Kinderen spelen het noten schietenspel tijdens Pasen

21 maart 2024

(Palm)Paastradities in Drenthe             

Door: Luc C. den Hartog

De palmpaschen nemen van jaar tot jaar af en zullen waarschijnlijk zeer spoedig geheel tot het verleden behooren. Ook daarom was het zaak dezen arbeid niet langer uit te stellen. Dit volksgebruik komt bij alle volken van Europa voor, en elk volk heeft er zijn eigenaardigen stempel op gedrukt. In Nederland behooren de palmpaschen, tegelijk met de verdwijnende kleederdrachten en het type der boerenwoningen, tot het echte nationale van ons land.

In 1910 schrijft volkskundige Cornelia Catharina van de Graft het boekwerk Palmpaasch. Hiermee stelt zij een belangrijk stuk folklore te boek. Te lezen valt hoe het houten kruis versierd werd met papier, palmtakken en broodhaantje, hoe de kinderen zingend in het dorp rondliepen met de palmpaasstok en een zak vol lekkernijen, en hoe van het oude brood de volgende dag pap werd gemaakt. Uit haar woorden klinkt ook een zekere urgentie – oude gebruiken dreigen te verdwijnen. Toch zijn er mensen die zich het aankloppen bij de buren voor geld en lekkers, in ruil voor een geworpen blik op het uitgedoste haentien op ’n stokkien, maar al te goed kunnen herinneren.

Wat is Palmpasen?

Het determineren van de oorsprong van Palmpasen blijkt knap lastig. Net zoals bij de meeste Europese volksfeesten, verdeelt de discussie zich in een christelijke verklaring enerzijds en een Germaanse verklaring anderzijds. In die laatste vertelling zouden de haan en de groene takken – beide symbolen van vruchtbaarheid – erop wijzen dat de aarde langzaam weer groen wordt. Soms was de palmpaas voorzien van een broodkrans, die dan dienst zou doen als zonnerad. De ‘kraaiende haan’ stond symbool voor de terugkeer van de zon: het begin van de lente.

Dergelijke verklaringen snijden echter geen hout volgens anderen. Waaronder ook Van de Graft, die in haar voorwoord schrijft: “Lang weerlegde dwalingen worden aldus telkens opnieuw opgewarmd.” Palmpasen, en dan met name de uit de oudheid daterende palmprocessie, brengt in de eerste plaats de blijde intocht van Jezus Christus in Jeruzalem in herinnering. Het gebladerte komt van de palmtakken die omstaanders gebruikten om Jezus weg mee te ‘plaveien’. De broodhaan is ook ontleend aan de Evangeliën – specifiek de laatste passage voor aanvang van de kruisweg:

Toen begon hij te vloeken en te zweren: ‘Ik ken die man niet.’ En meteen kraaide er een haan. Petrus herinnerde zich wat Jezus gezegd had: ‘Voordat de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’ Hij ging naar buiten en huilde bittere tranen. Mattheüs 26: 74-75 (Willibrordvertaling)

De processie werd aanvankelijk vooral door volwassenen gelopen, maar wegens calvinistische bezwaren en beperkingen van overheidswege gedurende de zestiende eeuw, bleef uiteindelijk het ons bekende kinderfeest over. Alle voornoemde elementen komen dan ook, op de een of andere manier, terug in de rijkelijk versierde palmpaasstok – die nog altijd iets weg heeft van een processiekruis.

De Drentse schrijver Gerrit Kuipers verkiest de gulden middenweg wat de discussie betreft: “De broodkrans symboliseerde het zonnerad dat de bedoeling heeft de voorjaarszon op gang te helpen. De palmtakjes herinneren aan de palmtakken die op de weg werden gestrooid bij de intocht van Jezus in Jeruzalem.”

Hoe ging het er in Drenthe aan toe?

