) en over de uitwijzing van Samuel Jacobs in de jaren zeventig van de achttiende eeuw (inventarisnummer 190). In de protocollen waarin de rechtszaken zijn ingeschreven (inventarisnummer 1030), komen regelmatig joodse namen voor. Hetzelfde geldt voor het archief van Meppel.