Een van de eerste voorbereidingen die getroffen werd was het vervaardigen van een houten frame voor de palmpaasstok. Terwijl vader aan het timmeren was, ging moeder haantjes en broodkransen bakken. De ‘kale’ variant van de palmpaasstok werd in de ochtend van Palmzondag aan de kinderen gepresenteerd. Het was een familiaire activiteit – jong en oud – om vervolgens versieringen aan te brengen. De palmpaas kreeg dan palmtakken, maar werd vaak ook getooid met andere bladeren. Slingers van crêpepapier waren eveneens een veelvuldig toegepast decoratiemiddel. Tot slot werd het geduld van de kleintjes op de proef gesteld door de toevoeging van allerlei snaaiwerk: suikereitjes, noten, vijgen, sinaasappels, krentenbolletjes, peperkoek, en tenslotte het niet te versmaden broodhaantje. Geregeld werden er wedstrijden georganiseerd voor de mooiste palmpaasstok, vaak op initiatief van de plaatselijke afdeling van de Bond van Plattelandsvrouwen.

De palmpaaslopers hadden gelukkig nog hun paosbuul. De paosbuul, ook wel paasnet geheten, werd door moeders gehaakt. Deze buidel werd vervolgens gevuld met verscheidene versnaperingen – feitelijk hetzelfde assortiment als waarmee de palmpaasstok versierd was. Met de palmpaas in de hand en de paosbuul om de nek trokken de kinderen het dorp in. Dan werd er geparadeerd en gingen de palmpaaslopers alle deuren langs in de hoop hun paosbul te doen uitdijen. Dit ging nagenoeg altijd gepaard met een variatie van het liedje haentien op ’n stokkien. In Diever was zelfs de burgemeester niet veilig. Burgemeester Jan Cornelis Meiboom en zijn vrouw Nelly Veltman (‘ome Kees en tante Nel’) werden ieder jaar bezocht. Nelly deelde dan een zelf-gehaakte paosbuul met paaseitjes uit.

Eenmaal thuisgekomen kreeg de palmpaasstok een mooi plekje. Een populaire methode voor het tentoonstellen was het middelste gat van de stoof – een houten voetenwarmer. Andere gangbare oplossingen waren: geklemd tussen twee stoelen of simpelweg tegen de muur aangeleund. Mocht het haantje niet dezelfde dag opgegeten zijn, dan kon het broodgevogelte de volgende dag (keihard inmiddels) verwerkt worden tot pap. In Zuidwolde hanteerde men de enigszins onappetijtelijke benaming ‘korstjesbrij’.

Na Palmpasen

“Wanneer de dag van de Opstanding was aangebroken en als de Paaschklokken hun oude lied van nieuw leven over velden en huizen heenbeierden uit torens en klokkestoelen der dorpen, ging men ter kerke.” – J. Poortman, Oud-Drentsch Boerenleven (1941)

In het verlengde van palmzondag ligt de Goede Week, gevolgd door beide paasdagen: Witte Donderdag (het laatste avondmaal) Goede Vrijdag (de kruisiging), Stille Zaterdag (de hellevaart) en tot slot Pasen (de verrijzenis). De week werd in zo veel mogelijk stilte en eerbied doorgebracht. De stilte werd doorbroken door het luiden van de kerkbellen. Op Eerste Paasdag, de eerste zondag na palmzondag, ging men dan naar de dienst of paasmis. Tweede Paasdag (ook wel paasmaandag geheten) had een meer volksfeestelijk karakter. Dan werden er spelletjes gespeeld en werd het paasvuur ontstoken.

De zaterdag voor Pasen waren de paosvuurslepers al in de weer. Jongeren reisden dorp en omstreken af met een geleende wagen – en soms zelfs een paard ervoor – om brandstof te sprokkelen voor het aankomende paasvuur. Hout, aardappelmanden, wannen, kratten, karton, bezems, korven, kranten, meubels en vaak ook gewoon takken of dood gras. Het paosvuurslepen belichaamt ook een zekere opruimwoede die doet denken aan de voorjaarsschoonmaak. Het resultaat was een geordende stapel brandbaar materiaal (de paasbult). In het midden van de paasbult stond een paal, waar een ton met brandstof – bijvoorbeeld teer of petroleum – aan was bevestigd. Het geheel vond plaats op een aangewezen stuk grond, gewoonlijk de plaatselijke brink. Gedurende de festiviteiten sprak men dan van ‘de paasweide’.

Het paasvuur moest echter nog even wachten. Eerst stond de paasweide in het teken van allerlei spellen. Populaire spellen waren bijvoorbeeld eiertikken, blokgooien of neutieschieten. Bij eiertikken werden twee hardgekookte eieren tegen elkaar getikt. De eigenaar van het gebroken ei was de verliezer en de winnaar mocht het dan opeten. Blokgooien vond idealiter plaats op het ijs. Een cent werd op een houten blok geplaatst, en met stenen probeerden de deelnemers het muntstuk van het blok te stoten. Neutieschieten – de naam zegt het al – werd gespeeld met noten. Het liefst walnoten. Een ijzeren kogel diende als projectiel om te schieten op een rij walnoten. De rij lag op de grond, een plank of sjoelbord.

Uiteindelijk begon het donker te worden. De spellen waren uitgespeeld en de paosbul was leeggegeten. Het moment suprême was aangebroken. Het hele dorp verzamelde rondom de paasbult, die traditiegetrouw door de oudste dorpeling werd aangestoken. Ook daarbij werden ‘spellen’ gespeeld. Jongeren probeerden bijvoorbeeld met man en macht stokken in de teerton te werpen. Veel jongens bedekten de handen in het roet, om de meiden een zwarte veeg op het gezicht te geven. Zo zochten de kwajongens verkering. Wanneer de paasbult uiteindelijk bezweek, en ook de ton ter aarde stortte, ging dit gepaard met groots gejuich. Daarna was het nog de sport om door de smeulende restanten heen te springen. Het paasfeest was passend afgesloten – de opmaat naar Pinksteren kon beginnen.

In 1952 woonden een uit de Verenigde Staten afkomstig echtpaar, John en Dorothy Keur, een paasvuur bij in het dorp Anderen. De twee antropologen, die zich bezighielden met een volkskundig onderzoek in Drenthe, verschaffen een schilderachtige voorstelling van zaken met hun in 1955 gepubliceerde verslag. Toen de schemer plaats had gemaakt voor duisternis, en de dorpelingen gemoedelijk over allerlei wetenswaardigheden keuvelden, sierden de paasvuren van buurdorpen Gasteren, Anloo en Eext de noordoostelijke horizon. Soms zijn het juist buitenstaanders die mensen opnieuw doen realiseren in wat voor culturele rijkdom zij leven.


Literatuurlijst

  • Advertentie. “Extra aanbiedingen voor Palmpasen.” Provinciale Drentsche en Asser courant (Assen), maart 19, 1959.
  • Buiskool, H. T. Op naobervesiet: Een bundel schetsen en vertellingen over gebruiken en gewoonten in het oude Drenthe. Assen: Van Gorcum & Comp. N.V.-G.A. Hak & Dr. H.J. Prakke, 1940.
  • Graft, C. Catharina van de. Palmpaasch: Een folkloristische studie van Palmzondaggebruiken in Nederland. Dordrecht: C. Morks Cz., 1910.
  • Keur, John Y. en Dorothy L. Keur. The deeply rooted: A study of a Drents community in the Netherlands. Assen: Van Gorcum & Comp. N.V.-G.A. Hak & Dr. H.J. Prakke, 1955.
  • Kruijswijk, Marita en Marian Nesse. Nederlandse jaarfeesten en hun liederen door de eeuwen heen. Hilversum: Verloren, 2004.
  • Kuipers, Gerrit. Vroeger volksleven in Drenthe. Zuidwolde: Stichting Het Drentse Boek, 1999.
  • Mulder, R. D. “Palmpasen in Drenthe.” Drenthe: Provinciaal Drents Maandblad, tevens officieel orgaan van „Het Drents Genootschap, mede voortzetting van de Studiekring D. H. van der Scheer” 20, no. 5 (Mei 1949): 70-71.
  • Poortman, J. “Brieven uit Drenthe: De folklore om Pasen leeft nog in Drenthe.” Nieuwsblad van het Noorden (Groningen), maart 31, 1956.
  • Poortman, J. Oud-Drentsch boerenleven: Geoogst uit oude dagboeken, notities, illustraties en mondelinge mededeelingen uit den tijd van 1860-1900. Assen: Van Gorcum & Comp. N.V.-G.A. Hak & Dr. H.J. Prakke, 1941.
  • Ut Deevers Archief. “De ehoakte poaseierbuul van tante Nel” Onderwerpen: Palmpoas’n. Augustus 30, 2022.